Hoofdstuk 14 uit 'Contact met God'
door ds. Rini RikkertONDERDEEL VAN DE WEBSITE WWW.RINIRIKKERT.NL (Terug)
Contact in het sterven
Scène 14 De vijf zitten klaar op hun zetels. Hala heeft een zacht muziekje opgezet. De stemming is minder uitgelaten dan anders, maar wel intens. De liftdeur gaat open, en er komt een man binnen. De anderen kijken verrast achterom. Clara staat op om hem te begroeten. De man kijkt wat onzeker om zich heen, geeft iedereen een hand en mompelt iets.
Clara: Ga zitten… hoe was de naam ook weer? Je stoel staat al klaar. (Tegen de
anderen:) Dit is de vader van de schrijfster. Hij is speciaal voor dit hoofdstuk
hiernaartoe gestuurd.
(iedereen lacht hem vriendelijk toe)
Vader: Het is mijn eerste opdracht, ik heb nog niet zoveel verstand van dit soort dingen.
Zijn jullie hier allemaal vanwege mijn dochter?
Clara: Jazeker. (wijst naar het podium) Kijk, daar zit ze.
Vader: (ziet nu pas de schrijfster): ze is oud geworden.
Hala: O ja, nu herken ik u weer.
Jaap: We dachten al, er gaat iets niet goed. Ze bleef maar aarzelen en uitstellen, er zat
duidelijk nog iets in de weg, maar we wisten niet wat.
Vader: Ik denk dat ik weet wat het is. Verdriet.
Mees: Dan is het aan u om contact te maken en haar daarop te wijzen. (Vader aarzelt
eerst, maar staat dan op, loopt terug naar de lift en gaat naar het podium. Als hij
daar aankomt huilt hij. Hij slaat zijn arm om zijn dochter. Zij begint ook te huilen.
Het duurt een hele tijd. Als ze weer rustig worden, gaat de vader terug naar het
balkon, waar hij warm ontvangen wordt. Op het podium gaat de schrijfster
opgewekt aan het werk).
Vader: ik denk dat mijn taak erop zit. We hebben het nooit gekund weet u, ons verdriet
uiten.
Clara: we zouden het fijn vinden als u nog even bleef.
Vader: (blij verrast) Graag!
Hala: Die prachtige rijpe schoonheid, die heeft ze zeker van u.
1 Tessalonicenzen 4
Broeders en zusters, wij willen u niet in het ongewisse laten over de doden, zodat u niet hoeft te treuren zoals zij die geen hoop hebben. Want wanneer wij geloven dat Jezus is gestorven en opgestaan, moeten wij ook geloven dat God de doden van-wege hun verbondenheid met Jezus naar zich toe zal leiden, samen met Jezus zelf.Het stervensproces
De tijd rond het sterven is gek genoeg vaak de meest intensieve levensfase. De heftigheid van onze emoties, het naderende einde van de verbinding met mensen, met deze aarde; het verdriet van degenen die achterblijven… In de manier waarop we hiermee omgaan wordt duidelijk in hoeverre de vervreemding heeft toegeslagen. Ik maak het vaak mee, dat de stervende en zijn of haar hele omgeving de naderende dood tot op de laatste minuut negeert of ontkent. Zij weigeren er contact mee te maken, in de kinderlijke overtuiging dat het dan ook niet bestaat. Zoals we dat ook doen met het contact met onze gevoelens, of met God. Maar de dood bestaat wel. Vroeg of laat moet ieder mens dat erkennen. Wie daar dan nog steeds op geen enkele manier contact mee wil maken, zal misschien vluchten in het WAAROM. Waarom moeten we sterven? Waarom juist dit kleine kind, die jonge moeder, die man of vrouw waar je zoveel van hield? We dagen God als het ware uit: ‘geef eindelijk maar eens een goede reden, misschien wil ik me er dán bij neerleggen, maar anders niet!’ ‘Waarom’ is een discussievraag, maar onze conclusie (of in ieder geval de mijne) staat al vast. De dood en het lijden zijn verdrietig, wreed en pijnlijk en geen enkel, zelfs geen goddelijk, doel kan dat rechtvaardigen. Misschien zullen we het ooit begrijpen – maar het blijft verdrietig, wreed en pijnlijk.
Toch kunnen we ons er niet voor afsluiten. Het lijkt zo logisch:
Wie wil er nu lijden? Niemand toch? Dus wil je het zo min mogelijk echt voelen en je ook niet verbinden met de pijn van een ander. En als je dat de eerste keer, bijvoorbeeld als klein kind, niet lukte, zorg je dat het je geen tweede keer gebeurt. Je gaat de pijn uit de weg door je af te sluiten voor de liefde. We zien het overal om ons heen gebeuren. Met fatale gevolgen voor alle andere verbindingen en contacten in je leven, dus voor je leven zelf. We zullen moeten accepteren dat het lijden en de dood bij het leven horen, zonder precies te weten waaróm.Levende aardse materie is niet eeuwig. Het sterft, verandert van vorm. We kunnen besluiten mee te gaan in die stroom, of we kunnen ons er tegen verzetten: dat laatste kan heel goed zijn, het leverde ons de medische kennis op waarmee mensen geholpen kunnen worden. Maar die medische kennis kan op een gegeven moment ook tegen ons gaan werken, want er komt altijd een moment waarop we ons toch moeten overgeven aan die levensstroom en mee gaan in de verandering. De vraag ‘waarom’ is dan minder van belang, het gaat veel meer om het ‘hoe’. Hoe gaat het stervensproces verlopen? Is het een volgende stap op weg naar een nog grotere vervreemding? Kan het ook een groeiperiode zijn, groeien naar een beter contact met jezelf, met anderen, met God? Het is hoe dan ook een deel van je leven, dat wat de verbindingen betreft hoogstwaarschijnlijk niet ineens heel anders zal zijn dan de delen daarvoor.
In contact met de natuur
Van de oude boerenbevolking in het Betuwse dorp waar ik woonde leerde ik hoe het sterven een vanzelfsprekend onderdeel kan zijn van het leven. Zij stonden in nauw contact met de natuur en beschouwden hun naderende dood ook in dat licht. Het hoorde erbij en werd in alle rust geaccepteerd. Ze geloofden in God, in de zin van ‘vertrouwen’, zonder daar verder veel gedachten of aandacht aan te wijden. Ze hadden altijd goed geleefd. God zou wel voor ze zorgen, al hadden ze daar verder geen voorstelling bij en besteedden ze er weinig woorden aan. Het was meer gebaseerd op hun ervaring van een nieuw voorjaar na een kale winter. Mensen die opgroeien en leven in een stedelijke omgeving raken die basisverbinding met de natuur meer en meer kwijt. De dood is niet langer het einde van een natuurlijk proces, maar een vreemde indringer.
Een intellectuele Rotterdamse leerde mij hoe ver dat kan gaan…
In het verpleeghuis waar ik werk woont een ernstig zieke vrouw van 96. Zij heeft een eigen kamertje veroverd dat vol staat met boeken. Zij was één van de eerste vrouwen die in Nederland theologie studeerde, daar is ze trots op. Boos is ze nog steeds op de commissie die haar afwees voor het ambt van predikant. Ze is nooit getrouwd, heeft tot op hoge leeftijd met haar moeder samengewoond. Het is een aristocratische dame, gewend om te bevelen, koppig en bepaald niet-lief. Ik mag haar bijzonder graag en bewonder haar om de kracht waarmee ze zich waardig staande weet te houden. Ze krijgt bijna nooit bezoek. We hebben een soort leraar-leerling verhouding ontwikkeld, waar ze erg van geniet en ik in een soort enfant-terrible-rol veel van haar leer. Maar op een dag veranderen de verhoudingen. Ze wordt overgebracht naar het ziekenhuis en is stervende. Ik word gebeld: ze gilt. Bijna dag en nacht. Wil niemand spreken. Ik ga haar opzoeken en hoor haar al ver weg op de gang. Als ik haar begroet, wordt ze stil. Dan zegt ze: ‘Ik ZAL blijven vechten’. ‘Dat gevecht gaat u in ieder geval verliezen’ zeg ik. Ze kijkt me woedend aan. ‘Ik ben het mijn moeder altijd kwalijk blijven nemen dat ze opgaf, bah, zo zwak. Ik geef het nooit op. Ik blijf vechten.’ Ik weet dat nu mijn beurt gekomen is om de leraar te zijn. Ik vertel haar dat het geen zwakheid was van haar moeder, maar juist kracht. Kracht is niet: je verzetten tot in het absurde, maar, als de dood gekomen is, je overgeven. Iets waar ze in haar leven weinig ervaring mee heeft opgedaan… Ze blijft stil. Ik vraag haar of ze samen met mij wil bidden, en dat wil ze. Voor het eerst. Een paar dagen later is ze overleden. Wat deze vrouw me ook leerde was het belang van overgave. Je vrijwillig durven overgeven staat of valt met het vertrouwen dat je hebt in de verbinding, of het nu met de geestelijk verzorger is, of de dokter, of God. De oude boeren wisten nog wat overgave is: zij hadden het tijdens hun leven in de natuur waar zoveel afhangt van oncontroleerbare weersomstandigheden, geleerd. Een oude wijze man in het verpleeghuis die telkens weer een stukje in moest leveren, zei: ‘ik ben hier om te leren sterven’. Zijn overgave gaf hem de mogelijkheid om dit laatste moeilijke deel van zijn leven zin en inhoud te geven.
In contact met mensen
Stervenden die hun leven lang vooral gericht zijn geweest op hun contact met anderen, zullen daar in deze periode ook veel troost uit putten en steun van ontvangen. Het is vaak een tijd waar ineens nog een groeispurt zichtbaar wordt: in een verdiepend contact met elkaar zie ik mensen ook dichter bij zichzelf komen en bij God. Het omgekeerde geldt ook: mensen die tijdens hun leven slecht contact met elkaar maken, weten zich geen raad in deze laatste fase.
Mijn vader is zijn leven lang een stille, teruggetrokken man geweest. Hij stierf aan longemfyseem, een ziekte waarbij je langzaam stikt. Zijn laatste dagen in het ziekenhuis waren moeilijk. Hij kon bijna niet praten, zeker niet over de angst die in zijn ogen te lezen was. Meestal zaten we zwijgend bij elkaar, of ging het gesprek over koetjes en kalfjes. Op een keer zat ik even alleen bij hem en vroeg hoe hij zich nu écht voelde. Er kwam niet veel antwoord. Ik voelde me treurig en alleen. ‘Weet u’, zei ik, ‘dat u eigenlijk nooit gezegd hebt dat u van ons houdt?’ Hij reageerde ontzet. ‘Natuurlijk houd ik van jullie!’ Het deed me enorm veel goed, die paar woorden. Ik zei: ‘misschien is het een goed idee als u dat ook nog eens tegen moe zegt’. Toen kwam mijn moeder binnen en was het contact voorbij. Na het bezoekuur wachtte ik op de gang: zij nam altijd als laatste nog even alleen afscheid. Helemaal overstuur kwam ze de gang op: ‘nu gaat hij echt dood: hij heeft gezegd dat hij van me houdt!’
De les die ik van mijn vader leerde was, dat ieder mens zijn of haar eigen niveau en vorm van verbinding heeft. Als je als volwassene echt verbinding met die ander wil blijven houden, zal je dat moeten zien en respecteren. Angst voor de dood is een normaal verschijnsel: je gaat alleen iets totaal nieuws tegemoet, wie zou dat niet tenminste een béétje eng vinden?! Als de angst te groot is om onder ogen te zien, moet ook dat gerespecteerd worden. Hulp kan aangeboden worden, nooit opgedrongen.
In contact met jezelf
De mensen die werkelijk goed contact hebben met hun eigen lichaam, hun emoties en hun intuïtie zijn meestal ook wijs. Het zijn meestal mensen die ook op de andere terreinen een meer dan gemiddelde verbinding kennen. Ze zien vaak nog kans om anderen in hun omgeving te steunen in hun verdriet. Hun sterven is, net als hun leven, een leerproces waar ze eerbiedig en met aandacht mee omgaan. Een slecht contact met jezelf betekent vaak ontkenning tot op het laatste moment.
In het verpleeghuis woonde een vrouw met een enorm ontwikkelde intuïtie, maar haar contact met de wereld om haar heen had ze steeds verder beperkt: niet zo verwonderlijk, in haar omstandigheden. Ze kreeg nooit bezoek, was twee jaar geleden in bed gaan liggen en weigerde om er nog uit te komen. Nu kon ze dat ook niet meer. Ze at niets anders dan ontbijtkoek. Dat vond ze lekker. Als ik bij haar langskwam, duurde het vaak lang voor ze zich weer herinnerde wie ik was. Maar meestal werd ik hartelijk ontvangen: domineesbezoek waardeerde ze wel. Jezus was één van haar vrienden, hij zou haar wel gauw komen halen. ‘Ik heb mijn vrienden altijd bij me,’ zei ze dan, en dat was te merken. De onzichtbare vrienden interrumpeerden voortdurend ons gesprek, gaven commentaar of begonnen heel ergens anders over. De vrouw was voortdurend met ze in de weer, het was duidelijk een heel gezellige club, er werd veel gelachen. Tussendoor vertelde ze me prachtige verhalen over haar leven, die ze, tot groot plezier van ons allebei, ter plekke verzon. Ze pakte regelmatig mijn hand, en ging voor me in de toekomst kijken, of zei ineens de meest rake dingen over mijn leven van dat moment en moest dan lachen om mijn beteuterde gezicht. De artsen wilden haar medicijnen geven voor haar ‘hallucinaties’. (Aanleiding waren vooral de klachten over het lawaai). Ik wees erop dat die zogenaamde ‘hallucinaties’ haar alleen maar gelukkiger maakten en wist ze te overtuigen om het niet te doen. Toen ze was gestorven miste ik haar. De zaal leek zo leeg en was vooral zo stil. Niemand die zo geanimeerd kon praten en lachen als zij, niemand die meer urenlang kon liggen zingen, altijd hetzelfde lied:
het leven is goed
het leven is mooi
jodelahoe (met een lange hoge uithaal voor de laatste lettergreep)Zij is wel een heel bijzonder voorbeeld van ‘contact met jezelf’. Ik leerde van haar vooral dat er een innerlijke vreugde kan zijn, die niet afhangt van uiterlijke omstandigheden. Ze was niet altijd blij: ze kon ook heel boos en heel verdrietig zijn, in het laatste geval vertelde ze me haar échte levensgeschiedenis. Haar boosheid maakte ik altijd maar kort mee, één woord was genoeg: ‘opsodemieteren.’ Hetgeen ik dan verschrikt deed. Maar een poosje later hoorde ik haar weer zingen en was ik weer van harte welkom. Vreugde. Ze viel op.
In contact met God
De mensen die tijdens hun leven een bijzondere verbinding hadden met God, zie je tijdens hun sterven in uitersten vervallen. Aan de ene kant zij die een geloof hebben gebaseerd op angst. Die angst wordt door de naderende dood geïntensiveerd. Zelfs degenen die dit geloof ergens tijdens hun leven vaarwel hebben gezegd, voelen de oude angst vaak ineens weer opkomen. Ten diepste is dit natuurlijk ook geen verbinding. Het is geen liefdescontact, het is een contact gebaseerd op de macht van God. Mensen die zich verbonden hebben in en met de liefde van God, zullen die angst dan ook niet kennen, tenzij als een niet zo goed raad weten met het nieuwe en onbekende.
Een derde vrouw uit het verpleeghuis: altijd onderwijzeres handwerken geweest, veel vrijwilligerswerk gedaan in de kerk, nooit getrouwd (ze staat er op om ‘juffrouw’ genoemd te worden: voor haar een erenaam). Juffrouw Z. is dement. Eenvoudige gesprekjes zijn nog wel mogelijk. Ze houdt erg van zingen, en de oude psalmen en gezangen zingt ze meestal nog zo uit het hoofd mee. ‘Heer, ai maak mij uwe wegen - door uw woord en geest bekend.’ Met deze woorden begroette juffrouw Z. mij de laatste keer dat ik bij haar kwam. Ze kon mijn gezicht niet meer onthouden, en was altijd weer blij verrast als ik zei dat ik de dominee was. Bijna altijd volgde er dan in het gesprek een citaat uit een of ander lied, een psalm of gezang, en dat was nooit zomaar uit de lucht gegrepen, het zei altijd iets over haar toestand, of over het onderwerp waar we over aan het praten waren. Zo kan ik me nog herinneren, dat we het een keer over angst hadden. Ik vroeg aan haar: ‘bent u wel eens bang?’ Zo´n gekke vraag is dat niet, aan iemand die meestal niet meer weet waar ze is, en steeds ouder en zwakker wordt. Maar juffrouw Z. gaf me een verontwaardigde blik en zei: ‘Ik hoef niet bang te zijn, want ik vertrouw op de Here’. En toen volgde er weer een citaat, die in dat gesprek nog vele keren terugkwam: ‘Gods verborgen omgang vinden - zielen waar zijn vrees in woont.’ Zo heb ik in de jaren van onze gesprekken veel van haar geleerd. ‘Hoe gaat het met u’ vroeg ik dan altijd, ‘o, met mij gaat het uitstekend, dank u’, zei ze dan. En glimlachte me vriendelijk toe. Die glimlach was altijd wat ontroerend, haar hele gezicht veranderde er door.
De laatste paar dagen voor haar dood waren toch nog moeilijk. Op een bepaald niveau had ze besloten dat het genoeg was, ze wilde niet meer eten en drinken, maar op een ander niveau kon ze de controle over haar leven toch niet echt uit handen geven, in handen van God, rust vinden. Het was geen angst, het was meer een niet weten hoe dat moest.
‘De Heer is mijn Herder!
Hij waakt voor mijn ziel,
´k Zal immer verkeren
in´t huis mijnes Heren;
zo kroont met haar zegen
zijn liefde m´altijd.’Ze bleef het maar opzeggen, het klonk als een soort bezwering. ‘Ja,’ probeerde ik, ‘maar het is toch nog moeilijk hé?’ ‘Ik weet het allemaal niet meer,’ gaf ze toen met een zucht toe. We hebben samen gebeden, en gezongen, en naar muziek geluisterd, dat gaf haar wat rust. Een paar dagen later is ze overleden.
Juffrouw Z. leerde me de waarde van de godsdienstige traditie. De oude liederen waren haar houvast. Nu ze bijna niet meer kon denken of bewegen was dit de enige manier die haar was overgebleven om nog iets van haar innerlijk te communiceren. Er mag op de kerken veel aan te merken zijn, maar het zijn wel door de eeuwen heen de hoeders van onze spirituele traditie. Generaties lang hebben mensen teksten, rituelen en liederen kunnen gebruiken om hun verbinding met God te verdiepen, beter te gaan begrijpen. Die tijd is bijna voorbij. Bij de meesten is er niets anders voor in de plaats gekomen. Hoe kan er nog een bewuste, tweezijdige verbinding met God zijn, als we er geen vorm en geen woorden meer voor kennen? En welke gevolgen zal dat hebben, niet alleen ín, maar ook ná dit leven? Ervaringen als met deze juffrouw Z. waren voor mij in ieder geval reden om mijn werkterrein te verplaatsen naar een kerkelijke gemeente om te kijken of ik kon helpen die oude traditie opnieuw toegankelijk te maken.
Leven na de dood
Ik ben op de begrafenis van een vriend die een tweede vader voor me geweest is – ik was zeer aan hem gehecht. Het verdriet is navenant. Ik erger me steeds meer aan de dominee, die een eindeloze woordenbrij produceert zonder veel zinnigs te zeggen. (Oké, als ik heel eerlijk ben vond ik vooral dat ik het zelf beter had gekund). Dan zie ik voor in de kerk ergens in de lucht mijn vriend verschijnen. Hij lacht naar me en gebaart: ‘het is allemaal goed zo, wind je niet zo op meid’. Mijn stemming is van het ene moment op het andere totaal veranderd. Deze ervaring enkele jaren geleden maakte me voor het eerst echt nieuwsgierig naar het leven na de dood. Ik ben er altijd wel van overtuigd geweest dat het bestaat, maar de christelijke traditie verstrekt daar weinig gegevens over. De oude beelden van hemel en hel waren nog gebaseerd op het idee van de aarde als een platte pannenkoek, met een beeld van een ruimte daarboven en daaronder. Zo zal het dus niet zijn. Verder is er in de bijbel heel weinig aandacht voor: het is gericht op het leven, niet op de dood.
In het oude testament was de hemel uitsluitend de woonplaats van God en de engelen, en bij hoge uitzondering werd daar ook een mens opgenomen: Mozes bijvoorbeeld, en Elia. Alle anderen moesten het doen met een plaatsje in het ‘dodenrijk’, een schimmig verblijf in de onderwereld, wat je niet echt leven meer kon noemen. In het nieuwe testament is dat veranderd. Nu is de algemeen heersende gedachte dat de mensen na hun dood in hun oude aardse lichaam zullen opstaan op de ‘jongste dag’: de hemel en aarde zoals wij die nu kennen zullen dan ophouden te bestaan, maar er komen een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Op die dag zullen de mensen voor God verschijnen en daar zal de tweedeling plaatsvinden: gelovigen gaan voor eeuwig naar die nieuwe hemel en aarde, de anderen naar het ‘eeuwige vuur’. Toch is er nog wel discussie over: een behoudende joodse groep, de ‘Sadduceeën’ gelooft daar helemaal niet in en komt met een gekke vraag bij Jezus om hem tot een uitspraak te provoceren. Maar Jezus laat zich er niet over uit. Hij spreekt zelf over ‘het huis van mijn vader’ of over ‘eeuwig leven’. Het gaat hier duidelijk om oude beelden en voorstellingen die op deze manier hun waarde voor de meesten van ons verloren hebben. Voor mij is het vooral belangrijk om te weten dat de verbinding met God eeuwig is. Na de dood zal die liefdevolle verbinding een nieuwe vorm krijgen. Punt.
In andere religieuze tradities en vooral ook in de New Age is men veel uitgebreider en dieper op dit onderwerp ingegaan. Toen mijn nieuwsgierigheid was gewekt en ik op zoek ging, bleek er veel boeiende informatie over te vinden te zijn. Aan de hand van al die informatie, enkele ervaringen en de kennis uit mijn eigen christelijke traditie heb ik wat theorieën ontwikkeld of overgenomen van anderen waarvan ik geloof dat ze waar kunnen zijn. Ik begin het ook steeds belangrijker te vinden om hier met elkaar over van gedachten te wisselen, juist in verband met het thema van dit boek, de verbinding. Maar dat komt later in dit hoofdstuk.
Een geschiedenis door de dood heen?
Het hele idee van een aardse geschiedenis, met een beginpunt, een ontwikkeling en een eindpunt onder leiding van een God die daar ook een bepaald doel mee had, is ontstaan bij de joden. Die ontwikkelingsgedachte breidde zich in de loop van de tijd steeds verder uit: van het ene joodse volk naar de hele wereld, maar ook naar ieder mens persoonlijk. Mensen worden niet zomaar lukraak geboren, ze zijn hier met een doel, ieder mens is een belangrijk en onmisbaar deel van het totale Goddelijke plan. Zonder jou zou de geschiedenis er anders uitzien. Tegelijk ben je geboren met een vrije wil en een zekere mate van bewustzijn: het uiteindelijke Goddelijke doel staat wel vast, maar mensen hebben de vrijheid om daarin hun eigen keuzes te maken. Je kunt de ontwikkeling bespoedigen of stilleggen, je eraan overgeven of je er tegen verzetten. Dat is allemaal in het plan inbegrepen.
Het plan kent maar één eindpunt: de totale verbinding met God. Het kent ook een absoluut dieptepunt: de totale afzondering, de grootste vervreemding. Moeten we allemaal door dat dieptepunt heen? Dat zou best kunnen. Totale verbinding bevat alles. Krijgen we dat allemaal in één leven, dat soms maar een minuut duurt, gedaan? Nee, dat is onmogelijk. Deze hele theorie staat of valt dus met het idee dat onze eigen geschiedenis niet pas begint bij onze geboorte en de ont-wikkeling eindigt op het moment dat je sterft.
1) een menselijke ontwikkeling
Een belangrijke reden waarom ik nooit zo veel over het hiernamaals na wilde denken, was dat het me stiekem zo enorm saai leek. Ik was nog niet toe aan een eeuwige volmaaktheid. Grote vraag was ook hoe dat zat met mensen die ik echt heel foute dingen zag doen, laten we het voorbeeld van Hitler maar weer eens nemen: als God in zijn oneindige liefde mensen niet voor eeuwig naar een hel zal sturen (en daar ga ik van uit) zouden die mensen dan zo naar de hemel gaan?? Het lijkt heel wat logischer als er inderdaad een leerweg achteraan komt, een verdere ontwikkeling op een ander niveau. Een ‘zwarter’ niveau misschien, als dat in de lijn van hun ontwikkeling ligt, (misschien komt het katholieke idee van een ‘vagevuur’ in die buurt?) of een ‘lichter’ niveau voor mensen die al een heel eind op weg zijn naar verbinding met het Al. Dat moet dan ook op een ander energie-niveau zijn, onzichtbaar voor ons, mensen. Dat wil niet zeggen dat we daar helemaal van gescheiden zijn: alles blijft met elkaar verbonden in één groot geheel.
Dat betekent ook dat het elkaar kan beïnvloeden. Wat wij doen, de keuzes die we maken, het kan invloed hebben op al die andere niveaus. Als op die hogere niveaus een bewustere verbinding bestaat, is men daar waarschijnlijk beter in staat om invloed uit te oefenen. In hun grotere eenheid met God kunnen ze beter ingezet worden voor het plan en ons helpen als de ‘gidsen’ waar we in het volgende hoofdstuk nog verder op in zullen gaan. In de bijbel komen dergelijke helpers in ieder geval wel voor, dan altijd aangeduid als ‘boodschappers’, vertaald als ‘engelen’. Soms verschijnen ze in een droom, of in een visioen, soms gewoon voor hun neus. Meestal zijn ze gekleed in blinkend witte gewaden.
2) Reïncarnatie
Een tweede manier om de ontwikkeling over een langere periode te gaan zien is het idee van reïncarnatie. Leven mensen meerdere levens? Ik heb er tegenwoordig verscheidene herinneringen aan, dus op grond van die ervaringen zeg ik ‘het lijkt me waarschijnlijk’ totdat er misschien een andere, betere verklaring komt. In mijn christelijke traditie komt die gedachte niet voor, in de bijbel ook niet. Maar het wordt ook niet ontkend. Er is op een gegeven moment een gesprekje tussen Jezus en zijn leerlingen, waarin hij aan hen vraagt wie de mensen denken dat hij is. Één antwoord is dan: de profeet Elia. Blijkbaar bestond er een gedachte, dat deze oude profeet Elia terug zou komen in Israël. Helemaal onmogelijk was dat dus blijkbaar niet. Maar Elia vormde, samen met Mozes en Henoch, wel een uitzondering in het oude testament: zij stierven geen gewone dood, maar werden volgens de verhalen opgenomen in de hemel.
In andere delen van de wereld is reïncarnatie in ieder geval een vanzelfsprekend gegeven. Daar kijkt niemand er van op als iemand komt met verhalen uit zo’n vorig bestaan, hier hebben we meestal hypnose of een speciale therapeutische setting nodig om die herinneringen in ons bewustzijn toe te laten. Toch nemen de verhalen toe, er is in de zomer van 2005 zelfs een KRO-programma die telkens één zo’n vorig-leven ervaring, onder hypnose verteld, uitpluist. Ik zie dat ze daar een ervaren therapeut bij gebruiken: hij houdt het angstvallig bij volkomen niet ter zake doende feitjes als plaatsen en gebouwen. Vaak zijn het namelijk vooral de traumatische herinneringen die bovenkomen. Die zijn misschien ook wel de reden dat we de verbinding met deze herinneringen angstvallig afgesloten houden. Dat zou mensen die dergelijke ervaringen louter uit nieuwsgierigheid of ter amusement opdiepen, tot een beetje voorzichtigheid moeten manen. Het is een, voor de meesten van ons, onbekende verbinding, die stap voor stap geopend moet worden met, zeker in het begin, de hulp van een deskundige. Deze verbinding met de geschiedenis van je eigen ziel aanvaarden zou voor het christendom een enorme stap vooruit zijn op weg naar een diepere, op ervaring berustende, godskennis. Mijn eigen kennismaking verliep via het Lichtpuntwerk van Riet Okken, waarin ook gebruik gemaakt wordt van regressietherapie.
Het verleden van de ziel
Regressietherapie is een methode waarbij je op zoek gaat naar de wortels van iets waar je in het heden last van hebt. Dat doe je door de emoties van een oude traumatische gebeurtenis in je herinnering terug te halen. Op dat moment was je niet in staat om die emoties toe te laten, je hebt ze verdrongen. Door ze in de regressie naar boven te halen en te beleven schep je als het ware steeds wat stenen uit de bron, tot het leven weer vrij kan stromen. Meestal zijn het ervaringen uit dit leven, vaak uit je vroege jeugd, waar je geen bewuste herinnering aan hebt. Soms kan het ook gaan om een ervaring uit een vorig leven – of in ieder geval níet uit het leven van nu.
Die schok, dat verdriet, was wat ik meenam naar mijn huidige leven. Ik besefte, al tijdens de beleving, dat ik hier bij de diepste basis gekomen was van het verdriet dat ik in het begin van hoofdstuk 7 al beschreef. Pas nu deze laatste ‘steen’ was opgepakt kon ik leren een volledige positieve verbinding met het leven te gaan maken. Ik herkende een aantal dingen: het gevoel van verstijving, zelfs mijn extreme afkeer voor vliegen… Ik zou het als een fantasie kunnen beschouwen op grond van mijn leven, met mythische trekjes: een verhaal dat de vervreemding symboliseert, hoe mensen niet in liefde ontvangen worden, maar op de vuilnishoop van deze wereld terechtkomen… Dat kan, maar tegelijk wist ik op dat moment dat het mij echt overkwam. Het vreemde van dergelijke regressie-momenten is, dat je op twee plaatsen tegelijk bent. In het nu en in het verleden. De heftige emoties komen uit het verleden. Dat maakt het ook draaglijk: toen was het te veel, of konden/mochten die emoties er niet zijn, nu kunnen ze in liefde door jouzelf ontvangen worden, en verwerkt. Na zo’n beleving, zeker als die zo ingrijpend is als deze, is er altijd iets veranderd. Het voelt lichter. Je bent weer een stapje dichter bij jezelf gekomen, je diepste zelf, waar de verbondenheid met God het grootst is.
Ik ben net geboren, ik ben prachtig, alles zit er op en eraan, tien vingertjes, tien teentjes, volmaakt, vol liefde. Niemand die het ziet. Ik word beetgepakt als een ding, een vies ding, en op de vuilnishoop gegooid. Ik ben zo verstijfd van schrik, dat ik niet kan huilen. Ik zie, met mijn ogen stijf dicht, mijn wanhopige moeder, helemaal alleen, bloedend en huilend, zo jong nog, zo vervreemd van zichzelf, on-wetend van de vreugde die dit had moeten zijn – hoe ze me had moeten oppakken, strelen, bewonderen, liefkozen, welkom heten. Maar nu lig ik hier. Er is verrotting, er zijn grote blauwzwarte vliegen, die me bedekken, in mijn oren, mijn neus, ze willen ook in mijn mond maar dat laat ik niet toe. Het gezoem… het gezoem is vreselijk. Komt mijn moeder nog wel eens stiekem kijken? Nee, ik ben alleen Dit is de wereld. Gelukkig ga ik dood. Een groep vrouwen komt me halen, ze wiegen me, beklagen me, maken me schoon – ik voel hun liefde, voel me thuis. Maar de schok, het verdriet blijft.
De toekomst van de ziel
Het einde van het verhaal is in dit verband ook belangrijk. Ik beleefde hoe ik na mijn dood opgehaald werd. Het was een heel liefderijke ervaring, in groot contrast met het gebeuren daarvóór. Ik was blij dat ik weer ‘thuis’ was. Het is, in al mijn regressie-ervaringen, niet zo vaak voorgekomen dat ik iets van deze tussenperiodes beleefde . Ik heb de indruk gekregen, dat het inderdaad om een ander niveau gaat, waarbij je anderen ontmoet die je ook weer helpen om verder te gaan. Alsof er een soort overleg is, waarbij afgesproken wordt wat je taak in het volgende leven zal zijn, wat je nog te leren hebt en welke omstandigheden daar het beste bij passen. Blijkbaar heeft het aardse niveau een uiterst belangrijke functie binnen onze ontwikkeling, waardoor wij telkens opnieuw terug gaan.
Ik geloof niet dat je in zo’n stadium alles weet, al zal het wel meer zijn dan nu. Ook daar zullen verschillende niveaus in zijn, naar de kennis en de mate van verbinding die je in je aardse leven hebt opgebouwd. Dat is ook een reden om ons serieus met dit onderwerp bezig te houden. We hebben niet alleen een geschiedenis, maar ook een toekomst. We maken actief deel uit van het Goddelijke plan, de groei van ieder mens tot hij of zij in staat is in totale verbondenheid te leven en zo één te worden met God.