De apostel Paulus had de gewoonte
om zijn brieven te beginnen met een groet: die groet is in veel kerken
overgenomen. De voorganger spreekt dan als het ware even namens God, en
heet de mensen welkom met de woorden ‘genade zij u en vrede, van God onze
vader en van Jezus Christus, door de Heilige Geest, amen’.
Soms gaat het ook, met weer wat andere woorden, in een
tweespraak: de voorganger zegt dan bijvoorbeeld ‘de Heer zal bij u zijn’
en de gemeente antwoordt ‘de Heer zal u bewaren’. Dat laatste is kort en
helder, maar toch kies ik liever voor die eerste vorm, misschien vooral
vanwege die eerste woorden. Wat extra vrede kunnen we altijd wel gebruiken,
en genade… ja, dat is wat moeilijker. Mensen die zelden of nooit naar de
kerk gaan, kennen dat woord amper meer en krijgen er hoogstens associaties
bij van een gevecht, waarbij de verliezer om genade kermt. Bijbelse genade
is niet iets waar je om hoeft te vragen, je kan het ook niet verdienen,
het is er gewoon. Je merkt het vanzelf, als je bewust met je geloof bezig
bent: dan zijn er van die ‘genademomenten’ waarop je je ineens heel gelukkig
en verbonden kan voelen, of een ander moment waarop je juist inziet dat
je fout zat, maar weet dat je tóch opnieuw kan beginnen. Het Griekse
woord voor genade,‘charis’ gaat in de richting van iets moois, iets vrolijks,
iets om dankbaar voor te zijn: een cadeau waar je niet op gerekend had,
zomaar, omdat de ander (God) van je houdt.
|