www.RiniRikkert.nl 

N I E U W S

Boek bestellen


 

Start

Kennismaken

Gastenboek

Links

Columns 2010
Columns 2011a
Columns 2011b

Dominee:

Inleiding
Kerkdiensten-data
Persoonlijke  begeleiding
Lezingen

Activiteiten:
- Spirituele oefengroep
- meditatie voor jongeren
- meditatie-uren
- engelenworkshop
 

Schrijfster:

Inleiding
boek 'Contact met God'
Column-info

Uitgeverij Philomena
Informatie
recensies en artikelen

Uit: 'Contact met God'
(een korte paragraaf uit 
 alle 15 hoofdstukken en 
 2 hoofdstukken compleet)

TEKSTEN/PREKEN:
Kerk en geloof:
de bijbel: leesadvies
Wat  is waarheid?
Sterven, en dan?
Columns over liturgie

Preken 2010
Preken 2011
Preken 2012

Laatste preek

 

Columns 2010 (gepubliceerd in weekblad 'De Vonk' en op website 'Zinweb')

Eerste column (week 36)
Bij de trappisten (week 37)
Gezegend zijt Gij... (week 38)
Tranen bij de doop (week 39)
Roeping (week 42)
Boeren, diëten en boterletters (week 43)
Kind van God (week 45)
Een knuffel van God (week 46)
Verbonden met de schare (week 48)
Harry Potter (week 49)
Een kerstboom met kerst? (week 50)
Sjok sjok sjok (week 51)
Voorbij (week 52)


 
 
Eerste... (2010 / 36)

´Ga jíj een column schrijven?’ zegt mijn dochter fronsend, zoals alleen een dochter dat kan. ‘Elke week? Waarover dan?’ Mijn twee dochters zijn niet zo kerks, zij denken dat ik mijn saaie tijd doorbreng met theevisites en zo nu en dan een kerkdienst, ongeveer zoals die brave dominee uit ´7th heaven´. In werkelijkheid is het een druk, afwisselend, boeiend bestaan. Behalve deze zomer, toen had ik drie maanden studieverlof. Regelmatig vroeg iemand: ‘En, hoe bevalt je vakantie?´ Leg het verschil maar eens uit! Een stapel boeken lezen in een zonnige tuin lijkt er verdacht veel op… Het studieonderwerp was ´meditatie´. Ik mediteer al zo´n 30 jaar, maar ach, ik deed altijd maar wat. De bedoeling was helder: contact maken en ontdekken wat God van mij wil, in plaats van steeds maar praten tegen Hem (of Haar, want ik zat toen in mijn feministische periode). Dagelijks een half uur stil luisteren naar God. Eén van de beste ideeën die ik ooit gehad heb. Want het werkte. Al duurde het even voor ik mezelf een beetje stil kreeg. Met de nadruk op een béétje. Dus vertel mij niet dat ‘God nooit iets zegt’, dat is niet zo. Maar het gaat subtiel, op allerlei onverwachte manieren. En ik hoor het maar half of ik klep er doorheen, maar  troost mezelf met de gedachte dat dát voor ieder mens geldt. Niemand op deze aarde kan ooit precies weten wat God wil, en dat hoeft ook niet. Je mag ernaar zoeken en daarvan genieten…


 
 
 
Bij de trappisten...

‘Mooie website heb je’. Helemaal vereerd kijk ik de gastenzuster van abdij Koningsoord aan. Ik kom vier dagen hier in Arnhem logeren, en vind het allemaal nog vreemd en spannend. Ze heeft zelfs de moeite genomen om mij, vreemde nieuwe protestantse gast, via internet te leren kennen?! Geef me een complimentje over mijn zelfgebouwde website, en we zijn voor altijd vrienden. Ze is heel jong, open en hartelijk. Het grote nieuwe gebouw ligt prachtig midden in het bos, het is hier goed toeven. Ik houd van de vieringen, dagelijks zevenmaal, te beginnen om half vijf ’s morgens. Het gezang gaat als een stroom van klank en gebed met je mee door de dag. Ze zingen vooral psalmen. Anders dan ik gewend ben, onberijmd. Er zijn nog meer verschillen, maar we delen het belangrijkste: een leven in toewijding aan God. Bij hen is de kring wat uitgebreider: Maria, de heiligen.‘Geen heiligen? Maar dan mis je ook al die feestdagen!’ roept de zuster. Helaas. ‘Maar waarom dan niet?’ Ik vertel van Luther en Calvijn, die alles wegsnoeiden tot alleen Jezus overbleef. De gevolgen hebben ze misschien niet helemaal overzien: zonder heiligen dachten we steeds minder goed over onszelf. En er bleef alleen een mannelijke God over. Het lieve, vrouwelijke deel van God, waar katholieken de naam Maria aan gegeven hebben, raakte bij ons op de achtergrond. God werd strenger, onbereikbaarder. Diezelfde strengheid die verordonneert dat mensen nooit heiligen zouden kunnen zijn. Maar sommigen komen toch een heel end.  Ik ben het niet, zoveel is zeker. ’s Avonds, na het laatste Marialied, drinkt de dominee tevreden haar trappistenbiertje. 

 
 
Gezegend zijt Gij…

‘Gezegend zijt Gij, God…’ zo begint het duizenden jaren oude joodse ‘Amida’-gebed, vertelt rabbi Aryeh Kaplan in zijn boek over meditatie. Dat klinkt me een beetje gek in de oren, wij zijn meer gewend God om een zegen te vrágen. Maar Kaplan geeft een mooie verklaring: ‘Als wij zeggen dat God ‘gezegend’ is, verklaren we dat Zijn aanwezigheid de bron is van alle zegen. Het houdt dus een opdracht in om ons ervan bewust te worden dat God erg dichtbij is en dat de lucht om ons heen van Hem doordrongen is.’ Hij geeft ook een leuke gebedssuggestie: ga een wandeling maken, benoem alles wat je ziet, en geef God de eer: ‘gezegend zijt Gij God, schepper van die prachtige wolkenlucht’, ‘Gezegend zijt Gij God, schepper van de wind die het riet zo mooi laat bewegen’, en ga zo maar door. Ik ga onmiddellijk op stap, en loop dwaas mompelend en lachend mijn molenrondje. Later, aan tafel met het gezin van mijn dochter, vertel ik over het experiment, en hoe ik op het laatst liep te huppelen van vreugde. Schoonzoon zíet het voor zich, en krijgt spontaan een hoestbui. Kleinzoon Timo (6) reageert weer anders: ‘Gezegend God, voor deze lekkere pindakaas’ roept hij, en neemt tevreden een flinke hap. ‘Zo hè, oma?’ Ik knik: hij heeft het helemaal begrepen. Ik kijk de tafel rond en denk: ‘Gezegend zijt Gij, God, schepper van mensen, voor deze liefhebbende familie, die me nemen zoals ik ben.´ Timo komt ondertussen op dreef  en trekt iedereen mee. ‘Gezegend God, voor…’ je kan er eindeloos mee doorgaan. En waarom ook niet? 
 

 
 
Tranen…

Vijf kleinkinderen heb ik. Iets mooiers bestaat er niet. Timo, de oudste van 6, stelde vorig jaar voor om samen te trouwen, later, als hij groot was. Een huis hadden we al: een kuil in het bos. Hij wilde nog wel vloerverwarming aanleggen, en een alarmsysteem. Ik stemde enthousiast toe, en vertelde van het touwtje uit de brievenbus, vroeger, en die éne kolenkachel. Timo en zijn zus Noa houden van die oude verhalen, en verbazen zich. ´Echt oma? Eén klein kacheltje? Geen auto? Geen computer? Zondags twee keer lopend naar de kerk?´ ´Dat is waar jij werkt hè’ zegt Noa. Ze vinden het leuk, bij mij in de kerk. Kijken met grote ogen naar hun oma in een toga op de preekstoel en knutselen enthousiast mee in de kinderkring. Zondag komen ze weer, want 3 oktober wordt hun kleine broertje gedoopt, samen met hun nichtje, en dat is groot feest in de Elthetokerk, met geweldige muziek: twee zangeressen zingen een lied van Trijntje Oosterhuis en van Paul de Leeuw. Zo’n doop, wat stelt het nu voor, een beetje water over een babyhoofd gieten ‘in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest’, en ondertussen staan de tranen in mijn ogen. Het is, zoals dat zo fraai heet, een ‘symbolische handeling’: er zit een wereld van betekenis achter, je ziet het er niet altijd aan af, maar hopelijk voelen we er allemaal iets van. Dat God van ieder kind houdt bijvoorbeeld, dat we bij elkaar horen, en zo kan ik nog wel even doorgaan. Maar dat doe ik zondag wel. Ik verheug me erop.
 

 
 
Roeping

Ooit gaf Jezus zelf vrouwen de opdracht om als eersten het evangelie te verkon-digen. Dan hebben we het over HET evangelie, het ‘goede nieuws’, namelijk het bericht dat Jezus de dood overwon en leeft. In alle vier evangelieverhalen wordt het verteld, en Lucas meldt nog dat de mannen het aanvankelijk maar ‘kletspraat’ vonden. Tja. Wie nam in die tijd vrouwen serieus. Des te vreemder, dat Jezus juist aan hen die opdracht geeft. Moderne bijbelonderzoekers hebben ont-dekt dat vrouwen in die beginperiode van de kerk gewoon meededen als leraars als ze zich daartoe geroepen voelden, tot grote schrik van sommige mannen zoals Paulus, die daar herhaaldelijk in zijn brieven over in discussie gaat. Volgens hem  moeten vrouwen zwijgen in de gemeente. Dat vond hij wel zo rustig. Al moest hij ook wel toegeven dat voor God man en vrouw gelijk zijn. Paulus had de cultuur mee: zijn tekst won het van het voorbeeld van Jezus zelf. Sindsdien mochten vrouwen eeuwenlang geen ambt bekleden in de kerk, en dat veranderde pas in de vorige eeuw, ook al gingen de meer behoudende kerken daar lang niet allemaal in mee. Dagblad Trouw rook dus een relletje, toen Abeltje Hoogenkamp, vrouw, in een Gereformeerde Bondskerk te Amsterdam bevestigd werd en de dominee sprak over haar ‘roeping’. Bondsvoorzitter Lam reageert in de krant: ‘Subjectief kan er sprake zijn van een roeping, objectief niet.’ Oftewel: ze verbeeldt zich maar wat, God roept echt geen vrouw’. U bent dus gewaarschuwd: als vrouw en dominee verkoop ik na 2000 jaar nog steeds kletspraat. Maar wacht eens even: wie vertelde toen ook alweer de waarheid? 
 

 
 
Boeren, diëten en boterletters

 ‘Wat heb jij ineens met boeren?’ vraagt een vriendin. We herinneren ons dat het vroeger bepaald geen compliment was, als je werd uitgemaakt voor ‘boer’. Tot de Boer een Vrouw ging Zoeken (denk jij ook nog steeds bij elke gerbera aan Hans?) en het een geuzennaam werd. Het mag weer. Leuk. Kaasboer, groenteboer… we sommen een heel rijtje op. ‘Krijgen ze allemaal een column?´ plaagt mijn vriendin. Ze is weer op dieet, dat doet wat met je humeur. Dus negeer ik het spottende toontje en roep enthousiast ‘goed idee’! Geen kwaad woord over mijn groenteboer, bondgenoot in de strijd tegen de overtollige kilo’s. Ooit las ik ergens dat je van voedsel, rechtstreeks van het land, niet dik wordt. Sindsdien stap ik onderweg naar het Makado eerst bij groentewinkel van Gelder tegenover het parkeerterrein naar binnen, het Luilekkerland voor de afslankende medemens, en sleep daar tassen vol heerlijk, altijd verantwoord eten weg. Voor verrassend weinig geld, ook dat nog. Met mijn twee onsjes van dit en twee onsjes van dat ben ik bepaald geen wereldklant, maar vriendelijk en blij stopt de groentevrouw (nee, groenteboerin, dat klinkt echt niet) die ene paprika of die paar worteltjes in een papieren zakje (papier! echt waar!) en krijg je als klant nog een gezellig praatje op de koop toe. Sinds ik daar kom hoef ik nooit meer op dieet. Zeg ik trots tegen mijn vriendin. Ik geloof het bijna zelf. Op dat moment gaat de bel. Of ik weer een boterletter wil, voor sinterklaas, een jaarlijkse actie georganiseerd door de christelijke korfbalclub Kinderdijk. Natuurlijk wil ik die! Lekker! Mijn vriendin knikt wijs. 
 

 
 
Kind van God

Met mijn twee oudste kleinkinderen Timo (6) en Noa (4) ben ik op weg naar de kerk. Dat is een eind lopen, dus alle tijd voor een uitgebreid gesprek. ‘Wat ga je in de kerk doen, oma?’ vraagt Noa. Timo weet het: over God vertellen. Ik zie mijn kans schoon, en vraag: ‘wat zal ik de mensen dan gaan vertellen over God?’ Noa weet meteen het antwoord: ‘dat we allemaal kinderen van God zijn’. Ze kijkt eens naar mijn grijze haren en zegt geruststellend: ‘Jij ook hoor, oma’. Ik ben verrast en ook een beetje ontroerd. Ze bouwt er meteen een prachtig verhaal omheen, hoe ze als kind van God eerst in de hemel woonde, en toen in mama´s buik kwam, en sindsdien ook een gewone papa heeft. ´Ja´, zegt grote broer Timo, en ik hoor al wat twijfel in zijn stem ´want God, die zie je nooit´. Daar ga ik maar even niet op in.´Wie heeft jou dat verteld Noa?’ vraag ik. ‘Dat heeft de piestor verteld’ zegt ze trots, ‘die kwam bij ons op school’. ‘Nee joh, de pástor’ zegt Timo. Piestor of pastor, zijn woorden hebben duidelijk indruk gemaakt. Ik herinner me meteen een reactie van een journalist, die boos werd om precies dezelfde uitspraak in mijn boek ‘Contact met God’. Hij was atheïst, en voelde zich niet serieus genomen. Terecht natuurlijk. Dus schreef ik in de tweede druk ‘volgens mij zijn we allemaal kinderen van God’. Atheïst, moslim, christen, mens, hoe je jezelf ook noemt: je bent nooit níet een kind van God. Noa zegt het, en mijn kleinkind heeft altijd gelijk. Gelukkig maar.
 

 
 
Een knuffel van God

´Weten jullie waarom we deze baby gaan dopen?’ De kerkdienst is in volle gang, het grote moment is bijna aangebroken en een heel stel kindertjes staan om me heen bij het doopvont. Dominees hebben wel eens de neiging om vragen te stellen aan kinderen waar ze allang zelf het antwoord op weten, en dat dan ‘een gesprekje met de kinderen’ te noemen. Gelukkig zegt niemand ‘dat weet je toch best zelf’, maar is er één die na diep nadenken roept: ‘omdat ze bij God hoort’. Een prachtig antwoord. Ik ben helemaal tevreden. Maar het gezicht van een jongetje naast mij betrekt. Hij trekt me aan mijn mouw: ‘ik ben niet gedoopt, hoor ik nu niet bij God’ zegt hij met een klein piepstemmetje. Ik reageer onmiddellijk: ‘natuurlijk wel, stel je voor!’ Later, bij het zingen, geef ik hem in een opwelling een kruisje met het doopwater op zijn voorhoofd, en een knipoog. Hij glimlacht van oor tot oor. Dat we allemaal ‘bij God horen’, kinderen van God zijn, dat staat voor mij buiten kijf. Dat hangt niet van een doop af. Maar de doop is wel een teken: je hoort erbij, bij God, en ook bij de mensen die in God en in dit teken geloven, de kerk. Je kunt het vergelijken met een vader en zijn kind die van elkaar houden. Dat weten ze allebei. Daar kan je het bij laten, maar soms wil je er iets van laten zien. Elkaar een knuffel geven bijvoorbeeld. Zo’n knuffel is dan een teken van liefde. De doop is ook zo’n teken, een indirecte knuffel van God. 
 

 
 
Verbonden met de schare…

´Alblasserdam? Waar ligt dat precies?’ vroegen mensen me, toen ik hier zo’n vijf jaar geleden naar toe trok. Tja, een werelddorp is het niet bepaald. Maar bijzonder zijn we wel! In het begin dacht ik echt dat in iedere straat een kerk stond. Dat bleek niet helemaal te kloppen: in sommige straten staan er zelfs twee. En er zijn er ook, die plek huren bij een andere kerk, of in een industriepand. Iedere zondagmorgen zie je Alblasserdam uitlopen: ik zit soms achterstevoren op de fiets om nog een laatste blik te kunnen werpen op een fantastische hoed of een paar plaatjes van kinderen in de laatste mode. Vroeger, heb ik me laten vertellen, zeiden die verschillende kerkstromen elkaar niet gedag op zondag. Niemand kon me uitleggen waarom. Mijn ervaring is, dat ik wel een vriendelijke groet terugkrijg. Ik groet, omdat ik me verbonden voel met die schare. We gaan meestal niet naar dezelfde kerk, maar we hebben wel hetzelfde doel: God eren. Is dat niet prachtig? Sommigen zijn daar wat tobberig over, en betwijfelen of we wel allemaal in dezelfde God geloven. Eerlijk gezegd vraag ik me dat ook wel eens af. Dan roep ik mezelf meteen tot de orde, want dat is natuurlijk een verkapt oordeel. Er is maar één God, tenminste, zo staat het in de bijbel. Die God is groot genoeg om vele verschillende visies in zich op te kunnen nemen. Het wordt wel eens vergeleken met een diamant, met talloze glinsterende vlakken. We kennen als simpel mens hooguit één zo’n vlakje. Niemand heeft de waarheid in pacht. Zelfs ik niet. Gelukkig maar.
 


 
 
 
Harry Potter

De nieuwe Harry Potter film al gezien? Ik werd uitgenodigd door mijn dochter, een echte fan, dus gingen we samen. Naar bioscoop Landvast, de mooiste bioscoop van Nederland. Zo’n tien jaar geleden leende ik van haar het eerste deel, en sloeg op een rustige vakantieochtend aan het lezen. Dat kan ik snel, en dat is maar goed ook, want het was al ruim na middernacht dat het boek werd dicht-klapt. Uit. Het was spannend, geestig, Joanne Rowling schept een heel eigen universum en neemt je daar moeiteloos in mee. Ergens bij deel 4 of 5 haakte ik af, het werd me te zwaarmoedig allemaal. Of misschien werd de strijd tussen goed en kwaad die ze beschrijft me ook wel wat te realistisch en gewelddadig. Van de film werd ik dus niet vrolijk, maar die is wel heel prachtig gemaakt. Ooit een mens in een slang zien veranderen? Oké, dat komt wel eens voor, maar in de film gebeurt het letterlijk! Harry is zoals altijd de sprookjesheld, die zich telkens weer opoffert om de kwade machten te bestrijden maar (tenminste, dat hoop ik) uiteindelijk toch wint. De laatste film zal het leren. Niet iedereen wil het weten: er zijn mensen die de boeken principieel afkeuren, niet vanwege enig geweld, maar vanwege de toverkunsten van Harry en zijn vrienden. Helemaal begrijpen doe ik dat niet. Tovenaars, heksen, feeën en kabouters hebben altijd tot de ver-beelding gesproken, onze sprookjes en kinderboeken staan er vol mee. Waarom mag je wèl van Hans en Grietje houden, maar niet van Harry Potter? Het is toch zo’n zachtmoedige brave jongen. Echt waar! 
 


 
 
 
 
Een kerstboom met kerst?

Vroeger had iedereen een kerstboom, behalve wij. Dat was ´heidens´ zei mijn vader. Ik was niet overtuigd. Wat een heiden was wist ik, dat was iemand die niet in God geloofde. Maar hoe kan een boom nu ‘heidens’ zijn? Verlangend keek ik overal naar binnen, en telde de bomen en de lichtjes. Elk jaar droomde ik weer dat we dan deze keer toch misschien… maar nee. Ze bleven onvermurwbaar. Dus stel je mijn opwinding voor, toen ik op mijn eenentwintigste, in mijn eigen huis, eindelijk mijn allereerste kerstboom neer kon zetten. De mooiste boom van de hele wereld. Misschien heeft zo’n boom weinig met God te maken, maar voor de menselijke ziel is het een weldaad in die donkere koude dagen. De lichtjes, het groen, gekke, glimmende en vrolijke versieringen. Elk jaar weer geniet ik er van. Meteen na Sinterklaas sta ik te popelen, en in januari neem ik met pijn in het hart afscheid. Tot de vorige kerst. Ineens was het over. Dat gesleep, met zo’n boom. Slecht voor het milieu. Ze ruiken niet eens meer naar den. Naalden overal. De kerstboomverlichting gaf na 37 jaar trouwe dienst de geest. Werd het niet eens tijd dat het kleine meisje in mij toegaf dat het zónder boom ook best een gezellige kerst kon zijn? En preek ik niet ieder jaar dat kerst toch vooral draait om dat kindje in de stal? Het werd een simpel kerststukje. Ook mooi. Maar nu, net na Sinterklaas, stapte ik bij Zijderveld binnen, en kocht zomaar een prachtige kunstkerstboom. Zielstevreden kijken het kind en ik elke dag naar de pinkelende lichtjes. 


 
 
 
 
Sjok sjok sjok…

´Sjok sjok sjok liep het ezeltje, helemaal naar Bethlehem´… mijn kleinkinderen zongen het uit volle borst, dit kerstliedje. Ik had het nog nooit gehoord, maar was onmiddellijk enthousiast. De ‘geest van Kerst’ in een notendop. We sjokken wat af, toch? Kleinzoon Timo somt alle schoolactiviteiten nog maar even op: kerstfeest, kerstontbijt, kerstmarkt… Zijn moeder zucht. Ik begrijp ineens beter waarom ze in deze vakantie altijd zo graag op reis wil. Sjok sjok sjok, weg van nog méér kerstfeesten, kerstkransen, kerstdiners. Nu is het voor mij tijd om te zuchten. Kunnen we alsjeblieft weer terug naar vroeger? Dat je op school hooguit wat kerstliedjes leerde, maar verder kerst vierde met kerst, in de kerk? En als het echt niet meer anders kan, kan ik je dan overhalen met de volgende oproep? Kom met kerst naar de kerk! Want wat is er mooier dan heel laat op kerstavond met z’n allen naar de kerk gaan, en daar samen naar de grote kerstboom kijken, nostalgische liedjes zingen en luisteren naar het oude verhaal?
Naar de kerstspecial van ‘All you need’ kijken? Toegegeven, dat is ook leuk. Maar een TV-programma kan je opnemen of later bekijken. Deze bijzondere kerkdiensten komen nooit meer terug. En het allermooiste is: in de kerk blijkt het, als het meezit, helemaal niet zo’n oud verhaal. Jezus kan nog steeds ieder moment geboren worden, op heel veel manieren. En o ja, kerstmorgen, kerstmorgen is ook heel speciaal. Vol verrassingen. Echt feest, voor jong en oud, zoals we dat zo mooi zeggen. Na die twee vieringen sjok je niet meer, dan huppel je naar huis. Gegarandeerd! 


 
 
 
Voorbij…

‘Prettige jaarwisseling’ roept de vrouw achter de kassa. ‘U ook’ lach ik terug, en vraag me af welke winkelier die rare kreet ooit heeft uitgevonden. Trouwens, waarom zo’n heisa. Een nieuw jaar, nou èn. ‘Voor mij mogen ze die hele decembermaand overslaan’ zuchtte een oude vrouw tegen me. Ze is al een paar jaar weduwe, maar mist haar man nog iedere dag. Ik kan met haar meevoelen. Die dagen rond oudjaar, het zijn dagen van terugkijken, van herinneringen, en juist de mooie herinneringen maken je weer even extra bewust van wat allemaal voorbij is. De eerste keer dat je op mocht blijven: eerst mee naar de kerk, waar je zo ongeveer kon leunen tegen de oliebollenlucht. Vrolijk meezingen met ‘uren dagen maanden jaren, vliegen als een schaduw heen’… wist je veel. Om twaalf uur  hadden we vanaf driehoog een prachtig uitzicht op het Amsterdamse vuurwerk. Ik had altijd series goede voornemens, kon bijna niet wachten tot het nieuwe jaar begon. De eerste keer in onze eigen flat, arm maar gelukkig: met onze gasten holden we met een brandend sterretje het gebouw rond en hadden meer bekijks dan de mooiste vuurpijl. De eerste keer dat de dochters wakker bleven: hun ongeduld en gevecht tegen de slaap. De eerste keer alleen: hoe ik een absoluut onverantwoorde fles champagne kocht en vrolijk danste op de top-tien, vastbesloten om er een mooi jaar van te maken. Dat is gelukt. Uiteindelijk dringt het ieder nieuwjaar op een bepaald moment wel weer tot me door: ik ben een gezegend mens. We zijn allemáál gezegende mensen. Een gezegende jaarwisseling dus maar!
 

  Naar vorige blz 'links'                                                 . Naar volgende blz columns eerste halfjaar 2011