Hoofdstuk 6 uit 'Contact met God'
door ds. Rini Rikkert

ONDERDEEL VAN DE WEBSITE WWW.RINIRIKKERT.NL (Terug)

Emoties
 
 
Scène 6

Het theaterbalkon is gigantisch uitgedijd tot een middeleeuwse kerkzaal van behoorlijke afmetingen. De kerk is nog leeg, maar de vijf zijn druk in de weer met voorbereidingen voor wat zo te zien een zeer bijzondere dienst gaat worden. Clara heeft de leiding. 

Clara: (klimt de preekstoel op en test de microfoon): jongens, nu is het dan eindelijk
          zo ver. Eindelijk de emoties eerbiedigd! Mees, wat is jouw bijdrage?
Mees: Ik doe de woede. Kijk, hier zijn de twaalf mattenkloppers  en de kussens
         gebruiken we wel uit de kerkenraadsbanken. Ik stel voor dat we dit onderdeel
         pal onder de preekstoel uitvoeren, dan komt het geluid het beste tot zijn recht.
Jos:  (komt naar voren lopen) Ik ben van de angst. Daar hoeft niemand voor van 
        z’n plek. Ik deel maskers uit, waar iedereen zich achter kan verbergen.
Jaap:  (blijft bij de verste muur staan) Hier het verdriet! Ik nodig iedereen uit tegen
         een muur aan te lopen, hier is de EHBO-doos en een voorraad zakdoeken.
Hala:  ja, de vreugde is natuurlijk mijn afdeling. Ik zorg ervoor dat alle onderdelen
         in de vorm van een dans worden uitgevoerd. Al die dansen komen samen in
       een feestelijk slot: een polonaise waarbij we swingend buiten in de zon eindigen.
Clara: (ietwat zorgelijk) heeft er niemand een aardig gedichtje? 
 


 

Johannes 16: 20b / 21
Je zult bedroefd zijn, maar je verdriet zal in vreugde veranderen. Ook een vrouw die baart heeft het zwaar als haar tijd gekomen is, maar wanneer haar kind geboren is, herinnert ze zich de pijn niet meer, omdat ze blij is dat er een mens ter wereld is gekomen.

Emoties en relaties

In elke menselijke relatie die iets voorstelt krijg je met gevoelens en emoties te maken, je voelt je op zijn minst betrokken. Aan de mate waarin een relatie je emotioneel raakt kan je aflezen hoe belangrijk die ander, of het andere, voor je is. In het contact met God kunnen ze dus ook een belangrijke rol spelen. De bijbel staat er bol van, menselijke maar ook Goddelijke emoties. God kan daar blij zijn, woedend, treurig. Een bange God ben ik, voor zover ik weet, niet tegengekomen, misschien omdat angst en liefde elkaar uitsluiten? Menselijke emoties zijn er ook, ze worden bijvoorbeeld volop beschreven in de psalmen. Dit is een stukje uit psalm 77:

Luid roep ik God, ik schreeuw het uit,
luid roep ik God – dat hij mij hoort.
Op de dag van mijn nood zoek ik de Eeuwige,
bij nacht hef ik mijn handen, rusteloos,
mijn ziel laat zich niet troosten.
Ik denk aan God en moet zuchten,
mijn gedachten vermoeien mijn geest.

Eerbied en emotie

Je zou verwachten dat in de kerk en in de theologie emoties daarom vaak aan bod komen, maar dat is niet zo, tenminste niet direct. Er is een heel mooi woord voor de manier waarop je geacht wordt met God om te gaan: eerbiedig. Eer bieden. Daar zit iets van bewondering in, aandacht voor God, iets te bieden hebben, iets willen geven. Maar als ik vroeger te horen kreeg ‘wees eens een beetje eerbiedig’ bedoelden mijn ouders heel iets anders. Het betekende dat ik muisstil moest zijn, niet bewegen, niets zeggen. Het betekende saai en serieus zijn. Een ernstig gezicht erbij trekken. Zeker niet lachen of huilen of schelden. Zo’n beetje de houding van een goed getrainde Engelse butler. Ik vrees dat de meeste mensen in de kerk zo opgevoed zijn. Alsof we geen eer zouden kunnen bieden juist door onszelf er helemaal in te gooien! Lachend en zingend en soms zelfs huilend of scheldend! Het zou aantonen dat de relatie met God belangrijk voor ons is, zo belangrijk dat we ons erdoor laten raken. Gelukkig gebeurt dat ondanks alles nog steeds, door woorden uit een preek, de muziek, een gebed. Het komt nu regelmatig voor dat iemand die rouwt zich bij mij verontschuldigt dat ze voorlopig niet naar de zondagse kerkdienst komt omdat ze dan wel eens zou kunnen gaan huilen… Dát is pas treurig. Toch begrijp ik zo’n reactie wel. We weten er geen raad mee, met onze emoties, of die van anderen, niet binnen en niet buiten de kerk.

Het emotionele taboe

De Christelijke kerk heeft het taboe op emoties van onze westerse cultuur overgenomen en er een aantal vrome verklaringen bij bedacht. Als een oude man na het overlijden van zijn vrouw lang heel verdrietig is, zegt hij: ‘ik mag niet treurig zijn, want ze is nu toch in de hemel’… Als een kind bang is in het donker, zeggen de ouders: ‘je hoeft nergens bang voor te zijn, God is altijd bij je’. Een vrouw die woedend is omdat haar man een vriendin heeft, zegt: ‘ik moet het hem vergeven, hij zegt dat hij er spijt van heeft’… Zijn deze mensen niet gelovig, dan mogen ze nog steeds niet emotioneel zijn. De oude man zou zeggen: ‘ik mag niet treurig zijn want we hebben het toch heel lang goed gehad, samen’; de ouders zeggen: ‘er is niets om bang voor te zijn, weet je wat: we laten wel een lichtje op de gang branden’; de vrouw: ‘ik moet me beheersen voor de kinderen’… er is altijd wel een redelijke verklaring te vinden om niet toe te hoeven geven dat je bang bent voor gevoelens.

Ondertussen liggen de ingeslikte emoties als een steen op je maag, of je neemt ze als een zware last op je schouders, of ze gaan je aan je hart, of ze benemen je de adem, of ze jagen het bloed naar je hoofd, of ze pijnigen je hersens, of je spieren spannen zich, of … ze blijven ERGENS. Je krijgt pijn in je buik, je rug of je nek, hartklachten, ademnood, hoge bloeddruk, hoofdpijn, spanning: hele waslijsten van lichamelijke klachten zijn terug te brengen op ingeslikte emoties van jaren en jaren. Dat betekent absoluut niet dat die kwalen daarom niet ‘echt’ zouden zijn, was het maar waar. Je bent een geheel, je lichaam, je geest, je emoties. Een ziekte is dus nooit alleen ‘lichamelijk’ of alleen ‘psychisch’. Alles beïnvloedt elkaar.

Emotie is energie

Emotie is een soort innerlijke energie. Word maar eens flink boos, je voelt meteen de energie door je heen stromen! Als je die boosheid dan meteen onderdrukt, is die energie daarmee niet verdwenen. Je hebt weer andere energie nodig, om de boze energie ergens in jezelf op te sluiten, alsof je allemaal overvolle gevangeniscellen hebt van binnen, met deuren die elk moment open kunnen waaien: je moet er met je hele gewicht tegenaan drukken om ze gesloten te houden. Geen wonder dat veel mensen zo klagen over chronische vermoeidheid. Doodmoe word je ervan. Omdat je het al zo lang doet, heb je geen idee meer wat zich achter al die deuren bevindt, daarom word je er ook steeds banger voor en wordt het steeds moeilijker om zo’n deur maar eens gewoon open te zetten en te kijken wat er van komt. Riet Okken doet dat in haar ‘Lichtpuntwerk’.

In de opleiding die ik bij haar volgde, ontdekte ik dat het uiten van emoties vooral opluchting geeft. En energie. En inzicht. Zij leerde me om via een simpele ademmethode die opgekropte emoties één voor één naar boven te laten komen, ze liefdevol te ontvangen en ze te uiten. Het is luidruchtig werk, er wordt veel bij gehuild, geschreeuwd, gebibberd. De eerste tijd vond de Engelse butler in mij het allemaal heel eng en ook raar. Stel je niet zo aan zeg!  Stel je voor: een kussen op de grond, ikzelf met een stevige mattenklopper ervoor, en dan flink slaan en schelden op dat oudere broertje van mij, dat me zo verschrikkelijk kon pesten! Ineens ben ik weer vijf of zes jaar, en huil van frustratie. Ik  voel weer precies wat ik toen voelde, alleen kon ik het toen niet uiten, ik was te bang voor hem. Ik was het ook allemaal allang weer vergeten, maar ineens begrijp ik ook waarom ik nog altijd dichtklap als iemand hatelijk tegen me is, of de spot met me drijft. Dat komt omdat ik mezelf toen geleerd heb om me dan machteloos te voelen en de woede daarover in te slikken. Prachtig! Weer een deur die niet meer dicht geduwd hoeft te worden! Dat geeft niet alleen nieuwe energie, maar ook nieuwe inzichten: Voortaan kan het anders!

Contact met je emoties

Het heeft allemaal te maken met contact. Door al die emoties die niet geuit, niet gezien, niet gekend worden verlies je het contact met een heel belangrijk deel van jezelf, je emotionele deel. Ik benoemde dat eerder als ‘het kind in jezelf’ maar het is breder dan dat. Als je niet meer kan treuren, kan je ook niet meer blij zijn. Als je niet meer boos kan worden, herken je ook je eigen angst niet meer. Je bent ongelukkig, maar je weet niet eens waarom. Je wilt een liefdevolle relatie, en het lukt maar niet. Alle innerlijke deuren die je ooit dicht deed, sluiten tegelijk de toegang af tot emotioneel contact met anderen, met God.

Het zijn je emoties die het leven de moeite waard maken. Ik hoor vaak mensen, die een zware tijd achter de rug hebben, zeggen dat het moeilijk was, maar dat ze achteraf ook terugkijken op een mooie intensieve periode, waarin ze het gevoel hadden écht te leven. Het is niet voor niets dat mensen in moeilijke tijden ook meer bezig zijn met God: je staat dichter bij je gevoelens en emoties, en dus is er een dieper contact mogelijk. Doe je juist dan je uiterste best om ‘flink’ te blijven, je gevoelens te onderdrukken, dan wordt het extra beroerd. Je maakt geen contact met je emotionele deel, je laat jezelf in de steek, zonder het te weten. Het voelt alsof alle anderen, en God erbij, jóu in de steek laten.
 
 
Droom: ik zie een akelig hel verlichte witte ruimte, het lijkt een soort kunststof kom zonder deuren of ramen. In het midden zit een eenzame blote baby die hartstochtelijk huilt.

Het beeld van deze droom en het afgrijzen wat ik erbij voelde zal me altijd bij blijven. Jawel, ik wist wel dat ik ongelukkig en eenzaam was, maar zó erg was het toch niet? Ik had een aardige man, twee prachtige dochters, een mooi huis, geen geldzorgen; ik moest gewoon niet zo zeuren. Blij zijn met wat ik had. Maar de droom sprak andere taal. Er was iets fundamenteel fout. Die baby, dat was ik zelf. Om mij heen was het leeg, geen contact, alleen maar die gladde kale afgesloten ruimte waar ik niet uit kon en niemand anders in kon komen. Een variant op deze droom was de baby die door mij vergeten werd. Er kwam een moment in de droom dat ik ineens vol schrik bedacht dat mijn kind al dagen geen eten had gehad: zou ze nog leven? 

Misschien heb jij je eigen variant op de droom, waarin je eigen onbewuste je waarschuwt dat je een belangrijk deel van jezelf uit het oog bent verloren en het tijd wordt om er contact mee te zoeken. Achtervolgingsdromen. Baby-dromen. Dromen over een – jouw – huis. Dromen zijn vaak boodschappen, belangrijke boodschappen die je dagelijkse ‘ik’ misschien niet graag wil horen, maar die jou wel weer uit een impasse kunnen halen.
 
 
 
Doe-tip: droomwerk

Als je zo’n droom van jezelf onthouden hebt (of misschien kan je vanavond gaan slapen met het voornemen om over je ‘onbekende zelf’ te dromen en het te onthouden: schrijf het dan wel meteen op zodra je wakker wordt, meestal weet je het vijf minuten later écht niet meer) trek er dan zo’n twintig minuten voor uit om rustig te gaan liggen. Doe je ogen dicht en concentreer je op de droom. Is het bijvoorbeeld een baby-droom, wees dan de baby. Voel het, maak er geluid bij, laat de baby vertellen. Werd je in je droom achtervolgd, ga dan terug naar dat moment, maar draaf niet verder. Stop, draai je om. Als je het angstig vindt, helpt het misschien om jezelf eraan te herinneren dat alle spelers en alle voorwerpen in de droom uit jouw eigen onbewuste komen, je bent het allemaal zelf. Ga nu in deze ‘dagdroom’ de confrontatie aan met dat deel van jezelf waar je voor wegliep. Droomde je over jouw huis (mijn eerste droom in een hele serie huis-dromen was een iglo zonder ingang!) ga het dan verkennen. Bekijk het van buiten en van binnen. Laat elk detail praten (in dagdromen kan alles). Dit is een prachtige manier om meer over jezelf te weten te komen. Trap niet in de valkuil van het OORDEEL. Niets is ‘stom’ of ‘verkeerd’ of ‘slecht’. Het is gewoon jij. Jij bent een prima mens, je denkt toch niet dat God broddelwerk leverde, net op het moment dat jij geschapen werd?! Je mag er helemaal zijn, alles mag aan het licht komen. Juist waar dingen duister blijven… dáár gaat het fout. 

De vier basisemoties

Riet Okken onderscheidt in haar standaardwerk op dit terrein  vier basisemoties: vreugde, verdriet, angst en woede. Alle gevoelens die er verder zijn hebben ergens in deze vier hun basis.

Verdriet

Ik werd eens geroepen bij een oude weduwe, die de dag ervoor gehoord had dat haar enige zoon was overleden. De kamer zat vol mensen: familie, buren, allemaal behoorlijk in paniek. Ik werd al bij de deur opgevangen: kon ik misschien iets doen om de vrouw te kalmeren? Uit de bijbel lezen? Met haar bidden? Ze hadden al alles geprobeerd wat in hun vermogen lag, maar niets hielp. Zij zat in een stoel, luidkeels jammerend en huilend. Ze zat daar al 24 uur, wilde niets, geen pillen, niet naar bed, niet eten of praten, niet stil zijn. Het eindigde ermee, dat ik de anderen kalmeerde, door ervoor te pleiten om haar te laten rouwen zoals zij dat wilde. Ik bewonderde haar kracht, en zei dat ook. Er werd geknikt: ja, ze was een sterke vrouw. Daarom waren ze ook zo geschrokken: ze zagen dit als een teken van zwakte, ze was ‘gebroken’. Maar verdriet dat zo stroomt, breekt niet. Het wordt verwerkt, het krijgt een plaats. Nu kwam er voor andere mensen in de kamer ook ruimte om hun tranen te laten zien. De gespannen paniekerige stemming veranderde in een sfeer van emotionele verbondenheid, met elkaar verbonden in het verdriet. De oude vrouw hoefde het niet meer alleen te dragen. Ze kondigde aan dat ze nu wel iets wilde eten. En nee, die kalmeringspil wilde ze nog steeds niet.

Opgekropt verdriet

Wie depressief is, of zich eigenlijk altijd vaag ongelukkig voelt, altijd moe is, of iets heeft van ‘ik ben ook altijd de dupe, alles wat ik doe loopt verkeerd af’ die heeft waarschijnlijk in het verleden heel veel verdriet ingeslikt. Dat hoeft niet te betekenen dat er grote rampen hebben plaatsgevonden, het kan zijn dat je mogelijkheden in je had die niet gerealiseerd konden worden, dat er te weinig liefde in je leven was, het kan van alles zijn. Zolang dat verdriet in jou gevangen blijft zitten, raak je die lichamelijke klachten nooit helemaal kwijt, wat je ook probeert. Het enige wat helpt is huilen. Niet alleen een onverwacht traantje bij ‘Opsporing verzocht’ of wat gesnotter bij een droevige film, of huilen omdat je getroffen wordt door het verdriet van anderen: op die afstand zit daar altijd mede een verdriet van jezelf achter. Al huilend kan je te weten komen wat de oorzaak daarvan is. Misschien kan je er dan wat aan doen, misschien kan je bij een heel oud verdriet jezelf alleen nog maar liefdevol troosten, of, als je geluk hebt, die troost aan een ander vragen.
 
 
Een paar jaar geleden stierf onverwacht een oude dierbare vriend van mij. Ik was op dat moment toevallig bij hem op bezoek, we waren alleen. Het was een enorme schok, maar ik bleef merkwaardig nuchter, zette op een rijtje wat er gedaan moest worden, wie kon ik bellen, waar kan ik dat telefoonnummer vinden, ik werkte het keurig af. Daarna ging ik bij hem zitten. Ik huilde wat, praatte tegen hem, hield zijn hand vast, las zelfs zijn favoriete stuk uit de bijbel en nam afscheid. Toen anderen het van mij over namen, reed ik naar huis en vertelde het hele verhaal aan mijn partner die zich verbaasde over mijn kalmte. De dagen daarna kon ik me niet concentreren, mijn gedachten zwierven alle kanten uit en er kwam niets uit mijn handen. Ik sliep slecht, schrok iedere keer wakker. Het voelde leeg van binnen. Op een avond sloeg mijn partner zijn arm om me heen en gaf me een liefdevolle aai over mijn wang. ‘Heb je het er nog moeilijk mee?’ Toen brak er iets in mij los. Ik begon gierend te snikken en riep maar steeds ‘ik ben zo geschrokken’… Hij zei niets, bleef alleen maar bij me, met zijn arm om me heen. Ik gierde en schreeuwde en huilde maar door. Soms was ik ook kwaad: ‘hoe durft hij zomaar dood te gaan als ik bij hem ben’… niet zo logisch, maar dat maakte voor mijn woede niet uit. Na een uur was ik uitgeput. Ik ging naar bed en sliep die nacht als een roos. Daarna had ik nog steeds verdriet, maar dan van een rustige soort. Als het de kop opstak nam ik er de tijd voor, keek naar oude foto’s, haalde herinneringen op en huilde. Daarna voelde het altijd lichter, kon ik weer opgewekt en geconcentreerd aan het werk. Ik zal hem blijven missen. Onze vriendschap is nu een dierbare herinnering, zelfs – of misschien wel júist - dat laatste uur. 

Verdriet uiten?

Er is verschrikkelijk veel verdriet in deze wereld. Als dominee krijg ik daar vaak mee te maken. Het is een essentieel en mooi deel van mijn taak. Mooi omdat verdriet soms de openheid biedt waar ik het al eerder over had, openheid tot een dieper contact. Gedeelde smart is halve smart – dat is ook echt zo. Het gedeelde verdriet en de rituelen daaromheen binnen een kerkelijke gemeenschap zijn vaak hartverwarmend en helend. Als mensen hun verdriet (nog) niet kunnen of willen uiten, wordt het een stuk moeilijker. Zij verwachten hulp die ik eigenlijk niet wil bieden: hulp bij het inslikken van hun emoties. Daarmee ga ik misschien wel tegen de christelijke traditie in, maar zeker niet tegen de bijbelse traditie. In de bijbel had je klaagvrouwen: vrouwen die speciaal ingehuurd werden om luidkeels en met veel misbaar te rouwen bij een begrafenis. Als ik nu achter een stille stoet aanloop met zo’n stel dragers, oude mannen met uitgestreken gezichten in een sleets zwart pak naast de kist , denk ik er nog wel eens met heimwee aan terug. Jezus schaamt zich er niet voor om in tranen uit te barsten; het boek Job is één grote worsteling met een uitzinnig verdriet. Verdriet is in de bijbel niet iets om bang voor te zijn of om te verbergen. Het is een geaccepteerd onderdeel van het leven, net als de andere emoties.

Verdriet lijdzaam ondergaan

Dat verandert pas als in later tijd de denkbeelden van de Griekse en Romeinse wijsgeren hun weg vinden naar de christelijke leer. Zij hadden ontdekt dat emoties hun denken konden beïnvloeden, ja, zelfs beheersen, en daar wilden ze vanaf. Het denken was toch het allerhoogste? Er moest toch een mogelijkheid zijn om met dat superieure denken die lastige emoties onder controle te houden? Een ware wijsgeer liet zich niet van de wijs brengen door zoiets triviaals als verdriet, als lijden. Het ‘ideale’ emotieloze leven van bijvoorbeeld de Stoïcijnen was eigenlijk meer een soort on-leven: niets hopen, niets verwachten, altijd op safe spelen, nergens blij mee zijn, van niemand of niets houden, onaandoenlijk zijn. Veel theologen waren het van harte met ze eens, en zo werd het regel dat een ware gelovige zijn verdriet in ‘lijdzaamheid’ draagt en liefst zo kort mogelijk. In ‘lijdzaamheid’. Een woord dat éénmaal in de bijbel voorkomt, naar pas later bleek nog fout geïnterpreteerd ook. Het Griekse woord betekent ‘volharding’ – dat is heel wat anders. Het betekent juist dat je actief door de diepte van het verdriet en het lijden heen moet, niet dat je ‘lijdzaam’ en stil biddend moet gaan zitten wachten tot het over gaat. Met het eerste houd je contact met jezelf, met God, het brengt je uiteindelijk persoonlijke groei, meer wijsheid. Het laatste heeft ons een menigte wegslikkende zombies opgeleverd.

Verdriet – omdat het moet?

In de kleine zeer traditionele kerk (de Gereformeerde Gemeente) waar ik ooit gedoopt ben, bestaat een andere kijk op verdriet en ellende. Ook daar word je opgeroepen om bij jezelf naar binnen te kijken, ook daar kan een emotie als verdriet de eerste stap zijn naar een dieper contact met God. Maar het verdriet krijgt daar een heel andere lading omdat het gekoppeld wordt aan je zonden en aan berouw. Als een klein kind dat huilt, niet omdat het pijn heeft en getroost wil worden, maar omdat het zo dom was om te struikelen en daar zo’n spijt van heeft. Het valt niet meer terug te draaien, je staat als verdrietige zondaar volkomen machteloos.
 
 
1955
Ik ben ongeveer vier jaar, en mag op zondag met mijn vader en moeder en broertje mee naar de kerk. Het is heel ver lopen, ik ben trots dat ik al zo groot ben dat ik dit kan, opgewonden over wat er gaat gebeuren. Als we de kerk binnenkomen word ik stil. Iedereen heeft donkere kleren aan en kijkt somber. Ik mag niet van mijn plaats, niets zeggen, alleen luisteren. Ik krimp in elkaar van de sfeer die daar heerst. Er is een man die met een donderend stemgeluid vertelt dat ‘wij’ slecht zijn – en hij huilt erbij, want hij houdt zoveel van ons… en wij moeten ons ‘bekeren’…. maar ik weet écht niet wat ik dan moet dóen – ik doe altijd al zo mijn best om lief te zijn - ik voel me niet ‘slecht’!  Dat is vast óók al slecht! En al die mensen, mijn ouders, mijn familie, de mensen in die kerk – geven de dominee gelijk! Hoe kan dat nou? In mijn ervaring was God mijn vriend – en zij zijn allemaal zo…niet-vrolijk! 

Ik kan nog steeds van binnen die rare kluwen van eenzaamheid, verwarring, woede – maar vooral VERDRIET voelen. Wat hebben ze toen met me gedaan. Hun duisternis tastte alles en iedereen aan, als kanker. Ik zag het om me heen gebeuren, en kon er niets aan doen, ik was machteloos. Ik vermoed dat ik na zo’n dienst de paljas uit ging hangen, om die vreselijke gevoelens weer kwijt te raken en mijn ouders weer op te vrolijken – en ook uit rebellie: zie je wel, het is jullie niet gelukt. Maar het lukte ze wel: ik kon voortaan nog wel vrolijk DOEN, maar steeds minder vrolijk ZIJN.

Dit verdriet wordt beschouwd als een eerste stap op weg naar bekering: nu is het blijkbaar goed tot je doorgedrongen dat je God nodig hebt om jou je zonden te vergeven. Dat neemt het verdriet niet weg: je blijft een zondig mens in een zondige wereld (we leven in een ‘tranendal’) maar er zal ook dankbaarheid zijn. De bange vraag is alleen of dat ooit wel zal gebeuren, dat hangt helemaal van God af. Er zijn ontroerende verhalen van mensen die in hun diepste verdriet God ontmoetten, en dat als een verlossing beleefden. Dat versterkt dan weer de overtuiging dat dit de goede weg is. Zelf beschreef ik aan het begin van dit boek een dergelijke ervaring in mijn jeugd; toen interpreteerde ik het ook als een ‘vergeving van zonden’. Later ontdekte ik pas dat er ook heel andere interpretaties mogelijk zijn. Die oude opvatting leidt er vaak toe dat mensen hun leven lang ongelukkig bang en treurig blijven wachten op een ‘bekering’ een duidelijk teken van God. Komt dat niet, dan zijn ze voor eeuwig verloren. Je staat zelf machteloos, ‘hulpeloos maar schuldig’ . Dat besef is zo gruwelijk, dat er eigenlijk niet mee te leven valt. Je móet wel leren om afstand te nemen van je gevoelens, bijvoorbeeld door je energie te steken in het naleven van talloze ge- en verboden of vrijwilligerswerk in de kerk. Uiteindelijk is het contact met God niet gemakkelijker, maar moeilijker geworden. Verdriet mag niet verdonkeremaand worden, maar het moet zeker ook niet verheerlijkt!

Angst

In de Christelijke kerken zijn er ruwweg twee wegen naar God te onderscheiden: de weg van de vreugde en de weg van de angst. De laatste weg is vooral verbonden met de kerken waar ook het verdriet zo’n grote rol speelt. Verdriet en angst zijn allebei emoties van een slachtoffer, iemand die zelf niet in staat is om iets aan zijn lot te veranderen. Hoewel de bijbel juist de rol van God als liefhebbende vader benadrukt, is het niet zo moeilijk om ook andere teksten te vinden, waarin een boze God naar believen straf uitdeelt, veeleisend en gevaarlijk is. Daar komen dan de levenservaringen bij, waarin zomaar de ergste dingen kunnen gebeuren, waardoor mensen zich klein en machteloos voelen. Als God op zo’n manier te werk gaat, kan je maar beter gehoorzamen aan de regels, ervoor zorgen dat je Zijn Toorn niet over je afroept, dan ben je zéker verloren, nu heb je nog een kans.

Die ondertoon van angst leidt tot gedrag waar kerkgangers van het andere soort vaak met bewondering en wat jaloers naar kijken. Tweemaal per zondag volle kerken met veel jongeren. Een sterk ontwikkeld plichtsbesef. Een groot saamhorigheidsgevoel. Keurige, hardwerkende mensen die veel aandacht besteden aan hun geloof.  Dat geloof kent geen vraagtekens, het is de Waarheid. Het lijkt zo, alsof de angst een prima basis is, maar er zijn ook wat nadelen. Allereerst wordt ook hier de emotie angst ontkend. Men spreekt liever over ‘de vreze des Heren’ – en waardeert het als een vorm van eerbied. Jezelf naar beneden halen, niets-zijn voor God, het lijkt te helpen tegen de angst omdat je jezelf helemaal in het geloof kan verliezen. (Er zijn mensen die zichzelf verliezen in een relatie, of in een politieke partij, of een groep: dat heeft hetzelfde effect). Daarmee verlies je het contact met je eigen ziel, en dus met je angst. Maar die is daarmee niet weg! De emotie gaat ondergronds verder en bepaalt niet alleen het geloofsgedrag, maar ook de rest van het leven. Je blijft altijd vechten tegen gevoelens van minderwaardigheid, onzekerheid, treurigheid. Met wat liefde naar jezelf kijken is onmogelijk, liefde voor anderen verandert gemakkelijk in plichtsbesef: het is een opdracht, geen keuze. Liefde voor God… hoe krijg je dat voor elkaar, als je tegelijk zo bang bent voor diezelfde God? Het leven wordt een zware klus, een slavenbestaan.
 
Mijn vader beschreef eens hoe hij als jongen van veertien op weg gestuurd werd naar de andere kant van Amsterdam met een veel te zwaar beladen groentekar. Hij deed zijn uiterste best, maar kon in zijn magere eentje onmogelijk de hoge Amsterdamse bruggen nemen. Huilend zat hij naast de kar: hij durfde ook niet terug. Voorbijgangers waarschuwden de politie. Een medelijdende agent bracht hem met kar en al naar zijn baas – die hem prompt ontsloeg. Het verhaal maakte diepe indruk op me, omdat ik zag hoe hij altijd bezig is gebleven om zijn leven als een te zware kar de brug op te duwen – het is hem nooit echt gelukt.

Ik had trouwens een opa die ik alleen ken van de verhalen, ook lid van diezelfde kerk. Hij was een blijmoedige man, die zich nooit bang heeft laten maken. Hij wist wel beter: zijn contact met God was krachtig en liefdevol. Hij is jong gestorven, maar zelfs toen kende hij geen angst. Hij liet een briefje achter voor zijn vrouw en kinderen: ‘Als ik dood ben, treur dan niet om mij: dan zal ik eeuwig zingen en juichen voor Gods troon’. Mijn moeder bewaart dat briefje nog steeds zuinig.

Vaak wordt gezegd dat de oorsprong van al onze angsten de angst voor de dood is. Zelfs dat we een God verzonnen hebben, om met die angst voor de dood om te kunnen gaan. Wat hier ook van waar is, angst kennen we allemaal. Voor de dood, voor het onbekende, voor het noodlot. Angst staat aan het begin van elk  vijanddenken: ‘ik ben bang. Daar moet een reden voor zijn, ik ga de oorzaak natuurlijk niet bij mezelf zoeken. Dus ik ben bang voor jou dús zal je me wel kwaad willen doen dús ben je mijn vijand dús moet ik me verdedigen. Ziezo, weg angst, nu kan ik boos en verontwaardigd in actie komen’. Ik stel het natuurlijk allemaal te simpel voor, maar in principe klopt het wel. Ook hier geldt weer, dat liefdevol contact maken met je angst de enige echte oplossing is. Pas als je je eigen angsten leert kennen en begrijpen, wordt het mogelijk om in vrijheid te leven.
 
 
Ik heb drie maanden studieverlof, en ga met een koffer vol boeken en een laptop naar een appartement op Tenerife, in een klein dorpje aan zee. Voor het eerst leef ik alleen, ik spreek geen Spaans. Er is gelukkig een klein winkeltje, tenminste: ik dénk dat het een winkeltje is. De eerste morgen zie ik er tegenop om een boodschap te gaan doen. Hoe laat gaan ze open? Als ze me nu niet begrijpen? Ik draal en voel mijn stemming dalen, tot ik in de gaten krijg dat ik bang ben. Ik lach stralend naar mezelf in de spiegel en zeg: ‘kom maar, klein bang meisje, ga maar met me mee, ze gaan je echt niet opeten, ik zal goed voor je zorgen!’ Grinnikend stap ik de deur uit. Het wordt een leuke ontdekkingstocht.

Als er in de bijbel sprake is van contact met een engel, of met God, komt eigenlijk ook altijd de angst om de hoek kijken: de eerste woorden zijn meestal ‘wees niet bang’. Het is de schrik van het eerste moment, het vreemde, onbekende, gróte ervan. Dat wordt bedoeld met die ‘vrees voor God’. Wie genoeg moed heeft om in het contact met God die eerste schrik te overwinnen, zal ontdekken dat de angst daarmee totaal verdwenen is. Opgenomen in de liefde.

Woede
 
 
1961
Ik zit in de vierde klas van de lagere school (tegenwoordig heet dat groep 6 van de basisschool). Bij mij in de klas zit ene Bertje. Bertje is een etter. We hebben een hekel aan elkaar, misschien omdat we allebei de beste willen zijn in opstellen schrijven. Als het speelkwartier is trekt hij vaak gemeen hard aan mijn haren, of geeft me onverwacht een flinke schop. Ik probeer hem zoveel mogelijk te ontlopen. Op een dag loop ik samen met mijn vriendinnetje naar school, zij heeft haar kleine zusje bij zich. Dan duikt Bertje op, en begint het kleine zusje te treiteren. Als hij iets van haar afpakt en wegloopt, is voor mij de maat vol. Ineens ben ik razend. Ik schiet op hem af en begin tierend met handen en voeten op hem in te slaan. Eerst laat hij het verbijsterd over zich heen komen, maar als ik hem een bloedneus sla wordt hij giftig en begint terug te meppen. Ik voel het niet eens, ram hem steeds harder en raker. Even later vlucht hij scheldend weg. Ik kom tot bedaren. Sta helemaal verbaasd van mezelf, het doet wel pijn hier en daar, maar ik heb me nog nooit zo sterk gevoeld! Als ik anderen bewonderend hoor praten over de harde klappen en de bloedneus die ik heb uitgedeeld, krijg ik het een beetje benauwd. Straks gaat Bertje klagen bij de meester! Wacht, ik zal hem voor zijn. Met een serie tetterende vriendinnen achter me aan ga ik overdreven hinkend naar de meester, en vertel dat Bertje ons aanviel, en ik hem in een verdedigende actie per ongeluk een bloedneus geslagen heb. De meester begrijpt het volkomen, die vervelende Bertje ook. Hij vraagt bezorgd naar mijn kwetsuren en Bertje moet die dag nablijven. Ziezo. Mijn wraak is compleet. Hij heeft ons nooit meer gepest. 

Woede is misschien wel de meest ontkende emotie die er is. Het mag niet. Het is ordinair. Het is gevaarlijk. Het is onchristelijk. Maar hoe hard je ook roept, we worden allemaal woedend op z’n tijd. Als je leert omgaan met je woede in plaats van het te onderdrukken, dan heb je daarmee een enorme energie tot je beschikking, een energie die je kan helpen om onrecht een halt toe te roepen, om voor jezelf of voor anderen op te komen. Zulke woede is heilig! Het helpt om uit de slachtofferpositie te komen, en een vrij mens te worden.
 
 
Ik heb als kind absoluut niet geleerd om met woede om te gaan. Ik leerde om het weg te slikken, om me altijd ‘lief’ te gedragen. Dit is de enige vechtpartij in mijn leven geweest. Pas in het Lichtpuntwerk, met die gekke mattenklopper, ontdekte ik weer hoe woede voelde, hoeveel kracht dat gaf. En schrok ik van alle woede die er in mij opgeslagen lag. Het beheersen daarvan leverde me al jaren een pijnlijke spanning in mijn spieren op en, niet te vergeten, hoofdpijn. Veel hoofdpijn. Dat is nu allemaal voorbij. 

Het duurde alleen even, voor ik de woede los durfde laten. Ik zie dat ook bij anderen, vooral bij vrouwen: we zijn zo geconditioneerd op ‘lief zijn’, op ‘anderen geen pijn doen’, vaak hebben we ook nog te lijden gehad onder de woede van anderen zonder dat we ons konden verweren – we durven niet meer. Zelfs niet in een lege kamer met een kussen en een mattenklopper. Terwijl dat toch een prachtige methode is om je eigen woede opnieuw te ontdekken zonder er iemand kwaad mee te doen. Daarna ben je ineens in staat om met een rustige kracht die ‘iemand’ uit te leggen wat jou niet bevalt. Vaak blijkt die woede trouwens nog veel verder terug te gaan in de geschiedenis: ook dat is goed om te weten, anders blijf je je maar verbazen over het feit dat je je ineens zo op kan winden over een futiliteit.
 
 
In de kerkenraadsvergadering zit iemand die me snel kan irriteren. Op een keer is het weer raak. Ik doe mijn uiterste best om vriendelijk en zakelijk te blijven, maar als ik thuiskom ben ik hevig opgewonden en voel ik de hoofdpijn al opkomen. Vroeger zou dit een slapeloze nacht betekend hebben. Nu zet ik hem in mijn fantasie op het kussen, en ga mattenklopperen. Ik voel de woede omhoog komen, roep wat er bij me opkomt; dat is niet veel fraais. Na een paar minuten verdwijnt het kerkenraadslid uit beeld en doemt mijn vader op. Jawel, die was ook altijd zo verschrikkelijk eigenwijs! Mij serieus nemen? Ho maar! Ik mep heftig door, en voel me weer klein kind. Maar op hem mocht ik nooit boos worden vroeger… Nadat ik die oude opgekropte woede eruit geklopt heb, schiet ik in de lach: die eigenwijzigheid heb ik wel van hem geërfd, vrees ik. De woede is verdwenen, de spanning en de hoofdpijn ook. Tijd voor een gezellig glaasje wijn. En dat kerkenraadslid had toch eigenlijk wel een ietsepietsie gelijk.

Ook voor het contact met God is juist de woede heel belangrijk. Niet de onduidelijke, onbeheersbare woede die zomaar op iemand botgevierd wordt, maar de woede die opkomt als jou of een ander onrecht wordt aangedaan. God is niet voor niets zo vaak kwaad in de bijbel: die woede stoelt altijd op onrecht, op een gebrek aan liefde en respect. Wie op die momenten woede voelt opkomen en die meteen weer onderdrukt, die verliest daarmee aan kracht en houdt het onrecht in stand. Zo’n vorm van ‘heilige’ woede is de motor achter gevechten tegen maatschappelijk onrecht, of opkomen voor jezelf, je eigen grenzen bepalen, laten zien wie je bent. Woede vertelt ons wat er mis is. Woede die omslaat in geweld geeft blijk van onmacht.

Zolang je niet naar je eigen woede kijkt, lost het niets op. Geweld tegen anderen lost nooit iets op. Geweld tegen jezelf trouwens ook niet: jezelf kapot maken met alcohol of drugs of ladingen fout voedsel of welke subtielere manier je er ook voor bedenkt. Je kunt de energie van woede beter gebruiken om aan creatieve oplossingen te werken in situaties waar veranderingen nodig zijn. Zuivere woede kan heel veel goed doen, ook in relaties, maar als ze gecamoufleerd en indirect is, heeft ze juist het tegenovergestelde effect.

Als je precies weet waarom je boos bent weet je waar je staat, begrijp je wat er gebeurt en weet je hoe je daar emotioneel mee kunt omgaan. Slik je de woede jarenlang in, dan kan het via een omweg weer tevoorschijn komen als haat, minachting, verbittering, wrok, wraakzucht, schuldgevoel, sarcasme, agressie, geïrriteerdheid, macht, trots, jaloezie, afgunst, zelfmoordneigingen, walging…meer weet ik even niet. Woede is de Geest die in je oplaait. Het is jouw aanwezigheid op aarde die erop staat zich te laten zien. Je kunt dat natuurlijk overdrijven, je kunt het op vele verkeerde manieren uiten en het met van alles en nog wat verwarren. Maar het blijft de kracht van je leven.

Vreugde

(een middeleeuws gedichtje)
ik kom, maar ik weet niet waarvandaan
ik ben, ik weet niet waar
ik sterf, ik weet niet wanneer
ik ga, ik weet niet waarheen
het verbaast me dat ik vrolijk ben.

Je zou zeggen dat déze emotie, de vreugde, dan tenminste niet onderdrukt wordt, we willen allemaal wel vrolijk zijn! Helaas, zo werkt het niet. Met het onderdrukken van de andere emoties verdwijnt ook deze ondergronds. Het is een kwestie van alles of niets. Het gedichtje verbaast zich er al over: omstandigheden en gedachten hebben eigenlijk weinig invloed op de vreugde. Wij hebben een enorme vermaaksindustrie opgebouwd, het houdt ons bezig, maar het is eerder een vlucht bij onze emoties vandaan dan dat het emotie oproept: vrolijk worden we er niet van, of misschien éven... Daarna ben je vooral moe. Toch blijven we maar rusteloos ‘leuke dingen doen’. We missen het, de vreugde. We zoeken het alleen op de verkeerde plaats: ergens buiten, in plaats van via het contact van binnen.
 
 
In de kerk waar ik werk organiseren we bijzondere vieringen, met als doel ‘contact met jezelf, de ander en God’. Deze vieringen liggen mij na aan het hart. Een aardige, belangstellende vrouw belt me en zegt: ‘ik wil graag komen, maar ik zal moeten kiezen: er is ook jaarmarkt in de stad, alle leuke dingen komen ook altijd allemaal tegelijk’. Na het telefoontje voel ik me treurig. Ik begin mijn twijfels te krijgen bij de plannen. Wat is er aan de hand? Het duurt even voor ik begrijp dat het me pijnlijk treft dat deze vrouw onze viering louter ziet als een vorm van amusement. Ik wil zo graag dat het méér is dan dat. Maar ik begrijp ook wel dat we niemand dat ‘contact’ in kunnen sleuren. We kunnen ons best doen om op allerlei (leuke!) manieren de mogelijkheid te bieden. Meer niet. 

Vreugde is in de hele bijbel een belangrijk begrip. Mensen verheugen zich over God, God verheugt zich over mensen. Een ‘vrolijk hart’ vormt de binnenkant, de religieuze feesten de buitenkant van de vreugde. Dat betekent niet dat mensen altijd gelukkig zijn. Het hele woord ‘geluk’ komt in de bijbel niet eens voor. In het bijbelboek Prediker spreekt een wat cynische oude man over de leegte van het leven, voor hem maakt alleen de vreugde alles nog de moeite waard:

Eet je brood met vreugde, drink met een vrolijk hart je wijn. God ziet alles wat je doet allang met welbehagen aan. Draag altijd vrolijke kleren, kies een feestelijke geur. Geniet van het leven met de vrouw (of de man) die je bemint. Geniet op alle dagen van je leven, die God je heeft gegeven. Het bestaan is leeg en vluchtig en je zwoegt en zwoegt onder de zon, dus geniet op elke dag. Het is het loon dat God je heeft gegeven.

De beroemde apostel Paulus geeft het, in een brief in de bijbel, als een soort bevel. ‘wees altijd verheugd’.  Voor hem staat dat gelijk met ‘leven als kind van God’, daarom zegt hij er ook meteen achteraan: ‘bid onophoudelijk’ oftewel: blijf in contact met God. In het Nieuwe Testament heeft dat alles te maken met Jezus Christus. Er is een besef doorgebroken, dat de moeite en de vervreemding en zelfs de dood niet het laatste woord hebben, er is een weg naar God geopend, dat is wel een feestje waard!

Vreugde in de kerk

Bij de paragraaf ‘angst’ onderscheidde ik ruwweg twee soorten Christelijk geloof: de ene gebaseerd op angst, de andere op de vreugde. In de meeste gevallen zal het ergens tussen deze twee uitersten in zitten. Maar er zijn genoeg kerken waar men de weg van de vreugde wil gaan! Er zijn talloze kerkmensen die contact met God zoeken om te groeien, spiritueel en dus ook emotioneel. Mensen met een open, nieuwsgierige houding. Symbolen en verhalen uit het eerste deel van de bijbel die aanspreken zijn de verlossing uit de slavernij van het volk Israël, hun tocht door de woestijn, hun binnentrekken in het beloofde land.  Het tweede deel is te lezen als één grote lofzang op de verbinding tussen God en mens. Het is een weg naar de vrijheid, waarin God met je meegaat, je aanmoedigt en op allerlei verschillende manieren helpt. Je doet het samen, maar je blijft zelf verantwoordelijk voor je keuzes. Het is een feestelijke weg, vanwege alle ontdekkingen die je doet, de ruimte die je verovert, de voldoening die je beleeft aan het gebruiken van je eigen kracht, de wijsheid die groeit in het contact met jezelf en anderen en God. Kortom, ik kan het je van harte aanbevelen. Ik kom de laatste tijd steeds meer mensen tegen, die op zoek zijn gegaan naar innerlijke groei en tot hun eigen verrassing op die weg ook God of Jezus tegenkwamen. De vreugde van dat contact maakt ze nieuwsgierig. Ze zijn meestal niet gelovig opgevoed, hebben geen idee hoe ze aan verdere informatie moeten komen. De kerk is zo ongeveer de laatste plaats waar ze gaan zoeken. Toch zouden ze daar misschien geestverwanten kunnen vinden. Veel kerken hebben tegenwoordig een website, waarop je kan zien of het type kerk je aanspreekt of niet. Kerkdiensten zijn altijd en overal vrij toegankelijk, dus waarom zou je niet eens een keertje gaan kijken?
 

TERUG NAAR DE WEBSITE www.rinirikkert.nl