www.RiniRikkert.nl 

N I E U W S

Boek bestellen


 

Start

Kennismaken

Gastenboek

Links

Columns 2010
Columns 2011a
Columns 2011b

Dominee:

Inleiding
Kerkdiensten-data
Persoonlijke  begeleiding
Lezingen

Activiteiten:
- Spirituele oefengroep
- meditatie voor jongeren
- meditatie-uren
- engelenworkshop
 

Schrijfster:

Inleiding
boek 'Contact met God'
Column-info

Uitgeverij Philomena
Informatie
recensies en artikelen

Uit: 'Contact met God'
(een korte paragraaf uit 
 alle 15 hoofdstukken en 
 2 hoofdstukken compleet)

TEKSTEN/PREKEN:
Kerk en geloof:
de bijbel: leesadvies
Wat  is waarheid?
Sterven, en dan?
Columns over liturgie

Preken 2010
Preken 2011
Preken 2012

Laatste preek

 

PREKEN 2010:
           (klik op het plaatje)
 
 

'Als het Uw wil is' psalm 131 en CD Leonard Cohen 'if it be your will' - 24-01-2010
De andere dimensie van de kerk (bevestiging ambtsdragers)1 petrus 1/22-2/10-14-02-2010
De glans van God Exodus 34: 27-35 / 2 Korintiërs 3 : 6-18 / Lucas 9 : 28-36 - 28-02-2010
God imiteren tekst G.H. Ter Schegget 'een stem' ; Lucas 6 : 27-38 - 14-03-2010
Licht in het donker (palmzondag) tekst J.J. Suurmond (column); Lucas 19 : 29-47 - 28-03-2010
Paasnacht & Paasmorgen Lucas 24: 1-12  - 3/4-04-2010
Leer ons vliegen Jesaja 40: 27-31 en CD Bette Midler 'wind beneath your wings' - 25-04-2010
Pinksteren: even blazen Handelingen 1 (hemelvaart) en 2 (Pinksteren) - 23-05-2010
Kind van God Spreuken 8 Doop Sofie Bogerman en Rowan Ammerlaan - 3-10-2010
Ons fundament Efeziers 3: 14 / 4:16  / Uit ‘het nut van geloven’ Anne van der Meiden 10-10-2010
Voorbereiden op de dood gedicht ´gebed in de herfst´ C.Visser / Prediker 11: 1-8  7-11-2010
Het licht van de hoop Psalm 17: 1-8 Lucas 19:41-48 - 21-11-2010 (avondmaalsviering)
God als aardse en hogere werkelijkheid Filippenzen 4:4-9 teksten K.Hendrikse en Roelof
          Tichelaar - 12-12-2010
kerstverhalen -avond en -morgen 2010
 


 

Kerstavond 24 december 2010

Verhaal:
Het begint alweer te schemeren, de dag voor kerst. Mismoedig sta ik voor het raam, en kijk naar de besneeuwde wereld, buiten. Dit gaat kerkgangers kosten, vanavond. Al die moeite, van zoveel mensen, om er een mooie dienst van te maken, niet in de laatste plaats al die moeite van míj. Zucht. Er komt een wit busje het plein oprijden, een oud barrel. Nou ja, het wás ooit wit. Nu is het meer bruin, van alle opgespatte moddersneeuw en zoutstrooisel. In volle vaart slipt het de bocht door, en stopt precies voor mijn deur. Wat nu? Ik verwacht geen bezoek. Komt er misschien toch nog iemand een leuk kerstpakket brengen? Of is het weer een begrafenisondernemer, die mij als gewaardeerde zakenrelatie een kerstkrans komt overhandigen? Ik weet niet helemaal zeker of ik dát nóg een keer leuk ga vinden. Van achter het gordijn loer ik naar beneden. De busdeur zwaait open, er stapt een vrouw uit. Ze kijkt omhoog – haastig spring ik naar achteren. Als ik weer durf te kijken, heeft ze al iets achter uit de bus gehaald, en is naar mijn voordeur gelopen. Er wordt gebeld.

Doe ik open? Natuurlijk doe ik open. Veel te nieuwsgierig. Breed glimlachend staat ze daar. ‘Shaloom, Rini!’ Och lieve help, ken ik deze dame ergens van?! Met ogen als schoteltjes kijk ik haar aan. Ze ziet er uit als een typische kandidaat voor een make-over. Een blond jaren-zestig suikerspinkapsel, daarbovenop balanceert een rode fluwelen puntmuts, regelrecht van de kerstman. Een rimpelig koppie, met felle blauwe pretoogjes. Haar kleine bolronde lijf gaat compleet schuil achter een geweldig wijde witte cape, met sterren erop geborduurd, in alle kleuren. Aan haar voeten een paar moonboots, en met die moonboots stapt ze zo mijn hal in. Ik schrik. Denk meteen aan de politieberichten in de krant. ‘U bent toch geen oplichter of zo’ flap ik eruit. Ze werpt me een vreemde blik toe. ‘Nou, het zou geen kwaad kunnen, als jij een beetje op zou lichten’, zegt ze. Daar moet ik even over nadenken. Van onder de cape komt een grote mollige hand tevoorschijn, met feestelijke roodgelakte nagels. Ik schud, ondanks mezelf, haar hand en mompel iets. ‘Ik ben Clara, aangenaam’ zegt ze, ‘en nee, je hebt me nooit eerder gezien’. Ze blijft me afwachtend aankijken. Wat nu? Verwacht ze dat ik haar binnenvraag? Ik loods haar ten slotte maar de studeerkamer in, naast de hal. Ze gaat met een tevreden zucht zitten. Het blijft stil, dus ik kan weinig anders doen dan óók maar te gaan zitten, tegenover haar. ‘Wees maar niet bang’ knikt ze naar me. Bang is een groot woord, maar ik neem me voor haar zeker nauwlettend in de gaten te blijven houden. ‘Luister’, zegt Clara, ‘ik ben naar je toe gestuurd door de Hoogste Baas, hij dacht dat je wel toe was aan een hemels kerstpakketje.’ Ze barst in lachen uit.

Nerveus schuif ik wat op mijn stoel. Waar gáát dit over? De cape rimpelt, de grote mollige hand met de rode nagels komt tevoorschijn en geeft me een bemoedigende aai. ‘Rustig maar, ik zal het je allemaal uitleggen’ zegt ze. ‘Laat ik beginnen met het meest onwaarschijnlijke: ik ben de kerstengel’. Ze knipoogt. Ik houd mezelf keurig onder controle, en blijf haar onbewogen afwachtend aankijken. Een kerst¬engel. Ach, waarom niet. Ze vervolgt haar verhaal. ‘Ja, bij anderen introduceer ik mezelf wel eens als de ‘Geest van kerstmis’, maar ja, je zal het met me eens zijn, dat klinkt voor geen meter. Als Dickens in het Nederlands geschreven zou hebben, zou hij er vast en zeker een kerstengel van gemaakt hebben. Maar je mag me ook zien als de ‘Christmasspirit’,  als je dat liever hebt.’

Ik zeg niks. Onverstoorbaar praat Clara verder. ‘Je kent de procedure toch, lieve meid? Een kijkje in verleden, heden, toekomst? Heb je er een beetje zin in?’ Voor ik er erg in heb knik ik ‘ja’. ‘Doe je ogen dan maar dicht, dan gaan we’. Ik doe gehoorzaam mijn ogen dicht. En sper ze meteen weer open: zit ze er nog? Ze knikt me toe. Kalmeert me met een rustige bijna hypnotische stem, praat maar door. ‘Als dít een engel is, ben ik er ook één’, denk ik nog, maar dan voel ik dat ze mijn hand grijpt, en als in een wervelwind verdwijnen we samen in de tijd. We landen zachtjes op een grasveldje, waar hier en daar een olijfboom staat. ‘Welkom in Israël’, zegt Clara zachtjes, ‘hierachter ligt Betlehem, en daar is de stal waar Jezus net geboren is.’ Ze wijst een gebouwtje aan, aan de rand van het veld. Vanuit de verte horen we vaag de kreetjes van een baby en wat stemmen. ‘Wil je gaan kijken’ zegt Clara. Ik aarzel. Wil ik dat wel? Clara voelt mijn aarzeling. ‘Misschien is het ook maar beter van niet’, zegt ze dan. De realiteit is altijd zo massief, zo kant en klaar. Je verbeelding brengt je iedere keer op nieuwe plaatsen. Ten slotte is dit ook gewoon maar een baby, een stel ouders, je hebt het al vele malen gezien, sterker nog: je hebt het zelf meegemaakt.’

Ik ben verontwaardigd. ‘Je hebt het hier wel over Jézus toch’, zeg ik. Het lijkt wel alsof Clara ineens een kop groter wordt. Streng kijkt ze me aan. ‘Les 1’, zegt ze. ‘Jezus was en is en zal altijd zeer bijzonder zijn. Hij is mijn grote liefde. Maar hij is er absoluut niet op gesteld als we hem op een voetstuk zetten. Het gaat er juist om te beseffen dat ieder mens een zeer bijzonder kind van God is.’ Ik kijk wat ongelovig. ‘Dat bedoel ik dus’, zegt Clara. ‘Zelfs jij’. Ik buig mijn hoofd, maar Clara pakt mijn handen en begint aan een rondedansje. ‘Vrede op aarde, en in de mensen een welbehagen’ zingt ze, en terwijl we steeds vrolijker ronddansen verdwijnen we weer als in een wervelwind, en landen hier, op de parkeerplaats van de Elthetokerk.

Lachend staan we stil. We kijken om ons heen, overal horen we de kerkklokken luiden, mensen komen door de sneeuw aangewandeld, begroeten elkaar, tevreden dat ze het erop gewaagd hebben, met dit weer. ‘Kijk’, zegt Clara, ‘kijk goed. Al die mensen, overal op deze aarde, die vanavond kerst vieren. Hoe bijzonder is dat. Ben je niet dankbaar, dat jij daar ook deel van uit mag maken?’ Hm. Alweer tijd om mijn hoofd te buigen, geloof ik. Dankbaarheid was niet het eerste woord dat bij me opkwam. Met een schuin oog kijk ik naar Clara. Ze lijkt alwéér gegroeid. ‘Les 2’, zegt Clara, maar haar stem klinkt nu anders. Vriendelijker. Iets van medelijden erin lijkt het wel. ‘Wat is dat toch met mensen, zegt ze, dat ze zo weinig vreugdevol en dankbaar kunnen zijn. Jij, jullie allemaal, jullie zijn geliefde kinderen van God. Je bent gemaakt om te zingen in het licht, niet om te griepen in het duister. En als je zorgen hebt, wie heeft die niet op z’n tijd, breng ze naar de Hoogste Baas. Die zal er altijd voor je zijn, tot in alle eeuwigheid. Ken je dat oude lied nog, kom zing het met me mee’… en ze begint: ‘Tel uw zegeningen één voor één, tel ze alle en vergeet er geen. Tel ze alle, noem ze één voor één, en ge zegt verwonderd God liet nooit alleen.’

Al zingend hebben we het kerkplein weer verlaten, en wervelen door de kosmos richting toekomst. Ik ben benieuwd waar we terecht zullen komen. Als we landen, zijn we in een stad, het is duidelijk kersttijd, overal lichtjes en winkelende mensen. Geen sneeuw, deze keer. Maar ook geen klokgelui. Verbaasd kijk ik Clara aan. Ze haalt haar schouders op en zegt: ‘tja. Met die kerken is het wat minder nu. Maar ik zal je wat anders laten zien.’ Beelden flitsen aan me voorbij. Een vader, moeder en een kind, de liefde straalt ervan af. Een oude vrouw, die stil genietend in haar stoel zit, luisterend naar kerstmuziek. Een groepje mensen, de bijbel open bij het kerstverhaal, samen lachend en pratend. Een ander groepje, zingend in een oude kerk die glanst van het kaarslicht. ‘Weet je’, zegt ze, ‘dat waar het echt om draait, dat gaat nooit verloren’. Ik knik. ´Komt er nog een les 3?´ Vraag ik nieuwsgierig. Dat wás les 3, sufferd, zegt Clara vrolijk. Heeft dit verhaal nog niet lang genoeg geduurd dan?! Ik schiet in de lach, en in een oogwenk zijn we weer terug in mijn studeerkamer, alhoewel… ík ben weer terug. Clara is verdwenen. Ik ren naar de buitendeur: geen auto. Langzaam loop ik weer terug. In de studeerkamer staat een pakje op tafel. Voor mij! Mijn kerstpakket!

Ik ga je niet vertellen wat er in zat, dat is privé. Maar misschien kan je wèl bedenken wat er in jóuw kerstpakketje kan zitten, afkomstig van de Hoogste Baas. Op welke manier zou jouw diepste verlangen vervuld worden, weet je dat? Niet dat dat veel verschil maakt, God weet het. En houdt van je.
 


 

Kerstverhaal op eerste kerstdag,
voor kinderen èn grote mensen:

Ik ben Anna, de zus van Maria.Dat hadden jullie vast niet gedacht hè, dat Maria nog een zusje heeft. Daar baal ik wel eens van, het is helemaal niet leuk om een zusje te hebben dat zo beroemd is, en naar jou kijkt niemand. Als het nou nog zo’n geweldig mens is, maar dat is ze juist helemaal niet! Ik ben vernoemd naar mijn moeder, die ook Anna heet. Ze kreeg nog vijf kinderen, ik ben de oudste en Maria de jongste, wat je noemt een nakomertje. Vreselijk verwend natuurlijk, ik moest altijd maar op haar letten en ik kreeg de schuld als Maria weer eens in de problemen zat. Dus nee, om heel eerlijk te zijn, ik mocht haar niet zo erg. Eigenlijk kreeg ik, hoe ouder ze werd, steeds meer een hekel aan haar. Mijn vader en moeder wilden nooit een kwaad woord over haar horen, Maria was zo knap, Maria was zo slim, Maria was zo’n gelovig meisje. Ze ging altijd naar de synagoge, (zo heet een kerk bij ons) echt altijd, dat is toch niet normaal. Als ik dan wel eens thuis wilde blijven, of met mijn vriendinnen op stap, dan zei mijn moeder: neem een voorbeeld aan Maria, zo jong als ze is slaat ze geen dienst over. Nou zeg, ik was echt niet onder de indruk. Het is gewoon een saai kind.

Totdat… totdat Maria op een dag groot nieuws brengt. Werkelijk, de hele familie was in paniek. Maria krijgt een baby! Snap je dat nou? Ik begreep er helemaal niets van. Mijn ouders liepen huilend en handenwringend rond, mijn broers en zusters wisten niet waar ze het zoeken moesten - en ik? Ik bleef rustig. Eigenlijk genoot ik er wel een beetje van, maar dat liet ik natuurlijk niet merken. Eindelijk. Eindelijk is Maria van haar voetstuk gevallen. En dan zegt ze ook nog dat het zo heeft moeten zijn. Dat ze een heel bijzonder kind in haar buik heeft, jawel, een heuse engel is bij haar langs geweest en heeft het haar verteld. Dat geloof je toch niet. Zelfs mijn ouders vonden het een onwaarschijnlijk verhaal. Maar toch twijfelden ze nog, want Maria weet het wel heel goed te brengen hoor. En dan is er nog haar vriend, Jozef, ook al zo’n saaie jongen, een timmerman, hij wist ook niet wat hij ervan denken moet. Eerst wilde hij de verkering uitmaken, maar dan bedenkt hij zich toch weer, en kondigt aan dat hij toch met Maria wil trouwen. Je kon goed zien dat hij helemaal is omgepraat, want hij begon ook al over een engel, maar dan in een droom. Ja ja. Veel gekker moet het niet worden.

Hoe dan ook, iedereen kwam weer wat tot rust, behalve ik dan, ik ging me er steeds meer over opwinden. Het is niet eerlijk! Maria is veel jonger dan ik, en ik zit hier nog maar steeds thuis, zonder vriend, niks. Mijn ouders vonden dat ik dan maar een vak moest leren, en stuurden me naar een oude chagrijnige verloskundige, dan kon ik haar mooi helpen bij de bevallingen in het dorp en haar later misschien zelfs opvolgen. Alsof ik daar zin in had! Ik heb helemaal níks met baby’s. Ik voelde me zó ongelukkig, dat ik zelfs aan het bidden sloeg. ‘God, geef mij ook een vriend, liefst een rijke, zodat we samen in een mooi eigen huis kunnen wonen en ik eindelijk lekker kan doen waar ik zin in heb’…. Even geloof ik nog bijna dat het misschien zal lukken, maar er gebeurde natuurlijk helemaal niks. Zie je wel, ik wist het wel, allemaal onzin. Maria had wel in de gaten wat er aan de hand was, en deed extra aardig, nou, daar trapte ik mooi niet in. Laat ze maar ophoepelen, met dat zogenaamd bijzondere kind van haar.

Maar dan komt de dag dat we met z’n allen naar Bethlehem moeten. Wat een onderneming is dat zeg, je bent zó een week onderweg! Maria is hoogzwanger, ze wordt steeds stiller en witter, maar ja, we moeten toch door. Jozef is ook meegegaan, die doet overdreven lief, hij zorgt zelfs voor een ezel, zodat Maria kan zitten. Ja hoor, zij wel! We moeten toch allemáál lopen? Zij is niet de enige met zere voeten! Dan zijn we eindelijk in Bethlehem, en merken we dat het afgeladen vol is daar. Nergens een plek om te slapen. Uiteindelijk blijkt het dan toch nog een voordeel, die zielige Maria, want een herbergier die medelijden heeft wijst ons naar een paar stallen, daar kunnen we eindelijk gaan liggen en uitrusten. Ik hoor in de verte wat gezucht en gekreun, maar dat duurt niet lang. Dan val ik als een blok in slaap.

Tot ik, midden in de nacht, het is aardedonker buiten, wakker geschud word. Het is Jozef. Anna, zegt hij dringend, Anna, je zus is aan het bevallen. De baby komt er aan. Ik trek de deken over mijn hoofd en probeer net te doen of ik het niet hoor. Helemaal in mijn eentje een baby geboren laten worden, in het donker nog wel, in een stal nota bene - ‘en dan ook nog het kind van María’, zegt een klein stemmetje in mijn hoofd - nee, daarvoor moeten ze niet bij mij zijn. Maar Jozef trekt zich er niets van aan. Hij pakt me ruw beet, en zet me met één zwaai overeind. ‘Meekomen jij’, zegt hij, en duwt me naar de hoek van de stal. Door de kieren schijnt gelukkig nog wat licht van de maan, want ik schrik nu toch wel een beetje. Maria heeft écht hulp nodig. En tja, het is natuurlijk toch wel mijn zus. Dus doe ik wat nodig is. En een paar uur later, het begint net licht te worden, wordt het kindje geboren. Ik grijp gauw mijn slaapdeken, en wikkel het kindje erin.

Als ik het in mijn armen houd, zie ik in de eerste traal zonlicht dat het zijn oogjes naar me opslaat. Verbeeld ik me dat nou, of kijkt hij me echt áán? Ja, ik geloof het echt. Hij kijkt me aan. Ik voel me helemaal warm en rustig worden van binnen. ‘Dag mooi kindje’, fluister ik. En, hoe gek het ook klinkt, ik voel dat Jezus me antwoord geeft. ‘Dag lieve tante Anna’, zegt hij, ‘dank je wel voor je hulp. Je bent een geweldige verloskundige, en ík kan het weten’. Ik geef hem een knipoog. Het kost me moeite om hem in het kribje te leggen, wat Jozef heeft klaargezet ondertussen. Hij voelt zo warm, zo lief. Maria is in slaap gevallen, en ik ga ook nog maar even een dutje doen. Jozef zal wel op Jezus passen.

Maar ik kan de slaap niet vatten. Ik voel me zo anders, zo…. ja, zo blij! Ik moest er even over nadenken, want het was een vreemd gevoel, ik kende het eigenlijk niet meer zo goed. Je blij voelen. Echt blij. Alsof ik weer een klein meisje ben, en een prachtig cadeau heb gekregen, precies wat ik altijd al zo graag wilde hebben. Ik moet er om lachen. Was dit kindje Jezus zo’n cadeau dan?! En dan hoor ik weer die stem, ergens binnen in mij, die warme lieve stem: ‘jawel lieve Anna, zo’n cadeau ben ik. Het mooiste cadeau dat er is. Ik ben namelijk gestuurd door God, om mensen weer te leren wat liefde is, en wat echte vreugde is. Jij voelt het al, toch?’

En toen wist ik het. Jezus was echt een bijzondere baby. Maar hij niet alleen. Maria was ook bijzonder. En Jozef. En… ik! Ik was ook bijzonder! Kijk eens hoe ik daar in het donker mijn zus geweldig had geholpen! Wat voelde dat goed, om gewoon maar blij te zijn, zonder al die nare zwarte gedachten. Het werd tijd om het allemaal eens een beetje anders te gaan doen. Ik zou ophouden met jaloers zijn, met mopperen, met een hekel hebben aan andere mensen. Ik zou voortaan lief zijn voor mijn zus, ja, voor iedereen. Eindelijk viel ik tevreden in slaap, tot er steeds meer drukte om me heen kwam: het was dag geworden, en er kwamen ineens allemaal mensen langs om naar Jezus te kijken. Maar dat is weer een ander verhaal. Wil je weten of ik voortaan echt altijd vrolijk en lief bleef? Daar geef ik lekker geen antwoord op. Het lukt me in ieder geval als ik vlakbij Jezus in de buurt ben. Meestal.
 
 

Viering Elthetokerk 12 december 2010

Kaars aansteken, tekst:

Het brok ruwe, onbewerkte steen
splijt open, en onthult
in de kern
een mooi kristal
de steen
gespleten
toont een paars glanzende laag van amethist.
Er is een principe
van schoonheid en orde
in het hart van de chaos
in het leven is leven.
(Uit: Walking the Coast’, Kenneth White)

Gebed (van Sytse de Vries)

Wij bidden voor elkaar
dat vertrouwen ons zal dragen,
en wij in alle stormen
ons terug vinden bij U.

Leg deze zin in ons leven,
dat wij voor U bestaan;
onmisbaar en gekend,
zo telt Gij onze levens,
en houdt ons vast
als wij vallen.

Behoed ons voor
het leven bij de dag,
doelloos en zonder bestemming.
Bewaar ons voor
leven op goed geluk,
voor troebele grijsheid
waarin wij niet kiezen,
voor leven
zonder verwachting.

God,
zo diep verborgen,
ontbreek ons niet.
Laat ons U niet ontbreken.

Bidden wij voor wie zoeken
naar Licht, naar God:
dat zij gevonden zullen wórden
en terechtgebracht onder de mensen.
Maak ons tot kandelaren
waarop U niet verduisterd wordt.
Amen.

Kinderverhaal:

Het verhaal gaat over een meisje die Sterre heette. Zij had op school een vriendin, die helemaal nooit naar de kerk ging en ook niet in God geloofde. Sterre had haar eigenlijk nooit verteld, dat zij wel vaak naar de kerk ging, want ze was bang dat haar vriendin haar dan uit zou lachen. Maar op een dag vertelde ze het per ongeluk toch, en toen gebeurde precies waar ze bang voor was. Haar vriendin begon heel hard te lachen en zei: ècht? Ga jij naar de kerk? God bestaat toch helemaal niet joh. Heb je hem wel eens gezien dan? Sterre wist niet wat ze moest zeggen, ze werd er een beetje verdrietig van. Maar later, toen ze samen aan het spelen waren, zei haar vriendin ineens: Sterre, ik heb zo’n akelige jeuk op mijn rug. Ze probeerde erbij te komen, maar dat lukte niet. En ineens wist Sterre het, en ze begon hard te lachen. Echt? Zei ze. Jeuk? Jeuk bestaat toch helemaal niet joh. Heb je jeuk wel eens gezien dan? Haar vriendin keek haar stomverbaasd aan, en ineens had ze het door, en begon mee te lachen. Mm. Zei ze. Sorry hoor. Ik nam je niet helemaal serieus hè? Misschien moet je me nog maar eens wat meer vertellen over God, en over die kerk die jij zo leuk vindt. Okee, zei Sterre, draai jij je dan nu maar om, dan krabbel ik wel even op je rug. En zo gebeurde het.

Toelichting bij de gekozen lezingen:
Het thema voor de preek is: de aardse en hogere werkelijkheid van God. De grote vrijzinnige pleitbezorger voor een aardse goddelijke werkelijkheid is Klaas Hendrikse, de eerste lezing komt uit zijn boek. In de brief van de apostel Paulus aan de Filippenzen is het juist de combinatie die opvalt: het aardse en hemelse vervlochten tot een vreugdevol geheel. De laatste tekst is geschreven door Roelof Tichelaar, hij laat, als een moderne profeet, de hogere werkelijkheid in de persoon van Jezus direct aan het woord.

Klaas Hendrikse 'Geloven in een God die niet bestaat' - blz 92 :

Kun je geloven in een God die niet bestaat? Volgens Van Dale kan het niet. Geloven wordt daarin omschreven als ‘vast vertrouwen op God en Gods woord, overtuigd zijn van Gods bestaan en van de waarheid van de goddelijke openbaring’. Het vertrouwen wordt hier zo massief geformuleerd dat het bij gewone mensen nauwelijks kan voorkomen. ‘De waarheid van de goddelijke openbaring’ is een bloedeloze abstractie, die je hooguit voor waar kunt aannemen door over je eigen verstand heen te springen. Dat noem ik ‘geloof’.
Ik maak onderscheid tussen geloof en geloven. Geloof kun je hebben, als een opvatting. Geloven is een manier van zijn: je bent of je leeft gelovig. Iemand die de christelijke leer onderschrijft of ’s zondags naar de kerk gaat, is daarmee dus nog niet gelovig. ‘Je wordt ook geen auto als je in een garage staat,’ zei Albert Schweitzer. Nee, op andermans gezag voor waar aannemen wat je zelf niet begrijpt is niet geloven, maar uitbesteden van verantwoordelijkheid, dan doen anderen het voor jou. En dan kan het ook niet méér zijn dan het overnemen van en het instemmen met een opvatting, zonder enig raakpunt met je eigen leven.
Geloof begint bij God, en mensen moeten gedurende hun leven maar uit zien te vinden hoe ze met die God kunnen leven. Geloven begint ergens anders: bij mensen, bij het leven van alledag, met twee benen op de grond. Het antwoord op de vraag hoe of wat jij gelooft, schuilt niet in opvattingen die je onderschrijft, maar in je manier van leven: hoe je omgaat met wat er gebeurt, hoe je handelt en vanuit welke overtuiging. En dat doe je om te beginnen als mens, met alles wat daarbij hoort, vlees, gevoel en verstand.

Als geloven met leven te maken heeft, kan het ook niet anders, dan valt het samen met dingen die je overkomen, met mensen die je pad kruisen, met vreugde en verdriet, angst en vertrouwen, met hart en hoofd. Oorspronkelijk was er niet eens een woord voor geloven, het was hetzelfde als leven. En dat speelt zich hier beneden in ons gewone aardse bestaan af, in het waarnemen van en omgaan met de wereld waarop je voeten staan, en niet een wereld buiten of boven mensen.
Die andere wereld is er ook niet. Het idee van een ‘andere werkelijkheid’ stamt uit de tijd dat mensen dachten dat de aarde een platte schijf was, met een wereld eronder en erboven, waar respectievelijk de doden en de goden verbleven.
Ook de christelijke leer is - nog steeds - op dit antieke decor gebaseerd. We weten inmiddels beter: er is maar één werkelijkheid en daar zit niets boven of achter van een andere of hogere werkelijkheid.

Schriftlezing: Filippenzen 4 : 4-9
Laat de Heer uw vreugde blijven;
ik zeg u nogmaals: wees altijd verheugd.
Laat iedereen u kennen als vriendelijke mensen. De Heer is nabij.
Wees over niets bezorgd, maar vraag God wat u nodig hebt
en dank hem in al uw gebeden.
Dan zal de vrede van God, die alle verstand te boven gaat,
uw hart en gedachten in Christus Jezus bewaren.
Ten slotte, broeders en zusters, schenk aandacht aan alles wat waar is, alles wat edel is, alles wat rechtvaardig is, alles wat zuiver is, alles wat lieflijk is, alles wat eervol is, kortom, aan alles wat deugdzaam is en lof verdient. Doe alles wat ik u heb geleerd en overgedragen, wat ik u heb verteld en laten zien. Doe het, en de God van de vrede zal met u zijn.

Lezing: wees niet bang (Roelof Tichelaar)

Wees niet bang,
want altijd zal Ik bij je zijn.
Wees niet bang,
maar heb vertrouwen
in de kracht die Ik jullie gegeven heb.
Weet ook dat Ik bij je ben
op de momenten dat je je strijd
in eenzaamheid aan het voeren bent
en je angstkreet door de wereld om je heen
niet wordt gehoord.
Vergeet ook nooit dat jouw strijd
niet voor niets is en dat
iedere doorbraak van licht in jou hart
het licht in heel de kosmos versterken zal.
Dat jullie vrede mogen hebben
met jezelf en met Mij
doordat jullie Mijn Geest zullen toelaten
in de binnenkamer van jullie hart.

Overweging:

Vorige week las ik een boek van ene Paul Young, ‘de uitnodiging’. Daarin ontmoet een man God. Een heel weekend lang. In een hut in het bos. God verschijnt daar in drievoud, en blijkt een zwarte huishoudster, een flitsende Aziatische jonge vrouw en een vrolijke timmerman, oftewel Jezus. Het schijnt in Amerika een behoorlijke bestseller te zijn geweest, en ik kan goed begrijpen waarom, het is een boeiend boek waar in uitgebreide vraaggesprekken heel veel levensvragen aan bod komen. De hoofdpersoon is in het begin natuurlijk verbijsterd, en realiseert zich dat hij toch nog altijd met dat cliché in zijn hoofd zat van God als een oude man met een witte baard.

Dat stadium zijn we hier waarschijnlijk al wel voorbij, al zit het meestal diep in de genen verankerd. Maar ook zo’n grappig beeld van drie Goddelijke personages als representanten van Vader Zoon en Geest in het boek van Young, waar je een gesprek mee zou kunnen voeren, is voor veel vrijzinnigen een tamelijk achterhaald station. Voor hen heeft het Goddelijke niets persoonlijks meer. Hendrikse staat symbool voor nog weer een volgende fase, waarin het geloof in een hogere goddelijke werkelijkheid totaal verdwenen is. Hij vertelt dat uit volle overtuiging en met de beste bedoelingen, hij wil terug naar het hier en nu, naar de wereld, weg met alle hemelfietserij en flauwekul, maar wel met behoud van de menselijke hogere waarden. Voor hem is dat de enige weg voor het christendom om geloofwaardig te blijven in deze moderne tijd. Al met al wordt er dus nog al wat opgeofferd: de bijbel, het gebed, God als hogere werkelijkheid.

Die weg, ik heb dat al vaker gezegd, zal ik niet gauw kiezen. Toch beschouw ik mezelf als een vrijzinnige gelovige. Juist als vrijzinnige gelovige, weiger ik bepaalde opties al bij voorbaat dicht te timmeren. Een God die, zoals Hendrikse zegt, ‘gebeurt’: prima. Hij heeft helemaal gelijk. Het wordt tijd dat daar meer aandacht voor komt. Maar een God die ‘gebeurt’ kan er wel degelijk ook ‘zijn’. Dat wordt tenminste al duizenden jaren beweerd, en die beweringen wil ik graag serieus nemen. Mensen hebben in de loop van de geschiedenis niet anders gedaan dan vertellen over hun ervaringen met het Goddelijke. Allemaal verbeelding, zegt Hendrikse, of projectie, zegt een moderne psycholoog. En ze hebben natuurlijk een punt, verbeelding en projectie spelen in het geloof en in de geloofservaring een belangrijke rol. Dat kan ook niet anders, want zonder verbeelding zouden we nooit boven onszelf uit kunnen stijgen, nooit kennis kunnen maken met het bovenaardse. Als God boven de menselijke werkelijkheid uitstijgt, dan kom je er niet met je verstand, dan heb je je verbeelding dus echt nodig. En projecties zijn een manier om ons met de werkelijkheid te verhouden; hoe meer je je ervan bewust wordt, des te beter leer je jezelf kennen en objectiever kijken. Ben je bijvoorbeeld bang voor een boze, oordelende God? Dan kan het helpen om je af te vragen of die boosheid geen projectie is. Of je misschien niet vooral jezelf veroordeelt, jezelf niet goed genoeg vindt. Heel nuttig, want daar kan je wat aan doen. Maar betekent dat dan dat er zonder zo’n projectie geen God meer overblijft? Ik dacht het toch niet.

Ik doe maar even een beroep op uw verbeelding nu. Stel u voor dat er wel degelijk een Hogere Werkelijkheid bestaat. Die we voor het gemak maar ‘God’ hebben genoemd. Een containerbegrip, net zoals je ‘kosmos’ zegt, of ‘wereld’, of ‘de mens’. Je hebt een vaag idee van wat het inhoudt, maar weet tegelijkertijd dat het veel grootser en veelomvattender is dan je kan weten of bedenken. ‘God’ is zo’n soort woord. Het oude idee van die vaderlijke persoon speelt ons dan, als je niet goed oppast, toch weer parten,  dus misschien is het beter om te spreken over ‘Het Goddelijke’, dan laten we het wat meer open.

Wat is dat ‘Goddelijke’ dan? Alles. En dat maakt het zo lastig. De lijst ‘het Goddelijke is…’  is eindeloos. Je kan bijvoorbeeld alles op deze wereld als Goddelijk beschouwen, in de zin van: afkomstig uit de Goddelijke scheppende bron. In de vroeg-middeleeuwse keltische spiritualiteit vind je dat al terug, en die baseerde zich vooral op het Johannes evangelie. In essentie, zeggen ze, is al het leven een uitdrukkingsvorm van God. God, dat is de levenskracht in alle dingen. Ook het kwaad? Ja, ook het kwaad. Ook de mug? Ja, ook de mug. De hele schepping openbaart iets van de Ene, die de essentie van het leven is. Door dat in onze verbeelding als uitgangspunt te nemen geven we deze aarde met alles wat daarop te vinden is het respect, de aandacht waar ze recht op heeft. Het brengt je tot het besef dat alles uiteindelijk met elkaar verbonden is, en dat je daar als mens deel van uitmaakt en medeverantwoordelijk voor bent. En tegelijk is jouw bijdrage uniek en ben jij uniek. Goddelijk misschien wel. Alhoewel het Goddelijke altijd weer méér is.

Wat is het dan nog meer? Het Goddelijke is ook geestelijk. Zoals een mens niet alleen maar stoffelijk is, maar ook een geestelijke component heeft, een geest, een ziel. Zoals ook de liefde iets geestelijks is, je kan het niet vastpakken, niet bewijzen, maar toch weet iedereen dat de liefde bestaat. Het Goddelijke is dus ook geestelijk, niet zichtbaar voor onze aardse ogen. Wel voelbaar en ervaarbaar, zoals de liefde, dat is ook mede de reden waarom we zeggen ‘God is liefde’. Liefde is het gevoel van verbinding, dat is meteen de link naar het Goddelijke. Als je daar contact mee maakt is dat de hoogste, geestelijke vorm van verbinding, en dus de hoogste vorm van liefde.

Nu kan je natuurlijk zeggen dat die geestelijke component van het Goddelijke boven onze pet gaat, dus dat we het daar maar beter niet over kunnen hebben. Veel mensen doen dat, en ik kan me daar iets bij voorstellen. Maar het brengt je ook in de problemen. Wat als je die oude projecties en verzinsels resoluut afwijst, maar weigert na te denken over die nog steeds bestaande geestelijke kant van God, wordt het dan niet erg leeg allemaal?! Aan de andere kant: valt er dan überhaupt een zinnig woord over te zeggen? Misschien niet, misschien kan je dan maar het beste gaan spreken in beelden, in poëzie, zoals ze dat ook in alle belangrijke religieuze geschriften altijd al hebben gedaan.

Ergens aan het einde van de vijfde eeuw, kwam een man die zichzelf Dionysius de Aereopagiet noemde, met een aantal boeken die heel veel invloed hebben gehad op de theologie van de middeleeuwen. Hij schetst een prachtig beeld van het Goddelijke als een eeuwig licht, waar al het geschapene deel aan heeft. Hij stelde het voor als een vloeiende bron van licht, een cirkel waar het licht trapsgewijs aan alle kanten overheen stroomt, en daar een nieuwe, lagere cirkel vormt, en zo maar door, steeds een trede verder. In het centrum, bij de bron, is het licht het sterkst, verder weg raakt het steeds wat minder helder. Elke laag is bij hem bevolkt met schepselen van God, alleen aan bovenaardse wezens besteedt hij al 3x3 treden, met bovenaan de serafs en onderaan de ‘gewone’ engelen. Daaronder bevinden zich dan nog eens de aardse schepselen, in nieuwe ringen van licht. Al die verschillende rangen ontvangen het licht dus van boven, en geven het weer verder door, ze zijn als het ware ‘geleiders’ van het licht, en hoe dichter bij de bron, des te zuiverder, liefdevoller en lichter ze zijn.

Het beeld spreekt me enorm aan. Natuurlijk zitten er ook wat middeleeuwse trekjes in die ik minder vind, maar die heb ik er al zo veel mogelijk voor u uit gefilterd. Het mooie is, dat hier het onpersoonlijke goddelijke (gesymboliseerd door het licht dat alles doordringt) gecombineerd wordt met het persoonlijke, de geleiders, aardse en hemelse, die allemaal hun eigen taak te vervullen hebben om dat licht verder door te geven. Mannen als Luther en Calvijn haalden resoluut een streep door dit soort beelden, omdat ze vonden dat Christus hier te weinig plaats kreeg: daarmee werd het Goddelijke beperkt tot een hemel waar de Vader, de zoon en de Heilige Geest in wonen, en zitten wij nog steeds met die erfenis. Voor ons dubbel lastig, omdat we met die 3-persoons hemel zo weinig meer kunnen. Jezus zou er hoogstwaarschijnlijk ook raar van opkijken. Als hij iets over het Goddelijke wil vertellen, dan zegt hij dingen als  ‘in het huis van mijn Vader zijn vele woningen’, en die hogere geleiders van het licht, de engelen, maken vanzelfsprekend deel uit van zijn leven. Hij gebruikt inderdaad het beeld van ‘Vader’, maar niet uitsluitend. Het Goddelijke is altijd méér. Een woord als ‘koninkrijk der hemelen’ laat dat misschien beter zien. Waar ik maar voor wil pleiten, is een breder zicht op dat Goddelijke. Sluit niets uit. God is licht, jawel, God is alles in allen, dat ook, God is kracht, God is liefde, we zeggen het allemaal vaak genoeg, maar waarom zou het Goddelijke ook niet bestaan uit een persoonlijk deel, door ons te ervaren, en zo je daar behoefte aan hebt te benoemen als een vader, als een beschermengel, Jezus misschien, als de Geest van God die in je woont, als de stem van je ziel of je hoger zelf - het doet er eigenlijk niet zoveel toe welke naam je eraan geeft. Waar het om gaat is de geweldige ervaring van een persoonlijke liefdevolle relatie met het Goddelijke. Te weten dat je niet alleen bent, dat je deel uitmaakt van een veel groter uiterst verscheiden geheel, aards en bovenaards. Dat het licht uit die verre bron jou ten slotte ook op een persoonlijke manier kan bereiken, en een simpel gebed de moeite loont, aankomt, zeg maar, en niet een prevelementje in jezelf is voor jezelf. Het kán allemaal. Niemand zal het in z’n hoofd halen om te zeggen: de wereld is zó groot, ik kan onmogelijk persoonlijk contact hebben met één van die wereldburgers, met één mens. De wereld kent vele verschijningsvormen, je kunt onmogelijk met die hele wereld tegelijk contact hebben, maar wel met delen ervan.  Waarom zou dat eigenlijk met het bovenwereldse Goddelijke zo anders zijn? Het is goed om oude beelden, die je niets meer te zeggen hebben, van je af te schudden. Het creëert ruimte, ruimte waarin iets nieuws geboren kan worden, ruimte waarin vervolgens oude woorden en beelden opnieuw inhoud en betekenis kunnen krijgen. Als je het zo bekijkt, hebben we deze adventszondag goed besteed.  Nog even, en het is kerst. Laten we bidden en hopen dat het een tijd mag worden van ruimte en vrede, vrede met onszelf en met God. Amen.










Avondmaalsviering Elthetokerk 21-11-2010

Kaars aansteken:
tekst: ´daglicht´ Marijke van Hooff

Sta met mij in de tuin van heden,
vang het licht zolang het is,
roep het donker niet, het komt
vanzelf. Spreek niet van verleden,

leg op de toekomst geen beslag.
Zie deze dag als aanvang,
belofte voor wellicht een nieuw
begin. Ontwaar de glans en kom

mij daarin nader, geef dit moment
tot in de kleinste ruimte zin.

Kinderkring:
Zien jullie die tafel hier staan? Daar staat brood op, en drinken. Straks gaan alle grote mensen hier in een grote kring staan, en dan geven we dat brood en dat drinken aan elkaar door, iedereen een klein hapje en een klein slokje. Dat noemen we ‘avondmaal vieren’. Een beetje raar natuurlijk, want het is ochtend, en geen avond. Die naam, die komt van heel vroeger, van de tijd dat Jezus nog leefde. Op een avond ging hij met zijn leerlingen samen eten, en toen heeft hij ze gevraagd om dat altijd te blijven doen, ook als hij er niet meer zou zijn. Iedere keer, als je dan dat avondmaal ging vieren, dan zouden we met z’n allen weer aan Jezus denken, aan wat hij deed, aan wat hij wilde, en zodoende bleef hij toch altijd in gedachten bij ons. Begrijpen jullie dat een beetje? Ik kan er nog veel meer over vertellen, maar dat doen we wel weer een andere keer. Nu gaan jullie naar de kinderkring, en wensen we jullie veel plezier!

Eerste schriftlezing psalm 17: 1-8, 15

Een gebed van David.

Luister, HEER, ik vraag om recht,
luister naar mijn smeken,
hoor mijn gebed –
geen leugen komt over mijn lippen.
Laat van u het oordeel komen,
laat uw oog zien wat juist is.

Bezoekt u mij in de nacht
en beproeft en peilt u mijn hart,
u zult niets in mijn nadeel vinden,
geen kwaad kwam uit mijn mond.

Hoe de mensen ook leven,
ik houd mij aan het woord van uw lippen.
De weg van roof en geweld
heb ik altijd gemeden,
mijn voeten volgden uw spoor,
mijn stappen wankelden niet.

Ik roep tot u om hulp,
want u geeft mij antwoord.
Wil mij horen, God,
luister naar mijn spreken,
toon mij de wonderen van uw trouw.
wie bij u schuilen redt u
van hun tegenstanders, met uw machtige hand.

Behoed mij als de appel van uw oog,
verberg mij in de schaduw van uw vleugels
Laat mij, recht gedaan, uw gelaat aanschouwen,
bij het ontwaken mij verzadigen aan uw beeld.

Zingen: Tussentijds 205

Tweede schriftlezing: Lucas 19: 41-48
Toen hij (Jezus) Jeruzalem voor zich zag liggen, begon hij te huilen over het lot van de stad. Hij zei: ‘Had ook jij op deze dag maar geweten wat vrede kan brengen! Maar dat blijft voor je verborgen, ook nu. Want er zal een tijd komen dat je vijanden belegeringswerken tegen je oprichten, je omsingelen en je van alle kanten insluiten. Ze zullen je met de grond gelijk maken en je kinderen verdelgen, en ze zullen geen steen op de andere laten, omdat je de tijd van Gods ontferming niet hebt herkend.’
Hij ging naar de tempel, waar hij de handelaars begon weg te jagen, terwijl hij hun toevoegde: ‘Er staat geschreven: “Mijn huis moet een huis van gebed zijn,” maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt!’ Dagelijks gaf hij onderricht in de tempel. De hogepriesters, de schriftgeleerden en de leiders van het volk wilden hem uit de weg ruimen, maar ze wisten niet hoe ze dat moesten doen, want het hele volk hing aan zijn lippen.

Overweging:
Lieve mensen, vandaag is het een soort kerkelijke oudejaarsdag. We zijn gekomen aan de laatste zondag van het kerkelijk jaar. In de traditie zijn dit de zondagen waarop we vooruitkijken naar de toekomst, met het verleden in gedachten. Daar hoort ook deze tekst uit Lucas bij, waarin een huilende Jezus beschreven wordt. De andere evangelisten zwijgen hierover. Zij vertellen liever wat uitgebreider over de tempelreiniging: Mattheus en Marcus vertellen hoe Jezus tafels van handelaren ondersteboven keert, Johannes maakt het nog een tikje bonter door over een zweep te beginnen, waarmee Jezus alle handelaren de tempel uitjaagt. Johannes geeft de gebeurtenis ook een andere plaats, namelijk helemaal aan het begin van het optreden van Jezus. Bij de andere evangelisten staat het aan het einde, na palmzondag, de dag waarop Jezus feestelijk ingehaald wordt in Jeruzalem, een feest dat al gauw omslaat in vervolging en lijden.

Maar Lucas is de enige die deze gebeurtenissen inleidt met een verhaal over het verdriet van Jezus. En daarmee geeft hij het ook een andere draai. Niet de woede om al die misstanden, die foute mensen in de tempel, maar het verdriet staat voorop. De liefde en bezorgdheid waarmee Jezus kijkt naar de mensen in die grote tempelstad Jeruzalem, die hun kans niet grijpen, die niet zien wat hun vrede kan brengen, echte vrede. En hij ziet de zwarte toekomst voor zich opdoemen, een tijd waarin de tempel afgebroken zal zijn, de stad vernietigd. En hij huilt.

Later zijn het de Bijbelgeleerden, die in deze passage een bewijs zien dat de tekst pas na het jaar 70 geschreven kan zijn, omdat toen inderdaad Jeruzalem verwoest werd. Dat Jezus misschien werkelijk in de toekomst kon zien, dat zien ze niet als een reële mogelijkheid. Zelf durf ik daar geen stellige uitspraken over te doen. Zijn volgelingen geloofden in ieder geval wèl in de bijzondere gaven van Jezus, zijn kracht om te genezen, zijn bijzondere inzicht – dus waarom zou het zo onmogelijk zijn dat hij wérkelijk even in de toekomst zag. Als dat zo is, zal het zijn leven en zijn werk niet gemakkelijker gemaakt hebben. Stel je voor dat je het in je vermogen hebt om mensen een weg te wijzen die leidt naar vrede, naar geluk, mensen waar je heel veel van houdt – en dat ze zich dan van je afkeren, niet naar je willen luisteren. Geen wonder dat Jezus dan in huilen uitbarst. Met al zijn bijzondere gaven kan hij niets meer voor ze doen. En als hij dan in die stemming bij de tempel arriveert, en ziet hoe die arme mensen uitgebuit worden door rovers, handelaars, die alleen maar geld willen verdienen aan het geloof, die totaal niets begrijpen van de ware essentie, van waar het werkelijk om gaat, van inkeer, liefde voor God en je naaste, hoop, mededogen… Als hij dat ziet slaat zijn verdriet om in woede, twee kanten van dezelfde medaille, wordt er wel eens gezegd.

Maar Lucas zegt er meteen iets achteraan: en Jezus leerde dagelijks in de tempel. Hij gaf het niet op. Dat is misschien wel het meest bijzondere in het hele verhaal. Jezus gaf het niet op. Hij bleef gewoon doorgaan met leren in de tempel. Niet de woede, niet het verdriet, maar de hoop, dat bleef zijn grondhouding, vanuit die hoop, het vertrouwen op zijn Vader, op God, kon hij de toekomst tegemoet treden en praten over het nieuwe koninkrijk, over vrede, over gerechtigheid.

Met diezelfde houding van hoop mogen ook wij verder gaan, de toekomst tegemoet. Mogen wij ook het avondmaal vieren vandaag. Dat betekent niet dat je nooit woedend mag zijn, of verdriet mag hebben over alles wat er vandaag de dag gebeurt – maar dankzij ons geloof, onze verbondenheid met Jezus, met God, met de Geest van liefde en wijsheid mogen we ondanks alles leven in hoop, en dat ook vieren, altijd en overal. Hoop heeft een geweldige kracht, ik zie dat regelmatig in het pastoraat. Twee mensen, die vergelijkbare narigheid meemaken, de één is helemaal gefocust op alle ellende, ziet geen enkel teken van hoop, en lijdt veel en veel zwaarder dan de ander die kans ziet om de lichtpuntjes te onderscheiden, en daar ook aandacht aan te geven. ‘In het donker zie je de lichtpuntjes beter’… dat is zo’n uitspraak van hoop. Het kan een wereld van verschil uit gaan maken, als je onder nare omstandigheden even stilstaat, en naar je eigen gedachten kijkt. Blijven ze doorlopend cirkelen rond al je zorgen, of besluit je het anders aan te pakken omdat dit nergens toe leidt? Je hebt daar een keuze in. Gedachten kan je sturen, een halt toeroepen. Jezus deed dat, door vast te houden aan de hoop en gewoon elke dag in de tempel te komen om te leren. De omstandigheden kon hij niet veranderen, zijn eigen reactie daarop kon hij wel zelf kiezen. Dat kunnen wij ook.

Een simpele manier die heel goed werkt is bijvoorbeeld, om telkens als je merkt dat je gedachten weer in de één of andere  hopeloze cirkel zijn beland, even helemaal stil te worden, je aandacht te concentreren op het gebied rond je hart en te bidden: ‘God geef mij licht’. Dan roep je je verbeelding te hulp, en stel je je voor dat je ook werkelijk in dat licht zit, of staat. Houd dat zo lang mogelijk vol, en doe het steeds weer opnieuw zolang als nodig is, want gedachten hebben nu eenmaal de neiging om in een bepaald spoor te willen blijven hangen. In de psychologie zijn dit soort simpele techniekjes allang gemeengoed. Het wordt tijd dat we er in de kerk ook weer wat meer oog voor krijgen, en niet alleen maar over zoiets belangrijks als ‘hoop’ práten, maar het ook toepassen in ons leven, en zo ons leven letterlijk lichter laten worden.
Ik wil eindigen met een tekst van Vaclav Havel, die de essentie van hoop prachtig omschrijft.

Diep in onszelf dragen wij de hoop.
Als dat niet het geval is,
is er geen hoop meer.

Hoop is een kwaliteit van de ziel
en hangt niet af
van wat er in de wereld gebeurt.

Hoop is niet voorspellen
of vooruitzien.
Het is een gerichtheid van de geest,
een gerichtheid van het hart,
voorbij de horizon verankerd.

Hoop in deze diepe en krachtige betekenis
is niet hetzelfde als vreugde
omdat alles goed gaat
of bereidheid je in te zetten
voor wat succes heeft.

Hoop is ergens voor werken
omdat het goed is,
niet alleen
omdat het kans van slagen heeft.

Hoop is niet hetzelfde als optimisme.
Evenmin de overtuiging
dat iets goed zal aflopen.
Wel de zekerheid dat iets zinvol is
ongeacht de afloop,
ongeacht het resultaat.

Zo blijven dan geloof, hoop en liefde. Amen.

Geloofsbelijdenis (dienstboek: de tien woorden als geloofsbelijdenis)

Wij geloven met hart en ziel
dat de Eeuwige onze God is, de enige.
Hij heeft ons bevrijd –
geen andere goden zullen wij dienen,
geen enkel beeld van de Levende zullen wij maken.

Wij geloven,
dat wij naar zijn beeld en gelijkenis geschapen zijn –
dat wij in Gods Naam zullen leven.

Wij geloven,
dat de dag van de Eeuwige heilig is –
dat allen eerbied waardig zijn
die ons voorgaan naar het land van Gods belofte.

Wij geloven,
dat enkel liefde de dood overwint –
dat wij elkaar trouw mogen zijn,
zoals God zich met ons verbonden heeft.

Wij geloven,
dat een waarachtig getuigenis jegens onze naaste
en de eerbiediging van zijn bezit
God welgevallig is.

Dat geloven en belijden wij
voor God en elkaar.
Amen.
 
 












Gedachtenisdienst Elthetokerk 7 november 2010

Kaars aansteken, tekst: Ida Gerhardt:
Langzaam zie ik hen gaan
die ik nog bij me had,
de bocht om van het pad.
Wat gouddoorschenen stof,
dan wordt het in de hof
nog stiller dan voorheen.
De Liefsten ---- Eén voor één.

Eerste lezing: Gebed in de herfst (Catharina Visser)

Nu de herfst de dagen binnenkruipt
en de nevel woont op het veld
nu de avond zich vroeger verspreidt
in de boomgaard
en de nacht zich verdiept boven het dak

- leer ons eerbied voor de stilte
geef ons achting voor de duisternis
neem onze schuwheid weg voor de eenzaamheid.

Want alles wat gebeurt
- de gang van de seizoenen
de reis door de dagen
het krimpen van het jaar -

in alles ligt het geheim van de weg
de weg die wij gaan door de jaren
de gang die ons voert tot de dood
het geheim van het licht in de dingen
de adem van engelen in de nacht.

Doe ons open voor dieper dan wij
Leer ons horen en zien met de ziel
nader ons in het holst van de nacht
Geef ons vleugels in het licht.

Tweede schriftlezing: Prediker 11: 1-8
Werp je brood uit over het water.
Heb vertrouwen in de toekomst,
want je vindt het later weer terug.
Wanneer de wolken zijn gevuld met regen,
gieten ze hun regen uit over de aarde.
Waar een boom ook heen valt,
naar het noorden of het zuiden,
hij blijft liggen op de plaats waar hij valt.
Wie altijd op de wind let,
komt nooit aan zaaien toe;
wie altijd naar de wolken kijkt,
komt nooit aan maaien toe.
Je kent de wegen van de wind niet,
je kent het kind dat in de moederschoot groeit niet,
zo ken je ook de daden niet van God,
die alles maakt.
Zaai van de morgen tot de avond.
Laat je hand niet rusten,
want je weet niet of het zaad de ene of de andere,
of elke keer ontkiemen zal.
Het licht is een genot.
Wat een weldaad voor de ogen om de zon te zien!
Wanneer een mens lang leeft,
laat hij dan van elke dag genieten
en bedenken dat de dagen van de duisternis
ontelbaar zullen zijn.
De toekomst is niets dan leegte.
Geniet dus, beste vriend,
van je jonge jaren,
haal je hart op aan de dagen van je jeugd.
Volg de wegen die je hart wil gaan,
gun je ogen wat ze wensen.
Maar onthoud bij alles wat je doet,
dat God je aan zijn oordeel onderwerpt.
Belast je hart niet met verdriet
en houd je lichaam krachtig,
want je jeugd en jonge jaren zijn al snel voorbij.
Gedenk daarom je schepper in de dagen van je jeugd,
voordat de slechte dagen komen
en de jaren naderen waarvan je zegt:
in deze jaren vind ik weinig vreugde meer.

Gedenk daarom je schepper,
voordat de zon verduistert,
de sterren en de maan niet langer stralen,
de lucht ook na de regen grauw van wolken wordt.
Gedenk je schepper,
wanneer het stof terugkeert naar de aarde,
weer wordt zoals het was,
wanneer de adem van het leven weer naar God gaat,
die het leven heeft gegeven.
Lucht en leegte, zegt Prediker,
alles is maar leegte.

Overweging:

Lieve mensen. Gaat u er maar eens even voor zitten, want ik heb een tamelijk zwaar thema voor deze overweging. Ik wil het namelijk met u hebben over de voorbereiding op de dood. Afgelopen week kreeg ik een uitgebreid invulboekje in handen, uitgegeven door de Ichthuskerk: daarin kon je uitgebreid alle gegevens noteren die van belang waren voor je begrafenis. De meeste begrafenisondernemers hebben ook iets dergelijks, en ik ken ook heel wat mensen die daar uitgebreid over hebben nagedacht en alles netjes hebben ingevuld. De meesten al wat ouder, maar soms ook jongeren. Heel nuttig allemaal, al vind ik persoonlijk dat je niet al te gedetailleerd zoiets als een rouwdienst moet willen regelen, geef de mensen die afscheid van je gaan nemen tenmínste de mogelijkheid om daar hun eigen accent aan te geven. Zíj zijn degenen die afscheid nemen, niet jij. Vaak bereiden mensen zich ook voor door allerlei zakelijke dingen alvast te regelen. Het komt nog maar zelden voor dat een partner alleen overblijft en geen flauw benul heeft hoe zij of hij een rekening moet betalen, om maar eens wat te noemen. Een ander aspect krijgt ook steeds meer aandacht: de wilsverklaringen, waarin je kan aangeven wat je wensen omtrent je levenseinde zijn. Of je gereanimeerd wil worden, dat soort dingen. De NvvE, ‘Nederlandse vereniging voor een vrijwillig levenseinde, levert keurig voorgedrukte exemplaren aan haar leden, voor mij een reden om lid te worden van die club. Die term ‘vrijwillig levenseinde’ is overigens tamelijk misleidend: het gaat veel meer om het recht van ongeneeslijk zieke mensen om te zeggen ‘en nu is het genoeg’. Daar zijn we nog lang niet over uitgepraat, en dat is maar goed ook. Alle medische ontwikkelingen hebben ons geweldig ver gebracht, maar het zorgt vaak ook voor een onnodige verlenging van een vreselijke lijdensweg. Dat moeten we, vind ik, juist als christen, niet willen.

Er zullen hier ook genoeg jongeren zitten, die denken: ‘voorbereiding op de dood?! Hallo, waar gáát dit over?! Daar ben ik nog even niet mee bezig’. Die oude man uit de bijbel, Prediker, zou het helemaal begrijpen, en lijkt het zelfs aan te moedigen:  ‘Geniet van het leven’, ‘vertrouw op de toekomst’, doe gewoon lekker je werk, en zit niet in over wat er ooit zou kunnen gebeuren, die tijd komt snel genoeg’, dat is zo ongeveer zijn boodschap. Voor hem geen wilsverklaringen, geen bankrekeningen en geen invulboekjes: nu hij zich als oude man voorbereidt op zijn komende dood, zoekt hij het in de hoek van de filosofie en de theologie: voor hem één en hetzelfde. Hij kijkt terug op zijn leven: - had het zin, betekenis? -  en vooruit naar de tijd dat hij er niet meer zal zijn: dat was in die dagen anders dan nu. In de tijd van het oude testament wás de mens zijn lichaam, dus als je lichaam stierf en begraven werd, belandde je in een soort donkere onderwereld, een slaaptoestand, zou je ook kunnen zeggen. Dagen van duisternis, noemt Prediker het. De adem, die God er ooit ingeblazen heeft, keert weer naar God terug, maar dat heeft nog maar heel weinig met de persoon te maken. Er zijn een paar uitzonderingen, mensen die volgens de bijbelverhalen met lichaam en al opgenomen zijn in de hemel, dat zijn Henoch, Mozes en Elia. Vandaar ook, dat Mozes en Elia later, in het nieuwe testament, vanuit de hemel naar Jezus konden afdalen, om met hem te spreken op de berg. Maar dat was veel later, en toen waren de ideeën al een heel stuk veranderd. Men geloofde in een opstanding, weliswaar nog steeds heel lichamelijk gedacht, en de diepe slaap maakte ook nog steeds deel uit van het verhaal: mensen zouden rusten in hun graf tot de dag van de opstanding, en dan allemaal tevoorschijn komen. Dat zou dan ook eindelijk de dag van de gerechtigheid zijn: alle boeven, die tijdens hun leven maar zo mooi hun gang leken te kunnen gaan, zouden dan eindelijk hun verdiende loon krijgen en gestraft worden in de hel. Maar voor de anderen was er dan een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waar iedereen eindelijk gelukkig kon zijn, en waar God eeuwig zou regeren.

Weer wat later, en die tendens zie je al komen in het nieuwe testament, gaat men steeds meer onderscheid maken tussen lichaam en ziel of geest. De ziel ‘woont’ in het lichaam, en vormt de verbinding met God. Na je dood verlaat je ziel het lichaam, en stijgt op naar God, waar hij ooit ook vandaan gekomen is. Een mens en een mensenleven is dus méér dan ‘lucht en leegte’, zoals de oude Prediker nog beweerde, een mens is via de ziel verbonden met God, en dus eeuwig. Het leven van een mens heeft dus altijd zin en betekenis, want het is een deel van God, dat hier op aarde geboren wordt, een kind van God, zoals christenen zichzelf ook noemen. Als mens mag je iets van het licht en de liefde van God hier op aarde vorm gaan geven, en dat is een heel geworstel, want het aardse is bepaald niet alléén maar mooi en licht en liefdevol. Maar, en dat is de boodschap die Jezus ons heeft meegegeven, het is de moeite waard. We mogen geloven dat het goede, dat het licht en de liefde van God, zal overwinnen, zoals hij dat zelf heeft laten zien met zijn eigen dood en opstanding. Al dat geworstel van ons, al die moeite en pijn, het is nooit voor niets, het is niet zinloos. En het komt goed.

Ja ja, zegt u nu misschien, dat waren allemaal mooie theorieën, maar hoe zit het nu echt? Iemand zei tegen me: ‘je kan maar beter niet over die dingen nadenken, en nergens in geloven, dat is wel zo gemakkelijk’. Daar zit wat in, natuurlijk. Maar houd je dat een leven lang vol? Komt niet voor iedereen, oud of jong, het moment dat je na gaat denken over je leven? Wat de zin ervan is, de betekenis? Dat je je afvraagt: ís dit het nu, of is er meer? Het heeft weinig zin om al die verschillende theorieën uit te gaan pluizen en proberen te beslissen of ze nu wel of niet waar zijn. Daar komt niemand uit. Maar je kan het wel van de andere kant benaderen. Als het waar is, dat ieder mens een eeuwige ziel heeft, verbonden met God, dan moet het mogelijk zijn om bewust contact te maken met die ziel van jou. Dat is ook precies wat er gebeurt, als mensen zich geestelijk voorbereiden op hun dood: ze maken contact met hun ziel, en via hun ziel met God. Ik heb daar het afgelopen jaar ontroerende voorbeelden van mee mogen maken. Mensen die zich steeds verder terugtrokken uit de wereld, steeds meer in de stilte kwamen, en daar de rijkdom van hun ziel ontdekten. Iemand zei: het lijkt wel alsof de scheiding tussen de hemel en de aarde steeds dunner voor me wordt, ik hoef me alleen nog maar over te geven, God wijst de weg’. Voor haar was de dood geen schrikbeeld, geen einde, maar werd het steeds meer iets om naar uit te zien, een nieuw begin.

Ik zou willen, dat meer mensen die geestelijke voorbereiding op hun dood serieus zouden nemen, maar dat het zo weinig gebeurt, heeft ook te maken met de manier waarop de kerk en de naaste omgeving daarmee omgaat. We zijn er vaak verlegen mee, weten ook niet hoe dat dan moet. Hoe maak je als mens contact met je ziel? Toch heeft de christelijke traditie, en eigenlijk alle godsdienstige tradities, een duidelijk antwoord: het is de stilte die naar de ziel voert, en daardoorheen naar God. Die stilte zijn we in ons drukke bestaan vaak kwijt geraakt, en daarmee verliest ons leven aan zin en betekenis, wordt God een ver en vreemd mysterie. Wie neemt nog dagelijks de tijd voor bezinning of gebed, of meditatie. We maken er vaak zo’n probleem van, wat je allemaal wel of niet zou moeten geloven, wel of niet moet doen, of iets nou wel of niet waar is - maar eigenlijk is het zo simpel. Eigenlijk hoeven we alleen stil te gaan zitten, een half uurtje per dag is al genoeg, om God een kans te geven. Dat kan je beschouwen als een geestelijke voorbereiding op de dood - en dat is het ook - maar het is voorál een geestelijke voorbereiding op het LEVEN. En dan zou je dat half uur kunnen beginnen met die prachtige gebedswoorden van Catherina Visser:

God, doe ons open voor dieper dan wij
Leer ons horen en zien met de ziel
nader ons in het holst van de nacht
Geef ons vleugels in het licht.
Amen.

Wij gedenken:

Wim Middelkoop

Hans Bosschaart

Thea van Zon-Schaareman

Piet de Vries

Jan Kamerling

Mien Kamerling

Piet Visser

Bertus Bak

Anny Ligthart-de Jong

Rob de Man.

Gebed:

Als u ons dragen kan
over de diepe grachten
van onze leegte en onze angsten heen
draag ons dan
voor eeuwig en altijd.

Als u de woorden kent
om antwoord te geven op die duizend vragen
over leven, over onszelf
over liefhebben en gelukkig worden,
praat dan met ons,
voor eeuwig en altijd.

Als u genezen kan wat omgaat in ons hart
aan onmacht, ontevredenheid
en onverwerkt verdriet
blijf dan naast ons staan,
voor eeuwig en altijd.

Als u vrede in ons hart kan planten
door geduldig te wachten en te hopen
tot het zaad van vrede in ons openbreekt
wacht dan op ons,
voor eeuwig en altijd.

Wij zijn niet groter, niet sterker dan u
wij weten niet alles, maar we danken u,
dat we dit werkelijk mogen weten:
we hoeven nooit alleen te vechten
of te huilen
we hebben elkaar, we hebben u
voor alle uren en alle dagen
voor altijd en eeuwig.
Help ons dit kinderlijke vertrouwen
Te vinden en te bewaren
Voor eeuwig en altijd.
 
 

Viering Elthetokerk 10 oktober 2010 (75 jaar VVP)

Kaars aansteken - tekst: Jung (geciteerd door vrijzinnig theoloog J.C.A.Fetter, 1940)

‘Indien een innerlijke ervaring uw leven gezonder, beter en completer maakt, zodat het meer voldoening geeft aan Uzelf en anderen, zeg dan gerust: dit is Gods genade’.

Verhaal voor de kinderen (vrij naar 'the Golden lotus and the gate sweeper', uit 'Fishing for the moon and other Zen Stories´, Lulu Hansen).

Er was eens, heel lang geleden, helemaal in China, een geweldig groot oud klooster, waar heel veel wijze mannen woonden. Ze deden de hele dag niets anders dan bidden en studeren om nóg wijzer te worden, en er gingen allerlei verhalen rond dat sommige van die wijze mannen wonderen konden doen, vooral de baas van het klooster was daar heel beroemd om geworden. Maar die bijzondere wijze man was al héél oud, en op een dag ging hij dood en moest er een opvolger komen. Dat was niet zo moeilijk, want er was een jonge man die ook al had laten zien dat hij heel wijs en heel bijzonder was. Hij werd de nieuwe baas van het klooster. Dat werd natuurlijk een groot feest, en toen het zover was, kwam een leerling helemaal opgewonden naar hem toe en zei: ‘wat gaat er gebeuren meester? We krijgen vast wel een teken uit de hemel vandaag! Weet u nog wat ze vertellen van uw voorganger? Toen die de baas werd, groeide er ineens in de tuin een hele serie echte gouden lotusbloemen!’ Vol verwachting keek hij zijn meester aan. Die dacht eens diep na en zei: ‘o ja, ik weet het al. Ik heb zojuist voor de deur de sneeuw weggeveegd.’

Schriftlezing: Efeziers 3: 14 / 4:16

Ik (Paulus) buig mijn knieën voor de Vader, die de vader is van elke gemeenschap in de hemelsferen en op aarde. Moge hij vanuit zijn rijke luister uw innerlijke wezen kracht en sterkte schenken door zijn Geest, zodat door uw geloof Christus kan gaan wonen in uw hart, en u geworteld en gegrondvest blijft in de liefde. Dan zult u met alle heiligen de lengte en de breedte, de hoogte en de diepte kunnen begrijpen, ja de liefde van Christus kennen die alle kennis te boven gaat, opdat u zult volstromen met Gods volkomenheid.
Aan hem die door de kracht die in ons werkt bij machte is oneindig veel meer te doen dan wij vragen of denken, aan hem komt de eer toe, in de kerk en in Christus Jezus, tot in alle generaties, tot in alle eeuwigheid. Amen.

Ik, die gevangen zit omwille van de Heer, vraag u dan ook dringend de weg te gaan die past bij de roeping die u hebt ontvangen: wees steeds bescheiden, zachtmoedig en geduldig, en verdraag elkaar uit liefde. Span u in om door de samenbindende kracht van de vrede de eenheid te bewaren die de Geest u geeft: één lichaam en één geest, zoals u één hoop hebt op grond van uw roeping, één Heer, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die boven allen, door allen en in allen is.
Aan ieder van ons is genade geschonken naar de maat waarmee Christus geeft. Daarom staat er: ‘Toen hij opsteeg naar omhoog, voerde hij gevangenen mee en schonk hij gaven aan de mensen.’ ‘Hij steeg op’ – wat betekent dat anders dan dat hij ook is afgedaald naar wat lager ligt, naar de aarde? Hij die is afgedaald is dezelfde als hij die opsteeg, tot boven de hemelsferen, om alles met zijn aanwezigheid te vullen. En hij is het die apostelen heeft aangesteld, en profeten, evangelieverkondigers, herders en leraren, om de heiligen toe te rusten voor het werk in zijn dienst. Zo wordt het lichaam van Christus opgebouwd, totdat wij allen samen door ons geloof en door onze kennis van de Zoon van God een eenheid vormen, de eenheid van de volmaakte mens, van de tot volle wasdom gekomen volheid van Christus. Dan zijn we geen onmondige kinderen meer die stuurloos ronddobberen en met elke wind meewaaien, met wat er maar verkondigd wordt door mensen die tot alles in staat zijn wanneer ze anderen listig en doortrapt op een dwaalspoor willen brengen. Dan zullen we, door ons aan de waarheid te houden en elkaar lief te hebben, samen volledig toe groeien naar hem die het hoofd is: Christus. Vanuit dat hoofd krijgt het lichaam samenhang, en wordt het ondersteund en bijeengehouden door alle gewrichtsbanden. Ieder deel draagt naar vermogen bij tot de groei van het lichaam, dat zo zichzelf opbouwt door de liefde.

Tweede lezing: (Uit ‘het nut van geloven’ Anne van der Meiden)

Het nut van het geloof is, dat ik er iets mee kan doen op grond van ervaringen van echtheid. Zulke ervaringen zijn:
- strikt persoonlijk (gestempeld door karakter, voorkeuren, leefomstandigheden)
- fragmentarisch (ze betreffen niet voortdurend alle terreinen van het leven)
- partieel (ze hebben te maken met delen van totale rijkdom van het geloof) en aan tijd en plaats gebonden.
Religieuze ervaringen glanzen soms hevig op en verbleken snel. We herinneren ons die wel en geven er het keurmerk van echtheid aan. Mensen weten wel wat echt en niet echt is als ze gaan duiden wat hen bewoog, inspireerde, aanzette, troostte.

Hoe kom ik daar nu aan, aan die religieuze ervaring?
In de eerste plaats betekent het beter opletten op je eigen gevoelens. Leren duiden wat je beleeft. Reflecteren op je emoties: wanneer voelde je iets en waarom en wat had je daar aan? Je werd ontroerd door iets, waarom eigenlijk? Je voelde je heftig aangesproken door iets: waarom? Wat doe je er mee? Kun je gevoelens ook weer oproepen? Door dezelfde muziek te draaien, datzelfde gedicht te lezen of nog eens naar dat schilderij te kijken? Of die intrigerende passage in de Bijbel nog eens te lezen?

In de tweede plaats moet je leren erkennen dat je een soort geloofsbezit hebt. Niet ‘onroerend goed’, maar soms ‘ontroerend goed’. Je moet hardop leren zeggen dat je het hebt, fragmentarisch, zwak en aangevochten, maar het ‘doet je wat’. Dat zeker weten: ‘het doet me wat’, moeten we ontwikkelen.
Ik ga er scherper op letten wat mij door bepaalde ernstige perioden heendraagt. Waar haal ik de moed vandaan? Wat steunt me? Wat grijp ik aan? Waarmee troost iemand mij het meest? Hoe beleef ik geluk eigenlijk?
Losse flarden van beleven moet ik leren samenvoegen tot een geloofsbezit dat ik ook raadplegen kan. Een data-bestand, waarmee ik leer omgaan, dat ik gebruiken kan als ik in soortgelijke situaties terecht kom.

In de derde plaats moet ik aanleren dat de dingen mij aangereikt worden, door God en de medemens of door iets anders dat ik macht geef buiten mijzelf. Ik moet stap voor stap leren geloven dat het niet allemaal uit mezelf komt, al komt het uit mezelf. Zeker, een beeld kan over je heen vallen, een herinnering kan je geweldig troosten en motiveren. Ik mag dat allemaal beleven als iets dat ‘van buiten’ komt en waar ik zeggenschap over krijg. Maar vooral: ik moet het als echt leren aanvaarden, als iets dat bestaat en vooral met mijn bestaan alles te maken heeft.

Tenslotte: ik kan het niet allemaal alleen. Nut beleef je met andere mensen samen. Dat noem je de gemeenschap der gelovigen.

Overweging:

75 jaar geleden begon het allemaal. Met een paar mensen, die zo graag op hun eigen vrijzinnige manier wilden geloven. Het geloof moet veel voor ze betekend hebben, want ze hadden er heel veel voor over. Het is niet niks, van de grond af een nieuwe kerkelijke gemeenschap opbouwen, zeker als het zóveel weerstand oproept in je naaste omgeving. Maar van die innerlijke drijfveren weten we niet zoveel. Wat was het fundament, hun basis? Ze hadden natuurlijk problemen met de bestaande kerken in Alblasserdam, zochten meer vrijheid, meer aansluiting bij de moderne tijd, wilden zich niet door anderen laten vertellen wat ze wel en niet mochten geloven. Dat is tot op de dag van vandaag een belangrijk kenmerk van onze gemeente, waarin we elkaar allemaal vinden. Maar daarmee ben je er nog niet. Een kenmerk is iets anders dan het fundament.

Het fundament van een kerk heeft hoe dan ook te maken met geloof. Maar ja, wat als iedereen zelf kan en wil uitmaken wat hij wel of niet gelooft? Hoe geef je dat fundament dan vorm? We hebben het onszelf behoorlijk moeilijk gemaakt zo. De meeste kerken doen het heel anders. Die kunnen precies op papier zetten waar ze met z’n allen in geloven, ze kunnen er een mooie Alphacursus van maken, een beginselverklaring als grondslag uitwerken, de oude geloofsbelijdenis op nalezen… niet eenvoudig allemaal, maar het kán. Voordeel: je weet precies waar je aan toe bent. Nadeel: je moet, als het eenmaal vaststaat, geen vraagtekens gaan zetten, in ieder geval niet hardop. In de Elthetokerk zitten heel wat van die mensen die ooit in zo’n kerk vragen gingen stellen, of, nog erger, er anders over gingen denken en opademden toen dat hier bleek te kunnen.

Voor die kerken zijn wij onbegrijpelijk. Hoe kan je nog spreken van geloof, als je de inhoud daarvan niet keurig op een rijtje kan zetten? Wat als je de bijbel ziet als een boek, een prachtig boek weliswaar, maar ook als een boek door mensen geschreven? Hun ervaringen kunnen ons geweldig veel leren over God, zeggen wij dan, maar hun verhalen zijn ook gekleurd door hun eigen tijd, hun eigen cultuur. In sommige opzichten zijn wij in de loop der eeuwen zelfs wijzer geworden. Voor ons geen slavernij meer, geen discriminatie van vrouwen, om maar eens wat te noemen. Dan kan je nog steeds heel veel inspiratie opdoen uit de bijbel, het kan nog steeds je geloof voeden en veranderen. Weten wij. Maar er is niets op tegen om ook kritisch te blijven, en zo nu en dan te zeggen: nee, hier ga ik niet in mee. Daar kunnen we eerlijk over zijn, want het levende bewijs, een vrouw die niet ‘zwijgt in de gemeente’, staat hier voor u. We hebben ook ervaren dat het behoorlijk wat moed vergt om zo op je eigen oordeel te vertrouwen. Om je geloof, je overtuigingen, je normen niet uit handen te geven aan een boek, of aan jouw kerk die dat boek uitlegt, maar zelf de verantwoordelijkheid te nemen. Toch kiezen we daarvoor, en dat hebben we echt niet helemaal zelf bedacht, we baseren ons wel degelijk op de bijbel, waarin vrijheid zo’n belangrijk sleutelbegrip is.

Zo komen we dus vanzelf bij een ander kenmerk van onze manier van geloven. Wij geloven in de menselijke vrijheid. Want, zeggen we dan, Jezus wilde geen brave volgelingen, hij wilde broers en zusters in het geloof. Vrije mensen, net als hij. Zonen en dochters van God, net als hij. We halen zijn niveau niet, ik tenminste niet, maar dat is weer een ander verhaal. Het is ook geen ramp, we kunnen er gelukkig altijd wat bijleren. Die vrijheid is zo fundamenteel, omdat het onlosmakelijk verbonden is met de liefde. Je kan een mens tot alles verplichten of dwingen, maar niet tot liefde. Die geef je, in vrijheid. Diezelfde vrijheid kan je natuurlijk ook allerlei andere kanten op laten zwieren, daarom staat in de bijbel de liefde op de eerste plaats. Geen enkele christen, vrijzinnig of niet, die dat betwist. Het gaat dus niet om vrijheid zonder meer, maar om een vrijheid 'geworteld en gegrond in de liefde' zoals Paulus dat zo mooi zegt.

Zo komen we al steed dichterbij dat fundament. Het geloof. Hoe je daar als vrijzinnige christelijke kerk mee om kan gaan. Er is een vrijzinnige stroming, die toch graag helderheid wil, en het daarom zoekt in de ethische hoek. Ethiek is natuurlijk in iedere kerk belangrijk. Hoe heb je je als mens te gedragen. Hoe ga je met elkaar om, met de wereld, de aarde. Daar kan je heldere standpunten over ontwikkelen, vanuit de christelijke traditie, je verstand en je geweten. Het is heel goed als we daar met elkaar over blijven praten, ook daar in gesprek met anderen een duidelijke eigen mening over te vormen. Ik vrees dat ik daarin zelf tamelijk simpel ben, ingewikkelde ethische redeneringen zijn niet zo aan mij besteed. Dat heeft te maken met een gebeurtenis, die mijn leven ingrijpend veranderd heeft. Op mijn achttiende, láng geleden dus, had ik midden in de nacht een indringende korte ervaring, een moment van contact met God. Dat contact was er altijd al wel, en is ook altijd gebleven, maar nooit meer zo diepgaand als toen. Zó diepgaand, dat ik wist: dit kan ik aan niemand uitleggen. het duurde dan ook 30 jaar, voor ik het er wel eens met anderen over had. Toen, lang geleden, was ik de dagen daarna helemaal blij, en dacht maar steeds: ‘nu weet ik wat liefde is’. Of ik het tot dat moment dan níet wist? Jawel, maar die goddelijke liefde is zoveel groter. Je kunt het vergelijken met een melodie: of je die hoort, gespeeld op een klein fluitje of door een groot orkest, dat maakt nogal wat verschil. Die mystieke ervaring heeft in ieder geval voor mij sindsdien de norm gesteld. Het is verbazend hoe gemakkelijk antwoorden op ethische vragen kunnen worden, als je ze beantwoordt met een zo liefdevol mogelijk hart. En al het andere aan die liefde ondergeschikt maakt. Liefde voor God, je naaste en jezelf. Dat noemt Jezus niet voor niets de samenvatting van alles wat er in bijbel en geloof te vinden is.

Voor sommige hedendaagse vrijzinnige theologen als Kuitert, Jonges en Hendrikse komt dat neer op ‘liefde voor je naaste en jezelf’. Zij doen hun best om mensen die met geen mogelijkheid meer in een hogere goddelijke werkelijkheid kunnen geloven uit te leggen dat God als menselijke ervaring nog steeds belangrijk kan zijn. Hendrikse zegt bijvoorbeeld: ‘als er iets gebeurt tussen mensen, dan krijgt God in die ene mens voor de andere een persoonlijke vorm’. We weten allemaal dat dat wáár is. Ik was deze week nog op bezoek bij een stel dat een paar maanden helemaal afhankelijk was van hulp van anderen. Hij zei: ‘Rini, jij praat wel eens over engelen, maar ik heb ze echt ontmoet, de laatste tijd’. En het was duidelijk dat die ervaring hem nog steeds ontroerde. Door dat met mij te delen gaf hij precies aan waarin wij, vrijzinnige christenen, elkaar vinden, wat ons fundament is. Onze ervaringen. Zo verschillend als we zijn, we willen niet zonder God leven. Sommigen duiden dat als wat zich aan ‘hogers’ afspeelt tussen mensen, voor anderen is God tegelijk ook een andere werkelijkheid die dit aardse overstijgt. Dat geldt voor mij, vanwege die indringende ontmoeting, lang geleden, en heel veel andere ervaringen in de tijd daarna. Nooit meer zo intens als toen, maar ach, een heel orkest op volle sterkte zou je ook niet altijd willen horen. Met een piccolofluitje ben ik al blij. En zo heeft iedereen zijn of haar verhaal, verhalen waarin we geraakt worden, contact maken met iets wat het gewone dagelijkse overstijgt, ons ontroert of kracht geeft.

Zo rond de tijd dat de Alblasserdamse VVP gesticht werd, schreef de vrijzinnige theoloog van Holk: ‘Geloofservaring (hij gebruikt het woord ‘mystiek’) erkent Gods aanwezige mysterie. Geloofservaring corrigeert een verstarrend geloof en verbindt mensen van verschillende belijdenis. Het is de hartader van de godsdienst die de oerervaring van de godsdienst weergeeft en alle geloof zijn warmte en gloed schenkt.’

Anne van der Meiden, praktisch als altijd, geeft achter in zijn boek ‘het nut van geloven’ een antwoord op de vraag ‘hoe kom ik daar nu aan, aan die ervaring’, u vindt dat terug in de liturgie, het was onze tweede lezing. Dat hoef ik nu dus niet te herhalen, u kunt dat altijd nog eens op uw gemak nalezen en erover nadenken. Ik vermoed dat we daar in het komende jaar, als we diepgaand in gesprek gaan over de toekomst van onze gemeente, nog wel op terug zullen komen. Dikke kans namelijk, dat we hier een belangrijk deel van het fundament gevonden hebben. Geloof, gebaseerd op ervaring. Uiteindelijk gaat het, hoe belangrijk het ook kan zijn, niet om wat anderen je vertellen, en niet om wat de bijbel vertelt, maar om die momenten, waarop je ineens zeker weet ‘dit heeft met God te maken’. Een ‘geloofsweten’, zegt van der Meiden, dat onderscheid kan maken tussen ‘wat ik me wijs maak’ en ‘wat mij wijs maakt’. Die momenten hoef je niet passief af te wachten, die kan je ook zoeken. Dat is het belang van zo’n gemeenschap als de onze, we zoeken God met elkaar, in de kerkdienst, en weer op een andere manier in de meditatie-uren, en weer op een andere manier op de koffie-ochtend, of bij welke activiteit we ook maar organiseren. Hoe je dan kunt weten dat God iets met die ervaringen te maken heeft? ‘Voor het ontvangen van goddelijke signalen kan je samen een radar ontwikkelen’ zegt van der Meiden. ‘Daar zal ook veel ruis bij zijn, maar op den duur houd je het echte, duurzame, steeds grenzeloos verblijdende over.’

Die blijdschap, daar wist Paulus al alles van. Hij had een ervaring gehad, waardoor zijn leven compleet ondersteboven gegooid werd, zo’n orkest-ervaring, zeg maar. En soms, zoals in die lezing van vanmorgen, schemert die ervaring er aan alle kanten doorheen. Zijn woorden zouden misschien de onze niet meer zijn, maar inspirerend blijft het, en met zijn lofzang wil ik graag eindigen:
‘Aan God die door de kracht die in ons werkt
bij machte is oneindig veel meer te doen
dan wij vragen of denken,
aan hem komt de eer toe,
in de kerk en in Christus Jezus,
tot in alle generaties,
tot in alle eeuwigheid.
Amen.’
 

 


 

Viering 3 oktober 2010 - doop Rowan Ammerlaan en Sofie Bogerman

Tekst bij het aansteken van de kaars:
Rowan en SofieOnze menselijke grootheid
ligt niet zozeer in het feit
dat we de wereld kunnen veranderen -
dat is een mythe van de moderne tijd.
Nee, die grootheid geeft ons de mogelijkheid
om onszélf te veranderen. (Mahatma Gandhi)

Lezing: Spreuken 8 - Wijsheid spreekt

Roept Wijsheid niet,
laat Inzicht haar stem niet horen?
Wijsheid heeft zich opgesteld op een heuvel langs de weg,
bij het kruispunt van de wegen.
Bij de poorten van de stad, bij de ingang,
bij de toegangswegen klinkt haar stem:
‘Mensen, tot jullie roep ik,
ik richt mij tot iedereen.
Onnozele mensen, word toch eens verstandig,
dwazen, denk eens na!
Luister, ik vertel je waardevolle dingen,
mijn woorden zijn oprecht.
Mijn mond verkondigt slechts de waarheid,
mijn lippen haten onbetrouwbaarheid.
Op mijn uitspraken kun je vertrouwen,
niets is vals en krom.
Wie inzicht heeft vindt ze duidelijk,
ze zijn eenvoudig voor wie kennis heeft verworven.
Stel mijn lessen boven zilver,
mijn kennis boven zuiver goud.
Wijsheid is kostbaarder dan edelstenen,
alles wat je ooit zou kunnen wensen
valt bij wijsheid in het niet.’

Ik, Wijsheid, ik woon bij Beraad,
door overpeinzing vind ik kennis.
Wie ontzag heeft voor God haat het kwaad.
Ik verafschuw trots en hoogmoed,
leugens en het kwaad.
Bij mij vind je beraad en overleg,
ik heb inzicht, ik heb kracht.
Door mij regeren koningen,
bepalen heersers wat rechtvaardig is.
Vorsten heersen dankzij mij,
ik laat leiders rechtvaardig regeren.
Wie mij liefheeft, heb ik ook lief,
wie mij zoekt, zal mij vinden.
Wat ik je geef is kostbaarder dan het zuiverste goud,
ik bied iets dat meer is dan het fijnste zilver.
Ik ga de weg van de rechtvaardigheid,
ik volg de paden van het recht
om rijk te maken wie mij liefheeft,
om zijn schatkamers te vullen.

God heeft mij vóór al het andere verworven,
toen hij zijn scheppingswerk begon, schiep hij eerst mij.
Ik ben in het begin gemaakt, nog voor alles er was,
nog voor de aarde vorm kreeg.
Toen er nog geen oceanen waren, werd ik voortgebracht,
nog voor de bronnen met hun waterstromen.
Toen de bergen nog niet waren neergezet, werd ik voortgebracht,
nog voor er heuvels waren.
De aarde en de velden had de Eeuwige nog niet geschapen,
geen korrel zand was nog gemaakt.
Ik was erbij toen hij de hemel zijn plaats gaf
en een cirkel om het water trok,
de wolken aan de hemelkoepel plaatste,
de oceanen bruisend op liet wellen,
toen hij aan de zeeën grenzen stelde,
het water met zijn woord zijn plaats gaf,
de fundamenten van de aarde legde.
Ik was zijn lieveling,
een bron van vreugde, elke dag opnieuw.
Ik was altijd verheugd in zijn aanwezigheid,
vond vreugde in zijn hele aarde
en was blij met alle mensen.
Nu dan, kinderen, luister naar mij,
gelukkig is een mens die op mijn wegen blijft.
Luister naar wat ik je leer, en word wijs,
negeer mijn lessen niet.
Gelukkig is elk mens die naar mij luistert,
dag in dag uit bij mijn woning staat,
de wacht houdt bij mijn deur.
Want wie mij vindt, vindt het leven,
en ontvangt de gunst van de Eeuwige.
Wie aan mij voorbijgaat, doet zichzelf veel kwaad,
wie mij haat, bemint de dood.

Overweging:
Twee weken geleden liep ik samen met de twee oudste kleinkinderen Timo en Noa hier naar de kerk, en hadden we onderweg een boeiend geloofsgesprek. We praatten over deze doopdienst, en ik vroeg: wat zal ik de mensen in de kerk dan gaan vertellen? Noa wist meteen het antwoord: ‘dat we allemaal kinderen van God zijn’. Ze keek eens naar mijn grijze haren en zei toen geruststellend: ‘Jij ook hoor, ook al ben je dan oma’. Ik was helemaal verrast en ook een beetje ontroerd. Ze bouwde er meteen een prachtig verhaal omheen, ik zag het haar ter plekke verzinnen, hoe ze als kind van God eerst bij God woonde in de hemel, en toen in mama´s buik kwam, en sindsdien ook een gewone papa had. ´Ja´, zei grote broer Timo, die daar zo zijn eigen gedachten over had, ´want God, die zie je nooit´. Dat negeerde ik maar even.´Wie heeft jou dat verteld Noa, dat we een kind van God zijn?’ Ik verwachtte half en half zoiets als ‘nou, dat wéét ik gewoon’, maar nee. ‘Dat heeft de piestor verteld, die kwam op school en toen gingen we allemaal naar het gymnastieklokaal’. ‘Nee joh, de pástor’ zei Timo. Piestor of pastor, zijn woorden hadden duidelijk indruk gemaakt.

Ik beloofde dat ik het zou vertellen vandaag. Dus bij deze. We zijn allemaal kinderen van God. Zelfs als je al wat ouder bent, zelfs als je God nooit ziet, en misschien zelfs betwijfelt of er wel zoiets als een God bestaat. Je bent nooit níet een kind van God.  Dat idee is ook een belangrijke basis voor de kinderdoop: het begint allemaal bij God, onze schepper, en zijn liefde voor ons. Daarom hoef je bij ons niet te wachten tot je volwassen bent en zelf ‘ja’ kan zeggen, om gedoopt te worden. Als baby word je niet alleen geboren als het kind van Karin en Jeroen, of Astrid en Martin, je komt ook op deze aarde als kind van God, en het water van de doop is daar een teken van. Dat teken is niet alleen belangrijk voor het kind, maar ook voor iedereen die erbij aanwezig is. Het helpt ons om er weer even bij stil te staan. Je af te vragen hoe het ook alweer zit. Heb je er nog iets mee, met dat hele idee ‘een kind van God’ te zijn? En wat betekent dat dan eigenlijk? Misschien geeft iedereen daar wel weer, net als Noa, zelf een invulling aan. Voor mij is het altijd een stimulans geweest - en nóg. Ik ben een kind van God, een kind van het Licht, en daar blijf ik altijd mee verbonden, hoe zwaar het leven ook kan zijn. Dat betekent, dat je in koude tijden de liefde en de warmte in je eigen hart kan opzoeken en uitdragen, omdat je weet dat je dat als kind van God nooit kwijt zal raken, ook al is het even bedolven geraakt onder van alles en nog wat. Kind van God zijn, betekent ook dat je altijd contact kan maken met Hogerhand, mag weten dat er op je gelet wordt, van je gehouden wordt, naar je geluisterd wordt. Sommige mensen maken daarvan, dat elk gebed verhoord moet worden - maar zo werkt het dan weer níet. Je wordt wel altijd GEhoord, maar dat is niet hetzelfde. Wie steeds meer groeit in dat besef een kind van God te zijn, die zal ook steeds beter leren zich over te geven aan de wil van God, omdat daar het diepste geluk ligt van een mens. Over al die zinnetjes die ik nu uitspreek, zou ik een hele preek kunnen houden, maar ja, dan moeten jullie zo vaak terugkomen, dus ik houd het maar even kort.

Ooit kreeg ik een boos mailtje van een journalist die mijn boek gelezen had. Hij was overtuigd atheïst  en voelde zich als ongelovige absoluut niet serieus genomen door mij, omdat ik ook daarin al vrolijk beweerde dat we allemaal kinderen van God zijn, of we ons dat nu bewust zijn of niet. Toen drong eigenlijk pas tot me door hoe pedant dat moest klinken.

Nu bén ik natuurlijk ook behoorlijk eigenwijs en overtuigd van mijn eigen gelijk, maar ik ben niet voor niets ook vrijzinnig: iedereen heeft recht op een eigen mening, niemand heeft de waarheid in pacht, zelfs een dominee niet, sterker nog: zelfs ík niet ? Dus ik heb hem teruggemaild dat het me speet, en dat ik dat zinnetje zou veranderen. Er staat nu ‘volgens míj zijn we allemaal kinderen van God’. Een subtiel verschil. Daarmee is het geen algemene waarheid meer, maar míjn waarheid, die kan verschillen van de zijne, of de jouwe. Maar toch sta ik hier op een preekstoel, en wil ik vertellen van die vaderlijke liefde van God voor ieder mens. Niet om je mijn gelijk op te dringen, maar om een ervaring te delen die een wezenlijk verschil heeft gemaakt in mijn leven. Als het goed is, draait het daar in de kerk vooral om. Het delen van ervaringen. Daar kan een ander misschien weer zijn of haar voordeel mee doen. Als die dat wil. We worden alleen maar wijzer als we iets van elkaar willen leren, toch? Het wordt pas interessant als je elkaar vertelt wat het voor je betekent, ‘kind van God zijn’. Daarom begon ik ook met mijn eigen ervaringen daarmee. Maar het blijft oppassen: maar al te vaak is het geloof gebruikt om te manipuleren en te overheersen, en een ander jouw gelijk op te dringen - die journalist werd niet voor niets kwaad.

En toch, en toch is dat geen reden om het maar helemaal te laten zitten, integendeel. Er zit, hoe je het ook wendt of keert, een levende kern in, een kern die mensen altijd weer raakt, in beweging brengt.  Mensen hebben iets ontdekt, iets beleefd, en dat ‘iets’ stijgt boven het gewone dagelijkse uit, daarom krijgt het de verzamelnaam ‘God’. Er is ‘iets’, zeggen we dan, zodra je erover gaat praten of het probeert uit te leggen klopt het al niet meer, dus voorzichtig ermee, maar ja, een mens moet wat, dus laten we eens beginnen met dat ‘iets’ ‘God de Vader’ noemen. Niet altijd, en als het voor jou niet klopt moet je dat beeld gauw veranderen, maar meestal staat een ‘vaderbeeld’ voor bescherming, voor liefde, voor wijsheid. En als je dat wilt, kan je die Vader opzoeken. Je bent niet alleen, er is een liefdevolle hogere macht waar je op kan vertrouwen, die je wijzer wil maken, gelukkiger, vrijer. Voor sommigen is dat vaag en bij tijd en wijle onzeker, anderen raken er zo vol van, dat ze het verhaal aan iedereen willen vertellen, en zo ontstaat een bijbel vol verhalen, zo ontstaan kerken. Het is belangrijk om die ervaringen, hoe gebrekkig ook, toch aan elkaar door te blijven geven. Daarom is het ook zo fijn dat jullie hier zijn om je kind te laten dopen. Zo gaan ze zichtbaar deel uitmaken van de geschiedenis die God met mensen gaat. Dat is in hun namen ook al terug te horen: bij Rowan in zijn tweede naam, Lucas, genoemd naar de schrijver van het derde evangelie. Er wordt gezegd dat die oude naam ‘een geduldig persoon’ betekent. Sofie kwamen we al tegen in de lezing, als vrouwe wijsheid. Sofia is het Griekse woord voor wijsheid, en deze Sofia is nauw met God verbonden, ze was er al bij toen de wereld geschapen werd. Ze eindigt haar verhaal zo:
Ik was altijd verheugd in zijn aanwezigheid,
vond vreugde in zijn hele aarde
en was blij met alle mensen.

Volgens Sofia was die schepping dus een fantastisch, vreugdevol gebeuren, en eigenlijk kunnen we dat bij iedere geboorte weer beamen. Er is niets mooiers dan de geboorte van een kind, een nieuwe schepping, en mogen geloven dat de schepper van hemel en aarde en van ons mensen tegelijk ook een liefdevolle vader wil zijn, die altijd met ons verbonden is, en ons wil leren hoe we werkelijk mens kunnen zijn: een mens die met vallen en opstaan een leven lang groeit naar het licht, in wijsheid, in liefde, en in vertrouwen. Amen.

Inleiding op de doop:
Vandaag gaan we Rowan en Sofie dopen. De doop is een teken van verbondenheid, Rowan en Sofie zijn niet alleen op de wereld, zij horen niet alleen bij hun ouders en familie, maar zij horen ook bij de kerk, bij God.

Bij de doop wordt de naam van God in drie namen, die van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, verbonden met de naam van het kind. De vader, die onze schepper is, de zoon Jezus Christus, die hier op aarde liet zien hoe God en mens met elkaar verbonden zijn, en de Heilige Geest, dat is de kracht die van God uitgaat en mensen in beweging zet. Die drie namen zijn samen het teken van het allerhoogste, van vertrouwen, hoop en liefde. Hoe dieper je dat zelf voelt en ervaart, des te meer zal het teken spreken en werken, voor jullie, voor je kinderen - en voor ons allemaal.

Bij dopen wordt water gebruikt.
Water kan op talloze manieren een symbolische betekenis krijgen.
Ten eerste is water symbool voor de stroom van het leven. Leven staat nooit stil, het is altijd in beweging, soms is het onstuimig en soms kabbelt het rustig voort. Wij mogen ons met die stroom mee laten voeren. In ieder mensenleven zijn er ook wel momenten, dat je het gevoel krijgt bijna kopje-onder te gaan. De doop beeldt uit dat de mens er dan op mag vertrouwen uit de diepte getrokken te worden, en weer getroost verder mag leven.

Ten tweede is water symbool voor reinigen, schoonmaken. Als Rowan of Sofie in de toekomst  iets verkeerds zullen doen, mogen zij weten dat je daar niet in hoeft te blijven hangen. Schoongewassen door het water van de doop betekent, dat je altijd weer een nieuwe start mag maken.

Ten derde is het water symbool voor de stromen van zegen, die we mogen ervaren in ons leven, in de verbinding met God. Dat geeft ons kracht als we zwak zijn, en moed als we bang zijn. We mogen altijd weten dat we geliefde kinderen van God zijn, en daarom zijn we blij met wat nu komt: de doop van Rowan en Sofie.

Doopgebed

Eeuwige God, wij danken u, voor dit vrolijke moment
voor het beleven van dit teken: de doop van Rowan en Sofie.
U was er altijd bij, vanaf het begin:
toen de wereld ontstond / het grote heelal zijn vorm kreeg
de eerste mensen geboren werden
het eerste woord gesproken  - de liefde ontdekt
de bloemen hun eerste geur afgaven
rivieren hun bedding vonden.
U was erbij
toen het volk Israel besloot u te zoeken
steeds maar weer verdwaalde
en het toch niet opgaf.
U was erbij
toen Jezus rondtrok
u zijn vader noemde
en ons zijn broers en zusters:
elke stap, elke ontdekking, elke uitvinding en elke mislukking:
u bent erbij
en laat ons nooit in de steek.
In dat vertrouwen mogen we leven
onze eigen fouten maken
onze eigen weg zoeken
soms juichend, soms huilend,
maar altijd in uw aanwezigheid
en in verbondenheid met elkaar.
In dat vertrouwen
dragen wij Rowan en Sofie aan u op
samen met hun ouders, grootouders,
familie, vrienden
samen met alle mensen
hier in de kerk,
gedoopt of ongedoopt
samen met deze wereld,
uw schepping - tot in eeuwigheid, Amen.
 
 

VIERING ELTHETOKERK PINKSTEREN 23 mei 2010

Kaars aansteken,
tekst: Al licht ben jij (Hein Stufkens)

Die mens en melkweg bindt,
al licht ben jij
mij heilig.

Voor niets ben ik
en nergens veilig,
tenzij

jouw stem
in mij
zijn luister vindt.

Eerste schriftlezing: Handelingen 1: 1-14
[1] 1 In mijn eerste boek, Theofilus, heb ik de daden en het onderricht van Jezus beschreven, 2 vanaf het begin tot aan de dag waarop hij in de hemel werd opgenomen, nadat hij de apostelen die hij door de heilige Geest had uitgekozen, had gezegd wat hun opdracht was. 3 Na zijn lijden en dood heeft hij hun herhaaldelijk bewezen dat hij leefde; gedurende veertig dagen is hij in hun midden verschenen en sprak hij met hen over het koninkrijk van God.
4 Toen hij eens bij hen was, droeg hij hun op: ‘Ga niet weg uit Jeruzalem, maar blijf daar wachten tot de belofte van de Vader, waarover jullie van mij hebben gehoord, in vervulling zal gaan. 5 Johannes doopte met water, maar binnenkort worden jullie gedoopt met de heilige Geest.’ 6 Zij die bijeengekomen waren, vroegen hem: ‘Heer, gaat u dan binnen afzienbare tijd het koningschap over Israël herstellen?’ 7 Hij antwoordde: ‘Het is niet jullie zaak om te weten wat de Vader in zijn macht heeft vastgesteld over de tijd en het ogenblik waarop deze gebeurtenissen zullen plaatsvinden. 8 Maar wanneer de heilige Geest over jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen en van mij getuigen in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, tot aan de uiteinden van de aarde.’
9 Toen hij dit gezegd had, werd hij voor hun ogen omhooggeheven en opgenomen in een wolk, zodat ze hem niet meer zagen. 10 Terwijl hij zo van hen wegging en zij nog steeds naar de hemel staarden, stonden er opeens twee mannen in witte gewaden bij hen. 11 Ze zeiden: ‘Galileeërs, wat staan jullie naar de hemel te kijken? Jezus, die uit jullie midden in de hemel is opgenomen, zal op dezelfde wijze terugkomen als jullie hem naar de hemel hebben zien gaan.’
12 Daarop keerden de apostelen van de Olijfberg terug naar Jeruzalem. Deze berg ligt vlak bij de stad, op een sabbatsreis afstand. 13 Toen ze in de stad waren aangekomen, gingen ze naar het bovenvertrek waar ze verblijf hielden: Petrus en Johannes, Jakobus en Andreas, Filippus en Tomas, Bartolomeüs en Matteüs, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon de IJveraar en Judas, de zoon van Jakobus. 14 Vurig en eensgezind wijdden ze zich aan het gebed, samen met de vrouwen en met Maria, de moeder van Jezus, en met zijn broers.

Tweede schriftlezing: Handelingen 2 : 1 - 13

De komst van de heilige Geest
[2] 1 Toen de dag van het Pinksterfeest aanbrak waren ze allen bij elkaar. 2 Plotseling klonk er uit de hemel een geluid als van een hevige windvlaag, dat het huis waar ze zich bevonden geheel vulde. 3 Er verschenen aan hen een soort vlammen, die zich als vuurtongen verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten, 4 en allen werden vervuld van de heilige Geest en begonnen op luide toon te spreken in vreemde talen, zoals hun door de Geest werd ingegeven.
5 In Jeruzalem woonden destijds vrome Joden, die afkomstig waren uit ieder volk op aarde. 6 Toen het geluid weerklonk, dromden ze samen en ze raakten geheel in verwarring omdat ieder de apostelen en de andere leerlingen in zijn eigen taal hoorde spreken. 7 Ze waren buiten zichzelf van verbazing en zeiden: ‘Het zijn toch allemaal Galileeërs die daar spreken? 8 Hoe kan het dan dat wij hen allemaal in onze eigen moedertaal horen? 9 Parten, Meden en Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judea en Kappadocië, mensen uit Pontus en Asia, 10 Frygië en Pamfylië, Egypte en de omgeving van Cyrene in Libië, en ook Joden uit Rome die zich hier gevestigd hebben, 11 Joden en proselieten, mensen uit Kreta en Arabië – wij allen horen hen in onze eigen taal spreken over Gods grote daden.’ 12 Verbijsterd en geheel van hun stuk gebracht vroegen ze aan elkaar: ‘Wat heeft dit toch te betekenen?’ 13 Maar sommigen zeiden spottend: ‘Ze zullen wel dronken zijn.’

Overweging:

Lieve mensen. Wat rollen we toch van het ene feest in het andere. Twee weken geleden de oecumenische dienst met moederdag, en nu dan weer Pinksteren. Ik las een artikeltje ergens, waarin een verhaal stond over de herkomst van moederdag: dat was van oorsprong christelijk, maar ja, nu natuurlijk niet meer, nu vierde men het overal. Ik moest er om lachen, want nee, wij weten nou toevallig dat moederdag ongeveer als enige níet van christelijke oorsprong is… Hemelvaart en Pinksteren dus weer wel. Al zijn het tegenwoordig vooral vakantie-weekenden. Ook voor heel veel kerkmensen. Dus een extra welkom voor u, fijn dat u niet met vakantie bent, want nu kunnen wíj samen het oude pinksterfeest in ere houden, en dat is belangrijk. Ik hoop u in ieder geval uit te leggen waaróm het belangrijk is.

En dan moet ik beginnen met hemelvaartsdag. Ja, daar aarzelde ik eerst wel over, want lieve help, hémelvaartsdag. Wat moet ik als vrijzinnige dominee nu toch met een opgestane Jezus die opstijgt naar de hemel. Het is en blijft een mooi verhaal, het heeft ook eeuwenlang prachtige schilderijen opgeleverd. En dat is het dan ook voor de meeste mensen: een mooi beeld, geen realiteit. Geen idee hoe lang het geleden is dat u het verhaal in deze kerk hoorde voorlezen, waarschijnlijk al héél lang (maar nee, onmiddellijk klinken er stemmen in de kerk: het blijkt door gastpredikant Isabelle Scholten vorige week nog gelezen!).

Jezus verdween. Dat is wel de kern van het verhaal. Hoe dat ging, we hebben geen idee, we weten wel dat we het nu niet meer zo zouden omschrijven als Lucas dat in Handelingen doet. Voor zijn tijdgenoten moet het in ieder geval een aanvaardbaar verhaal zijn geweest. Zij stelden zich nog een hemel voor ergens boven de wolken, bevolkt door God en zijn engelen, dus klonk zo’n wolk die hem opnam heel aannemelijk. Als je het op een hedendaagse manier zou moeten vertellen, dan zou je iets uit kunnen gaan leggen over Jezus, die na zijn dood een tijd lang aan zijn leerlingen is verschenen in een nieuwe vorm, die leek op zijn oude lichaam, maar geestelijk was, van een andere materie, een lichaam dat door dichte deuren en muren kon, dat kon verschijnen en verdwijnen. Hij was dezelfde, maar tegelijk zo anders dat hij soms niet eens herkend werd, zoals bij de Emmaüsgangers. Een geestesverschijning dus, zoals er de hele geschiedenis door verhalen zijn over verschijningen van engelen, of overledenen. En toch ook weer anders, want we moeten natuurlijk niet denken dat we precies kunnen begrijpen hoe het zit, toen niet en nu nog steeds niet. Maar dat is nog geen reden om niet naar verklaringen te zoeken, tenzij je kortweg besluit dat het allemaal verzinsels zijn en het daarbij houdt. Dat moet iedereen zelf beslissen, maar een beetje jammer is het wel, want zelfs als die verhalen ontspruiten uit een rijke verbeelding, zitten er  werelden van ervaring achter, die nog altijd van grote invloed zijn op onze hele christelijke beschaving. Hoe het ook zij, na korte tijd komt er een einde aan die verschijningen. Het aardse leven van Jezus is definitief voorbij. Met een prachtig hemelvaartverhaal, maar toch - hij is weg.

Dat betekent trouwens niet dat er helemaal nooit meer een verschijning zou zijn gemeld, niet veel later ziet Paulus Jezus, al is er dan wel duidelijk iets veranderd: Paulus ziet Jezus in een visioen, een soort droombeeld zeg maar, terwijl de anderen die met hem meereizen alleen maar verbijsterd kunnen toekijken hoe Paulus van zijn paard afvalt en daarna volkomen sprakeloos is. Dat soort visioenverhalen vind je vaak, de hele kerkgeschiedenis door, maar het blijft altijd helder, dat Jezus niet meer van deze aarde is. Hij bevindt zich voor altijd, om het in Bijbelse termen uit te drukken, ‘aan Gods rechterhand’. In bovenaardse sferen, al blijft hij betrokken bij deze aarde.

Dus laten we maar weer snel terug gaan naar vaste aardse grond, naar de leerlingen die zich realiseerden dat Jezus, hun meester, nu toch echt definitief en voor altijd verdwenen was. Ze konden niet meer met hem in gesprek, ze konden hem geen vragen meer stellen, niet meer op hem leunen, zich niet meer achter hem verschuilen… van nu af aan moesten ze het toch echt alleen doen. Hier wordt het ineens herkenbaar, vindt u ook niet? Dat is zo ongeveer het geloofsleven zoals wij dat ons levenlang kennen. Het gevoel dat je er alleen voor staat. Misschien ben je regelmatig in contact met een prima groep mensen, zoals wij hier, maar toch, op beslissende momenten, juist als je het zo nodig hebt, alleen. Ik weet niet of de leerlingen toen ook aan het bestaan van God zelf getwijfeld hebben, waarschijnlijk wel, ze waren er menselijk genoeg voor. En hoe Jezus in het hele geloofsverhaal paste, daar zullen ze nog alle eeuwen daarna over bezig blijven - het verhaal is nooit af. Maar dit zijn de dagen, zo tussen hemelvaart en Pinksteren, dat ze alles zijn kwijtgeraakt. Wat overblijft zijn de herinneringen - en in hoeverre zijn die verhalen betrouwbaar - en de hoop. En ook dat is herkenbaar, tenminste, dat hoop ík dan. Zonder hoop kunnen we wel met z’n allen op vakantie, dan kunnen we elke kerkdienst wel afschaffen. Kerkdiensten zijn er vooral om de hoop te voeden. Het is een onzekere factor, die hoop, dat is waar. We durven vaak niet eens met zekerheid te zeggen dat het ergens op slaat, die hoop, stel je voor, dat je buurman vraagt ‘waarom ga je eigenlijk naar een kerk’ en dat jij dan zegt ‘vanwege de hoop’. ‘Waarop?’ vraagt hij dan meteen nieuwsgierig. En dan begin je wat te stotteren, want je weet het allemaal ook niet zo precies. En de buurman wandelt schouderophalend terug naar zijn caravan. Eindeloos vakantie vieren lijkt een zekerder weg naar een gelukkig leven. Maar gek genoeg klopt dat niet met de praktijk. Nergens zijn mensen zo depressief als in de landen met de meeste welvaart. Die hoop, die is essentieel, de leerlingen van toen zullen het zeker beamen, maar ze vertellen er wel bij dat die hoop bevochten moet worden. Je moet er wel wat voor dóen, zeg maar.

Zelf kwamen ze bij elkaar om te bidden. En elkaar verhalen te vertellen, die evangeliën kwamen natuurlijk niet uit de lucht vallen, het begon met verhalen, herinneringen. Dat is dus zo ongeveer wat wij ook doen, op zondag. En blijven doen, dat geldt tenminste voor de meesten hier, iedere zondag weer. Tenzij je natuurlijk heerlijk op vakantie gaat, of een lang studieverlof in de schoot geworpen krijgt, het is ons allen van harte gegund, maar daar hebben we het nu even niet over. We komen naar de kerk, niet omdat we zo geweldig gelovig zijn, maar omdat we, zelfs in tijden dat het leeg en verlaten voelt, blijven hopen. En dáár gaat het om. Want dáármee scheppen we, zonder het goed te beseffen, ruimte voor de Geest. Die eerste keer, voor de leerlingen, was dat een geweldige gebeurtenis, nog nooit in de geschiedenis was het voorgekomen dat doodgewone mensen ineens voelden dat God er was, dat een Goddelijke geest verbonden was met de hunne, dat ze zomaar een moment boven zichzelf uit konden stijgen, dingen konden die ze niet voor mogelijk gehouden hadden, dingen wisten die ze nooit geweten hadden.

Jezus had het al aangekondigd, en nu ontdekten ze wat het inhield: ze hadden geen aardse meester, geen tussenpersoon meer nodig, er was geestelijk contact, je kon het niet afdwingen, maar je kon je er wel voor openstellen, door te blijven hopen, te blijven bidden. En met het creëren van díe ruimte maak je ruimte voor de Geest. Zo simpel is het. Lucas heeft er in het boek Handelingen een spectaculair verhaal van gemaakt, en daardoor hebben we misschien wel veel te grote verwachtingen van die Heilige Geest gekweekt. Vuur en stormwinden, spreken op een manier dat de hele wereld je verstaat… ik zie het niet zo gauw gebeuren. Maar de werking van de Geest zien we elke dag gebeuren, als je maar weet waar je moet kijken. In de kerk en daarbuiten. Overal waar een mens kiest voor liefde, voor respect, voor onbaatzuchtigheid, voor gerechtigheid, voor waarheid… daar is de Geest aanwezig. Overal waar mensen bidden, zich openstellen voor het Goddelijke, voor het licht - daar is de Geest allang aan het werk. Voor de evangelist Johannes, de man die het meeste spreekt over de Geest, is het ook de normaalste zaak van de wereld. Hij heeft maar één zinnetje nodig, zo en passant tijdens de eerste verschijning van Jezus na Pasen aan zijn leerlingen: Jezus blies over hen heen en zei: ‘Ontvang de heilige Geest’. That’s it. Pasen en Pinksteren op één dag. Merkten de leerlingen daar verder iets van? Johannes vertelt er niets over. Daar gaat het ook niet om. Het ging om die hoop, weet u nog wel. Dat is wat gelovigen doen: we vertrouwen er gewoon op. Dat die geest er is. In ons. Dat we nooit los zijn van God. En dat we, als we die hoop serieus nemen, de juiste keuzes weten te maken in het leven. Daarom heet het een geest van wijsheid te zijn. En dat we, als we die hoop serieus nemen, niet in depressiviteit of eenzaamheid hoeven te blijven steken. Want de Geest van God, de Geest van liefde, is deel van jou. Ook als je het even niet merkt, kan je erop hopen, erop vertrouwen, en je ernaar richten.
In stilte werkt de Geest van God,
stuwt voort met zachte krachten,
een wijze moeder die ons hoedt,
een bron van goede machten.
Zij geeft ons moed om door te gaan,
doet mensen weer elkaar verstaan,
omgeeft ons als een mantel.
Amen.
 

 

 
 
 

Viering Elthetokerk 25 april 2010 ´leer ons vliegen´

Kaars aansteken
tekst: Nooit vliegt een vogel te hoog,
als hij maar met eigen vleugels vliegt

Verhaal voor de kinderen:
Het meisje dat kon vliegen

Er was eens een meisje dat kon vliegen. Zomaar. Ze nam een aanloop, spreidde haar armen en vloog omhoog. Ze wist waar ze vandaan kwam, ze wist waar ze heen ging, zij wist àlles.

Op een dag, hoog in de lucht, keek ze om zich heen en zag niemand. Ze was alleen. Ze keek naar beneden: daar waren de mensen waar ze van hield, met beide benen op de grond. Sommigen keken omhoog - maar als ze vrolijk zwaaide, zwaaiden ze niet terug, maar keken van haar weg. Het meisje begon zich verdrietig te voelen, en bang. Misschien is het verstandiger, voortaan alleen in het donker te vliegen, als niemand me ziet, dacht ze nog. Ze vloog steeds minder. Ach, lopen kan óók. En méélopen betekent dat je er bij hoort, dat ze tevreden over je zijn.

Al gauw weet ze nauwelijks meer, dat ze, ééns kon vliegen. Ze is net als alle andere mensen geworden. Maar soms, als ze alleen is, voelt ze verlangen naar........ ja, naar wat? Ze weet het niet. Ze weet niets.

De mensen vertellen haar soms verhalen, over een jongen die kon vliegen, vrij als een vogel. Vanuit de lucht had hij geroepen: ‘Kom, kom ook, doe net als ik!’ Maar de mensen wilden niet. Ze hadden de jongen naar beneden getrokken, hem op de grond vastgenageld. Maar die jongen was sterker dan alle mensen, hij vliegt opnieuw, hoger dan ooit, en roept: ‘Kom, kom ook, doe net als ik!’ Maar het meisje kan niet. Ze kan niets. Ze laat zich zachtjes in slaap wiegen, slapen, laat me slapen..... het is nacht.

Op een dag wordt ze wakker. Niet zo vlug hoor, nee, heel langzaam. Ze doet voorzichtig haar ogen open, en kijkt om zich heen. Ze kijkt ook naar binnen. Ziet het verlangen, het verdriet. Gauw kijkt ze de andere kant op, gaat ijverig aan het werk. Op zoek naar mensen die haar gelukkig zullen maken, naar boeken die haar wijs zullen maken. Ze loopt van de één naar de ander, van hier naar daar: ‘Help me toch’, smeekt ze, ‘help me toch’..... maar niemand ziet haar.

Dan kijkt ze toch naar binnen. Alleen. En zoekt en zoekt... en herinnert zich. ZIJ KON VLIEGEN. Maar nu niet meer. Ze neemt een besluit: ze zal niet rusten, vóór ze weer vliegen kan. Het opnieuw-leren-vliegen beheerst voortaan haar leven. Ze hoort de stem van die jongen, hoog in de lucht. Ze ziet andere mensen, ver weg, die het óók kunnen. Ze ontmoet meisjes en jongens, die net als zij, ook willen leren vliegen. Ze helpen elkaar, spreken elkaar moed in, houden elkaar wakker. Het meisje oefent en oefent... Het lukt nog niet altijd, maar dat is niet erg. De herinnering blijft, en het vertrouwen groeit:

Eens zal er een meisje zijn, dat kan vliegen.
Zomaar.
Ze neemt een aanloop, spreidt haar armen,
en de wind zal komen en haar meenemen.
Niemand zal weten waar ze vandaan komt,
niemand zal weten waar ze naar toe gaat.
zíj weet het: Ze zal naar huis gaan.

Schriftlezing : Jesaja 40 : 27-31

Jakob, waarom zeg je – Israël, waarom beweer je:
‘Mijn weg blijft voor de EEUWIGE verborgen,
mijn God heeft geen oog voor mijn recht’?
Weet je het niet? Heb je het niet gehoord?
Een eeuwige God is de Heer,
schepper van de einden der aarde.
Hij wordt niet moe, hij raakt niet uitgeput,
zijn wijsheid is niet te doorgronden.
Hij geeft de vermoeide kracht,
de machteloze geeft hij macht in overvloed.
Jonge strijders worden moe en raken uitgeput,
zelfs sterke helden struikelen,
maar wie hoopt op de EEUWIGE krijgt nieuwe kracht:
hij slaat zijn vleugels uit als een adelaar,
hij loopt, maar wordt niet moe,
hij rent, maar raakt niet uitgeput.

Toen ik bezig was met het thema van deze dienst, dacht ik meteen aan het lied dat we straks gaan horen, gezongen door Bette Middler. Het is zeker geen religieus lied, het gaat gewoon over een beroemde vrouw, die een vriend of echtgenoot heeft die voor háár heel belangrijk is, maar voor de wereld onzichtbaar, altijd op de achtergrond. Toch is het, althans voor mij, helemaal niet zo moeilijk om in grote delen van deze tekst ook de relatie tussen mens en God te herkennen. God, onzichtbaar op de achtergrond in ons gewone dagelijkse leven, maar tegelijk is God de ‘wind beneath my wings’, de wind onder onze vleugels, zonder die wind zouden we niets zijn. Bette Midler...

Wind beneath my wings (song Bette Middler)

It must have been cold there in my shadow,          Het moet koud geweest zijn, in mijn schaduw
to never have sunlight on your face.                       nooit zonlicht op je gezicht..
You were content to let me shine,                            je was tevreden met mij te laten schijnen,
that's your way                                                       dat is jouw manier
You always walked a step behind.                          je liep altijd een pas achter me

So I was the one with all the glory,                       Dus ging ik met de eer strijken
while you were the one with all the strength.        terwijl jij degene was met al de kracht
A beautiful face without a name for so long.      een mooi gezicht, zo lang zonder naam
A beautiful smile to hide the pain.                       een mooie lach om de pijn te verbergen

Did you ever know that you're my hero,              (refrein) Weet je dat jij mijn held bent
and everything I would like to be?                       alles wat ik zou willen zijn
I can fly higher than an eagle,                              ik kan hoger vliegen dan een arend
for you are the wind beneath my wings.              want jij bent de wind onder mijn vleugels.

It might have appeared to go unnoticed,           Het leek misschien ongemerkt te blijven
but I've got it all here in my heart.                     maar ik heb het allemaal hier in mijn hart
I want you to know I know the truth,.                Ik wil dat je weet dat ik de waarheid ken
of course I know it                                             natuurlijk ken ik die
I would be nothing without you.                        ik zou niets zijn zonder jou.

Oh, the wind beneath my wings.                                de wind onder mijn vleugels
You, you, you, you are the wind beneath my wings. jij bent de wind onder mijn vleugels
Fly, fly, fly away. You let me fly so high.                   vlieg, vlieg weg - jij laat me zo hoog vliegen
Oh, you, you, you, the wind beneath my wings.        jij, jij, de wind onder mijn vleugels

Fly, fly, fly high against the sky,                               vlieg, vlieg hoog in de lucht
so high I almost touch the sky.                                  zo hoog dat ik bijna de hemel kan aanraken
Thank you, thank you,                                             dank je, dank je
thank God for you,                                                  Goddank, voor jou,
the wind beneath my wings.                                    de wind onder mijn vleugels
 

Overweging:

Een actueel thema, vindt u niet, ‘leer ons vliegen’? Heel wat mensen die dagen moesten wachten op al die luchthavens zullen het er hartgrondig mee eens zijn. Eén stofwolkje van één vulkaantje, en alles ligt stil - maar nu schijnen ze het ineens tóch te kunnen. Ik probeer maar niet om er iets van te begrijpen, en ben stiekem blij dat ik voorlopig nog even niet van plan ben om in het vliegtuig te stappen. Wat zou het toch handig zijn, als wij gewoon een paar vleugeltjes hadden, en op konden stijgen wanneer we maar zin hadden. Leendert liet van de week op de gemeenteavond nog even een mooi schema zien van de evolutie, we komen pas kijken, als mens. Maar dat er niet een paar fraaie vleugels meegeëvolueerd zijn, dat blijf ik jammer vinden, een gemiste kans. Die vliegtuigen blijven toch behelpen.  Ik las van de week een artikel over de grauwe kiekendief, die 5000 kilometer vliegt, van hier naar Guinee in Afrika en weer terug, hij wel. Ze wisten het precies want hij had een hele camera op zijn rug gebonden gekregen, en een zender.

Tot zover het concrete vliegen. Waar we het verder niet over zullen hebben. Want veel interessanter is de symboliek van die vleugels en dat vliegen. Prachtige symboliek, de bijbel gebruikt het regelmatig, meestal gaat het dan over de vleugels van God, maar soms ook, zoals in de tekst die we lazen, over menselijke vleugels:
‘wie hoopt op de EEUWIGE krijgt nieuwe kracht:
hij slaat zijn vleugels uit als een adelaar’

Een prachtige tekst, we hebben er zelfs in onze taal het gezegde ‘je vleugels uitslaan’ aan overgehouden. En je vleugels uitslaan, dat is een goed ding. Dat betekent dat je je mogelijkheden benut, in je kracht komt. De één heeft misschien wat grotere vleugels, wat meer talenten dan de ander, maar dat zal niemand ontdekken als je je vleugels dichtgevouwen houdt en voorzichtig wat op de grond heen en weer blijft hippen. Dat is wel het veiligste, maar een adelaar zou toch wel een heel zielig beest zijn, als het zich altijd zo gedroeg. Toch is dat het precies, wat heel veel mensen doen. We scharrelen maar wat door het leven, ontwikkelen zo onze gewoontes, doen ons werk en denken er niet al te veel bij na of het misschien ook anders zou kunnen, of dit nu is wat we werkelijk willen, het leven waar we werkelijk naar verlangen. Of we nu eigenlijk wel of niet ooit onze vleugels uitgeslagen hebben, hoog en breed als een adelaar, in de hoop dat we dan gedragen zouden worden door de wind van Gods geest.

Wat ons tegenhoudt is angst. Dat ontdek je pas, als je het gaat proberen. Voor mij was de start van de theologiestudie zo’n moment. Ik had vijf jaar gedaan over de mulo, was huisvrouw, typiste… theologie studeren was typisch een geval van je vleugels uitslaan, maar dat is achteraf gepraat. Toen leek ik voor mijn omgeving vooral tamelijk gestoord. Ik schreef toen het verhaal van ‘het meisje dat kon vliegen’, maar ook een kort gedichtje:

Je doet me denken
aan een prachtige adelaar
met machtige vleugelslagen
op weg naar de zon.
Maar in je ogen
zie ik
een kanariepietje
bibberend
op de bodem
van haar kooi.

De angst en de hoop, in een paar regels. Bijna iedereen heeft die twee kanten wel in zich, de adelaar en het kanariepietje, en telkens weer in je leven word je uitgedaagd om een keuze te maken. Wat wil je zijn, waar ga je voor. De adelaar of het kanariepietje. Want pas als je besluit te vliegen, en je vleugels uitslaat, pas dan ontdek je dat de wind je draagt, eerder niet.

Die lijn kunnen we ook doortrekken naar onze gemeente. Volgend seizoen willen we er een ‘bezinningsjaar’ van maken: op zoek gaan naar onze vleugels, zeg maar. Kijken of we werkelijk onze mogelijkheden benutten, of misschien toch meer aan het dribbelen zijn, in het spoor van ‘zo doen we het al heel lang’. Hoe het met onze hoop op de Eeuwige gesteld is, die vraag is natuurlijk van belang, zeker als we zouden besluiten onze vleugels wat meer uit te slaan. Willen we dat, durven we dat, kunnen we dat? U kent vast allemaal wel het verhaal van de arend, die haar jongen uit het nest kiept, om ze vliegen te leren. De jonkies doen hun best, ze fladderen als gekken, bang voor die diepte daar ineens - maar als ze echt niet meer kunnen komt de arend, spreidt haar vleugels en vangt de jongen op om ze weer naar het veilige nest te brengen.

Dat blijft toch het mooie van de bijbel, dat het zo zelden het één OF het ander is, maar heel veel náást elkaar. Niet alleen het beeld van God als de wind onder onze vleugels, maar ook het beeld van God als de moeder-vogel, die ons met haar machtige uitgespreide vleugels opvangt als we fladderend en wel dreigen neer te storten. En ons weer even naar het veilige nest brengt. Niet voor altijd, maar even uitrusten, nieuwe moed verzamelen en hup, opnieuw gaan, want dát is het leven. En als je daar echt te oud en te moe voor bent, dan is er nog een ander beeld, waar je je aan over mag geven: het beeld van de zachte sterke vleugels van God, die beschermend om je heen gevouwen worden, op de momenten dat je dat nodig hebt.

In geleide meditaties gebruik ik dat beeld ook wel eens, en vraag ik mensen in hun verbeelding die vleugels te voelen, de veiligheid en de warmte ervan. Dan gaat zo’n beeld namelijk pas echt zijn werk doen, ervaar je wat ermee bedoeld wordt. Met alleen erover praten, zoals nu, loop je het risico dat het beperkt blijft tot allerlei gedachten, zo van: o ja, een beeld, wat is dat ook al weer, het is natuurlijk niet écht, want God, als die al bestaat, heeft natuurlijk geen vleugels. We lezen in de bijbel wel dat de Geest van God over de aarde zweeft bij de schepping, en dat de engelen in de visioenen van de profeten soms twee, maar soms ook vier of zes vleugels hebben, al naar gelang ze dichter bij God-zelf verkeren. Is er sprake van een engel die op aarde landt om mensen een boodschap te brengen, dan komen er in de bijbel geen vleugels meer aan te pas, die gevleugelde figuren die wij in ons hoofd hebben hebben we aan de kunst te danken. In de droom van Jacob bij Betel gaan ze zelfs via een ladder naar boven, en weer terug. In die volgorde. Van de aarde naar boven, en weer terug. Allemaal heel interessant. Kan je nog heel lang over doorpraten en door denken. En dat gebeurt ook genoeg, in al die overwegingen, preken en overdenkingen in al die kerken, stel je voor: hier alleen in Alblasserdam al zeventien keer op één zondagmorgen. Ik hoop dat we er allemaal weer wat wijzer van worden, weer iets nieuws bij leren, weer door aan het denken gezet worden… allemaal belangrijk. Maar ook al hoor je tien jaar lang elke zondag een overweging over de vleugels van God, als je ze nog nooit gevoeld hebt dan ben je er niet echt iets mee opgeschoten. Want uiteindelijk is al die symboliek niet bedoeld om onze hersens te laten kraken, maar om ons te helpen er iets van te ervaren, iets van het contact met God te beleven. Bescherming, liefde, moed, kracht, ontplooiing, noem het allemaal maar op. En die ervaring bereik je alleen door alles in te zetten, niet alleen je verstand, maar ook je gevoel, je fantasie, je intuïtie… Je kan écht je vleugels niet uitslaan en je mee laten nemen op de wind als je voorzichtig drie veertjes in de lucht steekt... we hebben véél meer in huis!

Afgelopen dinsdag vroeg ik bij de repetitie van de zanggroep of we alsjeblieft vandaag het lied ‘geef ons vleugels, leer ons vliegen’ konden zingen, en het bewijst maar weer eens hoe geweldig onze zanggroep is, dat ze meteen akkoord gingen. Ik hoop dat u straks de stukken waar de noten bij staan allemaal uit volle borst meezingt, in het gebed komt het laatste deel dan nog een paar keer terug. Eigenlijk zou er moeten staan ‘help ons te beseffen dat we vleugels van u hebben gekregen, en help ons daarmee te leren vliegen’, maar daarmee zou natuurlijk het hele ritme naar de maan zijn. We houden het dus kort: geef ons vleugels, leer ons vliegen. Als mens, als gemeente, als mensheid, ook, om de enorme problemen van deze tijd het hoofd te bieden - maak je keuze tussen het kanariepietje en de adelaar. En hoop op de Eeuwige, de wind onder jouw vleugels, de nieuwe kracht. Amen.

Zingen: geef ons vleugels

1. Geef ons vleugels, leer ons vliegen
als een grote adelaar,
al te zware ernst verliezen,
al te zwart geloof weerstaan,
niet bekommerd blijven kniezen,
maar verblijd uw route gaan.

2. Geef ons vleugels, leer ons vliegen
duw ons uit ons donzen nest,
laat ons niet in leegte liggen,
afgezonderd van de rest,
maar het volle leven kiezen
en dat maken tot uw feest.

3. Geef ons vleugels, leer ons vliegen,
overstijgen onze vrees
voor uw onbegrepen diepten
en het doorzicht van uw Geest;
help ons drijven op uw liefde
die ons bange hart geneest.

4. En als ons tijdens onze vlucht
ineens de tweestrijd overvalt
en hoogtevrees ons hart bevangt,
laat dan niet vallen uit de lucht
wie juist uit kracht van zijn geloof
het hemelsblauwe ruim verkoos,
maar breng hen veilig op uw rug
naar hun uitvliegplek terug.

5. Geef ons vleugels, leer ons vliegen
zalig zweven op de wind,
ook in zorg de vrijheid vieren
die u steeds weer voor ons wint,
niet in achterdocht bevriezen
maar weer worden als een kind.
 
 





















Viering in de Paasnacht, 3 april 2010

liturgisch bloemstuk, gemaakt door Ria Zanen

Lezing: Lucas 24 : 1-12 (zie hieronder bij Paasmorgen)

Overweging Paasnacht:
We wachten op Pasen. De opstanding van Jezus Christus. Een gebeuren wat bijna niet in woorden te vatten is, hoe vertellen we elkaar het onuitsprekelijke. U merkte het ook weer in het verhaal van Lucas: niemand vertelt hoe dat precies gebeurd is. Niemand verwacht het, en ze hebben moeite om het werkelijk te begrijpen, net als wij daar nog steeds moeite mee hebben. Maar je hoeft het ook niet altijd allemaal te kunnen bedenken, om het tóch te kunnen ervaren, er iets van te beleven. Vanavond doen we dat vooral met poëzie, met symbolen en beelden. De symboliek van het licht en het vuur neemt de grootste plaats in, daarom begonnen wij ermee. Zo'n duizenden jaar geleden ontdekten mensen hoe ze met het meest dode materiaal, met stenen, vuur kunnen maken door er twee tegen elkaar aan te slaan. De kerk schreef eeuwenlang voor dat dít de manier moest blijven om het paasvuur aan te steken, die stenen waren belangrijk, want ze zeggen iets over ons hart, over de manier waarop wij ons vaak voelen: zwaar en koud, belast met een geschiedenis, die eeuwenoud is, en waarin alles alleen maar langzaam is afgekoeld en hard is geworden, uitgeleverd aan de wind en de regen, langzaam steeds maar kleiner en zwakker. Hele perioden uit ons leven kunnen er zo uitzien, maar nu mag de ervaring zijn - en wij roepen die in deze paasnacht met een beroep op Christus ook op - dat er aan de keiharde realiteit een levende vonk kan ontspringen en er een heel ander element van licht en warmte kan ontstaan en bezit van ons kan nemen. Het is het getuigenis van een vurige liefde, die zo'n macht heeft in ons hart, dat onze ogen ervan stralen en onze ziel erdoor wordt verwarmd. Dat is het, wat deze nachtelijke viering ons wil zeggen: Het licht is vlakbij ons, wij zijn onderweg, en wij zullen de graven geopend zien.

Het tweede waarmee het onzegbare gezegd wil zijn, is de symboliek van het water van de doop. De Paasnacht is traditioneel de nacht dat Christenen gedoopt worden. Door ze, zoals toen gebeurde, helemaal onder te dompelen, in het stromende water van een rivier, wordt de bedoeling nóg duidelijker. Paulus schrijft daarover, in de Romeinenbrief: ‘Weet u niet dat wij die gedoopt zijn in Christus Jezus, zijn gedoopt in zijn dood? We zijn door de doop in zijn dood met hem begraven om, zoals Christus door de macht van de Vader uit de dood is opgewekt, een nieuw leven te leiden.  Als wij delen in zijn dood, zullen wij ook delen in zijn opstanding. Wanneer wij met Christus zijn gestorven, geloven we dat we ook met hem zullen leven,  omdat we weten dat hij, die uit de dood is opgewekt, niet meer sterft. De dood heeft geen macht meer over hem.  Hij is gestorven om een einde te maken aan de zonde, voor eens en altijd; en nu hij leeft, leeft hij voor God. Denk aan uzelf als levenden die uit de dood zijn opgewekt en stel uzelf in dienst van God als een werktuig voor de gerechtigheid. De zonde mag niet langer over u heersen, want u staat niet onder de wet, maar u leeft onder de genade.’

Leven voor God, dat is écht een ander soort leven, en het is voor óns weggelegd. Het is goed om daar vanavond niet lang over te praten, maar het zichtbaar en tastbaar te maken. Door straks allemaal langs het doopvont te lopen, en het water even te voelen. Je opnieuw te binnen te brengen dat wij geroepen zijn tot een nieuw leven. Tot het herkennen wat ons belast en benauwt, wat ons verhindert om tot leven te komen, en dat met het doopwater waarmee we misschien ééns gedoopt zijn, weg te laten stromen. Als je vroeger níet gedoopt bent werkt het natuurlijk ook. Een symbolische bevestiging dat de Eeuwige God met ons zal zijn op onze levensweg. Dat kan een mens soms nódig hebben. Net zoals het nódig is, om daar, van onze kant, iets bij te beloven: vroeger deden onze ouders dat, nu, vanavond doen we dat zelf, met een geloofsbelijdenis. Maar eerst zingen we gezang 219: Zingt ten hemel toe, juicht en jubelt Gode. Christus onze Heer is voor ons gestorven, en Hij daalde neer in het doodsgebied, deed de dood te niet in de nieuwe morgen. Amen.

Gebed (geschreven door ?), einde paasavonddienst:

Jij, in wiens hand mijn adem is,
en die het spoor bent voor mijn voeten:
Jij bent mijn God! Hoe woon ik
in de weelde van jouw zegen!

Jij, die jouw oog op mij laat rusten,
Jij die mij hoort wanneer ik roep -
en die van al mijn wegen weet, -
Die mij geteld heeft en gewogen,
die mijn gemis heeft liefgehad
en het gekroond heeft met tegoed, -

Gij, in wiens hand mijn adem is,
nooit blijft mijn leven ongetroost.
Gij zijt mijn God! Hoe woon ik
in de weelde van Uw zegen!
 
 






















Viering Paasmorgen, 4 april 2010

Er bloeit voor wie het zien wil een gerucht
in stegen diepe dalen regenwouden
geurend bij dag lichtgevend in de nacht
het gaat van mens tot mens gemompeld en gezongen

het fladdert als een vlinder voor ons uit
ongrijpbaar als de wind die langs komt waaien
het gaat van uur tot uur van dag tot dag
dit oud gerucht van eeuw tot eeuw springlevend

het eerst hebben de vrouwen het gezegd
het graf is leeg wij hebben het gezien
sindsdien is het voortdurend doorverteld
de heer is dood en toch is hij in leven

en elke ochtend ieder morgenrood
herinnert ons eraan de weg ligt open
naar een helderheid voorbij de dood
waar god ons lachend op zal nemen.
(Ed van Straten)

Ferdinand Becker (kan prachtig gedichten voorlezen)'Kinderpreek'

Vandaag wil ik jullie, voor je naar de kinderkring gaat, een kort verhaaltje vertellen. Het gaat over een jongetje, die voor het eerst van zijn leven naar de katholieke kerk gaat, en daar een kruisbeeld ziet hangen, met Jezus er aan. Hij schrikt daar enorm van, en wil precies weten hoe dat zit, met die man die duidelijk zo’n pijn heeft. Oma mag het hem uitleggen. 'Weet je, zegt ze, in de kerk praten we heel veel over die man, over Jezus. Hij leefde héél lang geleden op aarde, wel 2000 jaar, en hij vertelde iedereen dat God heel veel van ons houdt, en wil dat we gelukkig zijn, en goed voor elkaar. Er waren steeds meer mensen die Jezus gingen volgen en als hun Koning gingen zien. Dat vonden de mensen die de baas waren natuurlijk niet leuk, want zij zaten niet te wachten op iemand waar de mensen meer naar luisterden dan naar hen. Daarom bedachten ze een plan om hem gevangen te nemen en te vermoorden.. Zo kwam hij aan dat kruis, want zo deden ze dat toen. En al die mensen die van hem hielden, vonden dat heel erg, wij ook, nu, nog steeds. Vooral omdat er nu ook nog vaak van die vreselijke dingen gebeuren in de wereld. En daarom praten we er met elkaar over, ieder jaar, op goede vrijdag. Over wat er toen gebeurd is, en nu nog steeds gebeurt. Dat klinkt dan wel gek, dat je het dan toch ‘goede’ vrijdag noemt, maar het is wel goed, om op zo’n dag mee te voelen met al die mensen die het moeilijk hebben. En er is nog wat: toen Jezus dood en begraven was, ontdekten zijn vrienden dat hij niet weg was. En daar werden ze helemaal gelukkig van. We snappen niet zo goed hoe dat dan precies ging, maar sinds die dag, en dat was op Pasen, vertellen we elkaar dat Jezus leeft, en dat zijn geest (heilige geest noemen wij dat) er nu nog steeds is, en dat hij ons ook helpt als we het moeilijk hebben, juist omdat hij zo goed weet hoe dat is.' Dat vertelde die oma allemaal. En ik weet niet of het jongetje het nu helemaal begreep, waarschijnlijk niet, maar dat geeft niet, want hij kan nog héél vaak Pasen vieren, en misschien wordt het dan wel ieder jaar weer ietsje duidelijker. Dus voor nu, voor jullie allemaal: vrolijk pasen!

Schriftlezing: Lucas 24:1-12

(De vrouwen die met Jezus waren meegereisd uit Galilea, volgden Josef naar het graf om het te bekijken en om te zien hoe Jezus’ lichaam er werd neergelegd. Daarna gingen ze naar huis en bereidden ze geurige olie en balsem. Op sabbat namen ze de voorgeschreven rust in acht.)

Maar op de eerste dag van de week gingen ze bij het ochtendgloren naar het graf met de geurige olie die ze bereid hadden. Bij het graf aangekomen, zagen ze echter dat de steen voor het graf was weggerold, en toen ze naar binnen gingen, vonden ze het lichaam van de Heer Jezus niet. Hierdoor raakten ze helemaal van streek. Plotseling stonden er twee mannen in stralende gewaden bij hen. Ze werden door schrik bevangen en sloegen de handen voor hun ogen. De mannen zeiden tegen hen: ‘Waarom zoekt u de levende onder de doden? Hij is niet hier, hij is uit de dood opgewekt. Herinner u wat hij u gezegd heeft toen hij nog in Galilea was: de Mensenzoon moest worden uitgeleverd aan zondaars en moest gekruisigd worden en op de derde dag opstaan.’ Toen herinnerden ze zich zijn woorden.
Ze keerden terug van het graf en gingen aan de elf en aan alle anderen vertellen wat er was gebeurd. De vrouwen die het graf bezochten, waren Maria uit Magdala, Johanna, Maria de moeder van Jakobus, en nog enkele andere vrouwen die hen vergezelden. Ze vertelden de apostelen wat er was gebeurd, maar die vonden het maar kletspraat en geloofden hen niet. Petrus echter stond op en rende naar het graf. Hij bukte zich om te kijken, maar zag alleen de linnen doeken liggen. Daarop ging hij terug, vol verwondering over wat er gebeurd was.

Vrouwenpraat
De nacht valt, doe de grendel op de deur
want met het donker komt de angst weer boven,
die vrouwen ook met hun verward gezeur,
wie zou er zoiets wonderlijks geloven!

O, ja, van binnen zijn wij ook verscheurd
maar laten wij in Godsnaam nuchter blijven
en niet verdoezelen wat is gebeurd
ons niet op de emoties laten drijven.

Voorbij is het, de waarheid moet gezegd
we zullen er mee moeten leren leven,
maar dat Hij nooit nooit Zijn hand meer op ons legt;;
O God, dat doet zelf onze monden beven

Dan worden argumenten lamgelegd,
En ongeloof en angst wordt weggezongen
‘vrede zij u’ Jézus die het zegt:
de grendel is van onze ziel gesprongen...

Overweging:
Lieve mensen, wat zou er gebeuren als wij, vandaag, met ons allen, niet hier in de kerk zouden zijn, maar terug in de tijd, daar, bij het graf, op paasmorgen. Stelt u zich even voor, dat we daar met z’n allen aan komen wandelen. We zouden niet in dezelfde stemming zijn als die vrouwen, denk ik. Die zaten midden in hun verdriet, de schok over wat er met Jezus gebeurd was. Dat hebben wij niet zo. Veel mensen hier zijn de afgelopen dagen naar de drie diensten geweest, waarin we de laatste dingen van zijn leven meebeleefden; de laatste maaltijd, op donderdag, als voedsel voor de ziel, voor ze op reis gaat – het lijdensverhaal van Jezus op vrijdag, zo belangrijk om dat éénmaal per jaar met elkaar te gedenken, het verdriet te voelen van alle pijn op de wereld, alle godverlatenheid. En dan de zaterdagnacht, de nacht waarin we in het donker bij elkaar komen, om daarna samen op te staan, naar het Licht te gaan, het vuur van Gods liefde, en het dan zingend naar binnen te dragen: de kerk in, ons hart in. Licht van Christus. DAN, pas dan, kan het Pasen worden. En daarom kunnen we hier nu zitten, en kijken naar de prachtig versierde tafel, geel, de kleur van de zon, de opgaande zon na de Paasnacht.

En in dat prille licht van die opgaande zon stellen we ons nu dus even voor dat ook wij naar dat graf toelopen. We zien de steen weggerold, en twee mannen in witte kleding. Boodschappers, engelen, zegt een ander evangelie. ‘Wat komen jullie doen’? vraagt de eerste man in witte kleren. Tja. Dat is natuurlijk een hele goede vraag. Wat komen we daar eigenlijk doen? Het meest voor de hand ligt natuurlijk: ‘we komen Jezus zoeken’. Maar ja. Tegen engelen moet je altijd eerlijk zijn. En wie van ons is er nou écht gekomen vanmorgen, om Jezus te zoeken? Of heeft ook maar één tel verwacht dat hij of zij Jezus hier zou vínden, vanmorgen? Dus laten we eens proberen om een eerlijk antwoord te geven op die vraag. Wat komen we doen. Wat kom ík doen? Ik kom vooral om de kerkdienst te leiden. Ik ben van de organisatie, zogezegd. Mijn grote verlangen daarbij is, dat we, door samen deze dienst te beleven, dichter bij een ontmoeting komen. Een ontmoeting met de Levende Christus, met elkaar, met ons eigen innerlijk. Een heel groot verlangen, ik geef het toe. De man in het wit zou er niet om gaan lachen, hij zou het wel begrijpen, denk ik. En nou u. Wat komt ú doen??

Nou. Zo staan we daar nu, bij dat graf. En het blijft wat ongemakkelijk stil, na die vraag. Want wat moet je zeggen. De tweede man in het wit komt naar voren. Hij kijkt ons aan, en zegt: Een doel, een doel is belangrijk. Je moet weten waar je voor komt. Wat je verlangen is. Anders is al dat gedoe, al dat geloop, zinloos. Kan je net zo goed thuisblijven. Als je hier komt om Jezus te zoeken, dan heb ik wel een boodschap voor je. Anders niet.

En dan neemt de eerste man in het wit het woord weer over. Hij kijkt ons aan, er is veel liefde in zijn ogen. Ik weet hoe moeilijk het is, zegt hij. Om dat duidelijk te hebben, zo’n doel. Mensen zijn zo verward, laten zich zo opslokken door allerlei bijzaken, het is al heel goed dat jullie gekomen zijn, hier, vanmorgen, dat jullie gekomen zijn en bereid zijn om te luisteren. Jezus is opgestaan uit de dood. Dat is de boodschap. Jezus leeft. Hij is hier niet, tenminste, niet hier in dit graf. Niet langer doodgemaakt, verborgen achter een zware steen, stevig gebonden – nee. Hier is hij niet. De levende is ergens anders.

De levende is te vinden in de Elthetokerk in Alblasserdam. Te herkennen in de prachtige bloemen, de kinderen die samen met de zanggroep zingend naar binnen komen, in het vuur van de nieuwe paaskaars, in de mensen die hier bij elkaar zijn. En het gaat nog verder. De levende Christus is ook te vinden buiten die kerk, overal in de wereld. Let wel: TE VINDEN. Voor degenen die zoeken, bewust zoeken, voor degenen die daar tijd en aandacht aan willen geven. Voor alle anderen blijft dit levende kind van God verborgen, dood.

We beseffen nog niet half, HOE belangrijk Pasen is. Hoe hemelsbreed het verschil is, tussen een levende Christus en een dode Jezus. We kunnen er nóg zo veel woorden aan wijden, het helpt allemaal niet, als het hart gesloten blijft. Dan is er namelijk geen ontmoeting mogelijk, en dus ook geen kennen, werkelijk kennen.

Wie een ontmoeting met Christus nog een stap te ver is, kan alvast gaan oefenen met het hart openen voor de naaste, heel dichtbij, wat verder weg. Het loopt namelijk allemaal in elkaar over. ‘Wat je aan de minste doet, heb je aan mij gedaan’ zegt Jezus ergens. Maar het hart openen, daar begint alles mee. Eens kijken, wat voor steen we daar zelf voor gezet hebben, of, zoals het gedicht zegt, welke grendels we daarvoor geschoven hebben… De moppergrendel misschien. Een puike methode. Mopperen, je afzetten, cynisch doen, daarmee houd je je hart gesloten. De verdrietgrendel, dat is ook een grote. Al het verdriet, stel je voor, daar zetten we het liefst een dikke steen voor – alsof het daarmee weg is. Er komt alleen maar iets bij: een extra rotsblok, een extra grendel op de deur.

Maar de opgestane Christus kan zelfs dwars door dichte deuren, die heeft maling aan grendels. Dat is het wonder van Pasen, dat God ons nooit opgeeft. Altijd de ontmoeting met ons wil. Ons roept, vrede voor ons wenst, échte vrede, de vrede van het hart, waar de wereld nog steeds zo naar snakt. We kunnen al die grendels met een gerust hart los laten springen. Een nieuwe morgen is aangebroken, een nieuw leven in het Licht - een leven met de liefde als basis. Niet alleen voor de leerlingen tóen, maar ook voor ons, hier in Alblasserdam, vandaag. Amen.

(In de bijzaal was een kleine fraaie tentoonstelling ingericht door ds. Pors met Joodse voorwerpen:)
 
 


 


 
 
 
 


Viering Elthetokerk 28 maart Palmzondag

Kaars aansteken - tekst  Er is... (auteur onbekend)
er is een teer
beginnen
een lichten in
het water
bijna stil is het

er is een licht
bewegen
een krinkel in
het water
heel nabij is het

er is
ik weet niet wie
niet wat

maar dat

Gebed (tekst Jamie Sams, uit 'de droom dansen'):

Voer ons zachtjes de dageraad binnen,
waar onze dromen worden tot licht,
waar ze opgaan in de stralende zon
en het indigo van zich af schudden.

Breng ons terug naar de wakende wereld
met ons hart vol levende beelden,
met de plattegronden van gloednieuwe paden,
waardoor ons leven wordt tot levenskunst.

Eerste lezing: Een al wat oudere column van ds. Jean Jacques Suurmond uit dagblad Trouw. Daarin beschrijft hij prachtig en poëtisch zijn Paaservaring, verbonden met een klusvakantie in Frankrijk, toen hij ergens op een kruispunt een oud kruisbeeld tegenkwam…

'Ga nu maar, laat maar los', zeg ik tegen de hangende man aan het eind van het heuvelweggetje in Frankrijk. Gefrustreerd, omdat ik mijn schroefjes niet kan vinden, ben ik even mijn klushuis ontvlucht en hem tegengekomen.
Zoals dat gaat met pastorale adviezen, luistert hij echter niet. Met de kin op de borst dankt hij, na de voorstelling van zijn leven, voor het applaus. Maar hij verdwijnt daarna niet voorgoed achter de coulissen, zoals gewone stervelingen doen. Hij blijft hangen. Hij is er nog net wel en nog net niet meer. U merkt het: de taal staat hier ook al op het punt het te begeven.

De oude schilders prikten in hun doeken een gaatje: het verdwijnpunt. Daarin plaatsten ze een pennetje om van daaruit perspectieflijnen te trekken. Alles wat op het doek verscheen: ploegende boeren en huizen, bomen en molens, werd geplaatst in het perspectief van dat verdwijnpunt. Daarin komen de lijnen samen van het wereldje dat de schilder met kwast en plamuurmes tevoorschijn tovert. Daaraan ontleent alles zijn plaats en betekenis op het doek: zo is dat huis daar kleiner dan deze houten keet vooraan; en de dienstmeid hier is langer dan dat mannetje ginds op het veld.

Zou alles even groot en belangrijk zijn, dan zouden de mensen en dingen zich verdringen op het doek, zonder diepte en proportie en zonder echte relatie met elkaar. Ze zouden allemaal even luid om de aandacht van de kijker schreeuwen. Volgens cultuurpessimisten gaat het met onze samenleving die kant op.
Maar gelukkig plaatst het leven zélf ons in perspectief. Daar wordt voor gezorgd. Die hangende man zou wel eens het pennetje in de wereld kunnen zijn. Niet toevallig hangt hij op een kruispunt. Of je wil of niet, in het leven moet je kiezen waarbij je andere mogelijkheden laat liggen. Of een ander kiest en laat jou liggen. Steeds opnieuw moet je beslissen of je de weg links zult nemen, of die naar rechts, of toch maar rechtdoor. En bij elke keus laat je iets anders verdwijnen.

Als je op dit kruispunt bijvoorbeeld niet linksaf slaat kom je nooit bij het aandoenlijke dorpje waar mijn huis staat.
Daar mist u veel aan. En ik zou u missen - zeker als u mij kon vertellen hoe mijn verloren wigkopschroefjes in het Frans heten.

Menszijn is soms wakker worden met een onbestemd gevoel. Er prikt iets, er schrijnt wat. Dat is het verlies van de weg die je niet hebt genomen, de richting die je niet bent ingeslagen. Of de baan, de liefde die aan je neus voorbijging. Elk mens wordt vergezeld door ontelbare mogelijke, parallelle werelden die hij nooit zal kennen. Maar we moeten wel kiezen en onze voetstappen laten echoën 'langs de gang die we niet betraden, naar de deur die we nooit openden' (T.S. Eliot). Anders komen we niet tot onze bestemming - wat die ook moge wezen.

Daaraan kun je zien dat die man aan het eind van de heuvelweg geen gewoon mens is. Hij gaat links noch rechts, achter- noch vooruit. Hij reist niet door naar een bestemming, want dit ís zijn bestemming. Hij blijft hangen op het kruispunt omdat hij alles en iedereen kiest. Daar is hij zoon van God voor. Weliswaar met vogelpoep op zijn schouders, maar toch. Daarom raakt er niets bij hem kwijt: geen verloren zonen of penningen of schapen, zelfs geen wigkopschroefje. Waar blijven die dan?
Ik buk en kijk eens goed. Er zitten gaten in de man. Ze gapen in zijn open handpalmen. Langs de spijkers kan ik zelfs een stukje hemel zien, tussen het rood door. Nooit geweten dat die zo blauw is. Deze man staat echt op het punt van verdwijnen: hij wordt al doorzichtig.

Alle wegen waaraan we voorbij moesten gaan, alle mogelijkheden die niet zijn gerealiseerd - vangt hij die op in zijn doorlaatbare handen om ze te bewaren in hemelsblauw pakpapier? Zo van: wat jij nu niet bij elkaar kunt houden komt uiteindelijk in mij samen, net als die wuivende wegbermen in de verte.
Leven is steeds weer afzien van andere levens die ook mogelijk zouden zijn geweest. Dat kan een zinloos gevoel geven - behalve in het perspectief van die man op het verdwijnpunt. Want alleen door te kiezen en dus andere mogelijkheden te laten verdwijnen, nemen we onze plaats in op het doek van de wereld en vinden we onze bestemming in relatie tot de andere mensen en dingen.

En de liefde die we niet genoten hebben; het kind dat we nooit hebben gekend; de droom die we onvervuld moesten laten, vallen door zijn handen heen in barmhartig blauw. De Fransen zouden zeggen: ze vallen in de liefde.
Als ik me omdraai om verder te gaan tobben over mijn verdwenen schroefjes, klinkt achter me een stem: 'Ga nu maar, laat maar los.'

Tweede schriftlezing: Lucas 19 : 29 - 47 Intocht in Jeruzalem

Toen hij Betfage en Betanië bij de Olijfberg naderde, stuurde hij twee van de leerlingen vooruit en zei tegen hen: ‘Ga naar het dorp daarginds. Daar zullen jullie een vastgebonden veulen vinden, dat nog nooit door iemand bereden is. Maak het los en breng het hier. Als iemand jullie vraagt: “Waarom maken jullie het los?” moeten jullie antwoorden: “De Heer heeft het nodig.” De beide leerlingen gingen op weg en vonden het veulen, precies zoals Jezus had gezegd. Toen ze het dier losmaakten, vroegen de eigenaars hun: ‘Waarom maken jullie het los?’ Ze antwoordden: ‘De Heer heeft het nodig.’ Daarna brachten ze het veulen naar Jezus. Ze wierpen hun mantels over het dier en lieten Jezus erop zitten. Onderweg spreidden de leerlingen hun mantels voor hem op de grond uit. Toen hij op het punt stond de Olijfberg af te dalen, begon de hele groep leerlingen vol vreugde en met luide stem God te prijzen om alle wonderdaden die ze hadden gezien. Ze riepen: ‘Gezegend hij die komt als koning, in de naam van de Heer! Vrede in de hemel en eer aan de Allerhoogste!’ Enkele Farizeeën in de menigte zeiden tegen Jezus: ‘Meester, berisp uw leerlingen.’ Maar hij antwoordde: ‘Ik zeg u: als zij zouden zwijgen, dan zouden de stenen het uitschreeuwen.’
Toen hij Jeruzalem voor zich zag liggen, begon hij te huilen over het lot van de stad. Hij zei: ‘Had ook jij op deze dag maar geweten wat vrede kan brengen! Maar dat blijft voor je verborgen, ook nu. Want er zal een tijd komen dat je vijanden belegeringswerken tegen je oprichten, je omsingelen en je van alle kanten insluiten. Ze zullen je met de grond gelijk maken en je kinderen verdelgen, en ze zullen geen steen op de andere laten, omdat je de tijd van Gods ontferming niet hebt herkend.’
Hij ging naar de tempel, waar hij de handelaars begon weg te jagen, terwijl hij hun toevoegde: ‘Er staat geschreven: “Mijn huis moet een huis van gebed zijn,” maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt!’ Dagelijks gaf hij onderricht in de tempel. De hogepriesters, de schriftgeleerden en de leiders van het volk wilden hem uit de weg ruimen, maar ze wisten niet hoe ze dat moesten doen, want het hele volk hing aan zijn lippen.

Overweging:
De laatste paar weken was ik, naast al het gewone werk, al druk bezig met de voorbereidingen van de komende Paasweek. Er staan ons nog vier diensten te wachten! Donderdagavond de eerste, dat is een avondmaalsviering. Het zijn er veel, ik weet het, maar ik kan u echt aanraden om ze allemaal te bezoeken, want alle diensten hebben een heel eigen karakter, en het is juist de serie die het indrukwekkend maakt, anders dan anders. Deze palmzondag is eigenlijk al het begin. De intocht van Jezus in Jeruzalem. Aan het einde van de dienst komen de kinderen van de kinderkring binnen met hun palmpasenstok, een feestelijk moment, maar daarin is ook het kruis al zichtbaar. En de haan, die een rol speelt bij het verraad van Petrus. Maar er hoort ook lekkers bij, en een vrolijk lied, want zo is het leven, gemengd. Soms vrolijk, en boeiend, en soms treurig en moeizaam.

Het is ook niet voor niets dat juist nu de stille week en Pasen er aan komen. Dat kan alleen maar in het voorjaar: het aardse nieuwe begin en het geestelijke nieuwe begin vallen samen, versterken elkaar. Dit jaar hebben de meeste mensen het misschien wel duidelijker gevoeld dan anders, omdat we zo’n lange koude winter achter de rug hebben. Maar het is zelfs wetenschappelijk bewezen dat mensen puur door het weer wat somberder worden, minder energie hebben, minder weerstand ook, met alle narigheid van dien. En dan zijn er ook nog heel wat mensen hier die het echt moeilijk hebben, of zich ernstig zorgen maken, om zichzelf of om geliefden. Zo staan we er dus voor. En dan helpt het, als het weer wat lichter en warmer wordt buiten, als we ons verbinden met de natuur, waar het nieuwe leven aan alle kanten losbarst. En het helpt nog méér, als we in de kerk de geestelijke dimensie van een soortgelijk proces vorm geven, door ons te verbinden met het lijden, en vervolgens daardoorheen het licht begroeten. Treuren en juichen, het leven vieren, buiten en binnen, in al haar aspecten.

Het treft me altijd weer, hoe Jezus die hele lijdensgeschiedenis begint met dat vieren. De intocht, hoe je het ook wendt of keert, was toch een feestelijke gebeurtenis. Zo staat zowel aan het begin als aan het eind, bij de opstanding, de vreugde centraal. Dat is misschien wel het diepste geheim: dat die vreugde mee gaat, nooit helemaal weg is, en dat het dáárom zo goed af kan lopen. Jezus blijft, ook in de donkerste periode, het licht met zich meedragen, Gód met zich meedragen. Geen mens die hem dat kan afnemen. Zijn vrijheid, zijn leven, dat wel, en dat zullen ze ook doen. Bijna ieder ander mens zou dan proberen weg te lopen, of, als het enigszins kan, terug te vechten. Als Jezus dat gedaan had, had hij op dat moment zijn leven kunnen redden, maar dan had hij zichzelf geweld aan moeten doen. Zijn levenswerk was juist, om zichzelf totaal over te geven aan God, aan liefde en licht. En als je ergens voor wegloopt, dan duik je weg, dan stap je úit het licht. En als je geweld gebruikt, dan stap je úit de liefde. Ja, soms móet dat, zeggen wij dan - maar dat is nu dat offer waar iedereen het altijd over heeft - Jezus is bereid desnoods zijn leven te offeren, maar níet zijn idealen. Dus stapt hij met open ogen zijn ondergang tegemoet, sterker nog, hij maakt er een feestelijk gebeuren van. Het feestelijke is, dat ondanks alle druk Jezus zich als kind van God blijft gedragen, de liefde en het licht meeneemt, de donkere dagen in, en aanvaardt wat komt. Maar hij is Jeruzalem nog niet eens ín, of hij moet al huilen. Om al die mensen die de vrede niet kennen, niet zoals hij die kent. Om al die mensen die Gods ontferming niet herkennen, die hij belichaamt, zodat hij ze niet echt kan bereiken. En zo blijft hún feestje aan de oppervlakte steken, zó is het er, en zó is het weer weg. God is er niet bij betrokken. En als je die er buiten laat, kan de hopeloosheid ieder moment toeslaan, dan kom je niet verder dan het leven leven op deze aarde, waar alles een zeker einde kent.

Het is geen simpele overweging vandaag, dit gaat over diepe dingen, waar iedereen die wel eens zware donkere dagen heeft meegemaakt zijn of haar eigen verhaal bij heeft. We leven nu eenmaal niet altijd in vreugde, we voelen ons lang niet altijd vol liefde, en het is goed om te weten dat Jezus ook kon huilen, en er zelfs de zweep bij pakte om zijn woede kracht bij te zetten.
Heel herkenbaar allemaal. Alleen dat feestje aan het begin, dat is echt anders… ik ken tenminste niemand die weet dat er een hoop ellende zit aan te komen, en dan een feest voor zichzelf organiseert. Er wordt vaak gezegd dat de feestelijke intocht al verwijst naar het feest van de opstanding, naar Pasen. Altijd een wat heikel punt, want de meeste vrijzinnigen zijn veel te verstandig en te nuchter om te geloven in zoiets als een dode die weer levend wordt. Ik zal het volgende week wel wéér zeggen, en begin nu maar vast: voor mij is die opstanding wezenlijk. De feiten interesseren me niet, en nee, ik geloof ook niet in een dode die weer een levend mens wordt, maar ik geloof wèl dat er meer is dan een dode Jezus, namelijk een levende Jezus Christus, die met zijn Geest nog elke dag bij ons is. Het gaat om de kern van het christelijk geloof, dat Jezus leeft, en dat we een beroep kunnen doen op zijn hulp, op zijn geest, altijd, maar vooral in die zware tijden waarin wij ons hopeloos en somber voelen. Jezus ging niet ten onder, omdat hij aanvaardde wat kwam, en het licht wist vast te houden, door alles heen. En daar kan hij ons ook bij helpen, want in ons eentje redden we dat niet. Dat zou je onze ‘zonde’ kunnen noemen, als dat tenminste niet zo’n beladen begrip was. Alsof we met opzet iets verkeerd doen. In werkelijkheid is het veel meer onze onmacht om op deze aarde, zeker in donkere tijden, verbonden te blijven met het licht van God en ons daaraan over te geven. Of, om het wat platter maar meer in gewone taal te zeggen: om altijd hoopvol te blijven. Dat maakt het verhaal van Jezus zo uniek. Hem is het wèl gelukt. En daarna was de wereld niet meer hetzelfde. Om onder woorden te brengen wat dat voor ons betekent is de formule ontstaan ‘Jezus is gestorven voor onze zonden’, maar we zijn, ik denk terecht, huiverig om dat zinnetje te gebruiken omdat het vaak zó verkeerd is uitgelegd, en vooral veel schuld op onze schouders laadde. Het tragische is dan, dat we daarmee weer meer de duisternis ingestuurd worden, terwijl het omgekeerde zou moeten gebeuren: de oproep is juist om niet te blijven hangen in onmacht, schuldgevoel, noem maar op, dan komen we nooit in de buurt van dat licht en die vreugde die Jezus ons namens God te bieden heeft. Dat licht legt om te beginnen al ons falen en al onze tekortkomingen bloot, kom vrijdag maar luisteren naar de Bijbelse lijdensgeschiedenis, dan weet je weer wat er allemaal fout kan gaan. Maar dat geeft niet te doorslag. In Bijbelse termen: het wordt ons vergeven. En daarom mogen we in de Paasnacht het licht van Christus de kerk inbrengen, en Paasmorgen doen we dat met de kleine paaskaars van de kinderkring nog een keer. Je kan het niet vaak genoeg doen eigenlijk, want daar gaat het uiteindelijk om: in vertrouwen en overgave de toekomst tegemoet gaan wetend dat er altijd weer licht in de duisternis zal zijn, want God is altijd met ons. Amen.
 


 

Viering Elthetokerk 14 maart 2010
m.m.v. Adri van Dam (piano en zang) en Jan Kweekel (trompet)

Het thema van deze dienst is ´imitatio Dei´: God nadoen. Dat idee begint al bij het scheppingsverhaal, waarin God de mens schept naar zijn beeld. Maria de Groot schreef hier een prachtig gedicht over:

Hij nam aarde
en maakte mijn hand
vijf vingers om te schrijven
een palm met lijnen
geheimtaal
dat was het laatste
wat hij van mij maakte
toen vroeg ik de roeping
en hij zei:
noem mij.

Gesprek met kinderen van de kinderkring:

Doen jullie wel eens iemand na? Moet wel, want mensen leren nou eenmaal dingen van andere mensen, en dat lukt het beste als iemand het voordoet en jij doet het na. Dus is het heel belangrijk om goed op te letten van wíe je dingen leert, wíe je na wil doen en wie niet. Want soms is het goed, en soms niet, en soms kan je er beter maar gauw mee stoppen. Ik ga voor jullie een gedichtje voorlezen van Erik van Os, en daar komt een heel irritante na-aper in voor, luister maar:

1995 De pinquïn en de papegaai Erik van Os/Hans Waanders - Stichting Plint























Eerste lezing: G.H.ter Schegget : Een stem

Of God bestaat, ik weet het niet.
De religie rondom ons gaat van zijn bestaan uit,
vanzelfsprekend.
Dat is voor mij niet zo.
Als ik ze hoor spreken,
komt er onverbiddelijk ongeloof in mij op,
dan ben ik atheïst en wel volkomen.
Nee, voor mij bestaat God niet
en bewijsbaar is hij nog minder.
Toch is er iets anders in mijn leven:
Een stem die enerzijds binnen in mij is
en die anderzijds eigenlijk tot mij komt.
Ik kan die stem in ieder geval niet vereenzelvigen
met wat ik zeg of denk, hoop en vrees.
Hij is niet zó duidelijk,
het is meer een zachte fluistering
vanuit een verborgen stilte.
Maar het is een stem,
getuigend van licht dat mij trekt.
Door die beloftevolle stem word ik losgemaakt
uit de betovering en omklemming van de bestaande wereld
en gezet in een ruimte van vrijheid.
Ik kom in beweging naar vrede toe,
naar recht, vrijheid en gemeenschap.
Het is een stem 'die de stilte niet breekt',
zo zacht en innig, maar tegelijk onweerstaanbaar.
Die bindende stem noem ik - door de Bijbel geleerd - God.
Hij is weerloos tegen elke ontkenning,
ook die van mij (en dat is goed),
maar hij laat me niet los.
Hij boeit mij, bemoedigt en troost mij.
Ik leef op zijn adem.

Schriftlezing: Lucas 6: 27-38
Tot jullie die naar mij luisteren zeg ik:
heb je vijanden lief,
wees goed voor wie jullie haten,
zegen wie jullie vervloeken,
bid voor wie jullie slecht behandelen.
Als iemand je op de wang slaat,
bied hem dan ook de andere wang aan,
en weiger iemand die je je bovenkleed afneemt
niet ook je onderkleed.
Geef aan ieder die iets van je vraagt,
en eis je bezit niet terug als iemand het je afneemt.
Behandel anderen zoals je wilt dat ze jullie behandelen. Is het een verdienste als je liefhebt wie jullie liefhebben? Want ook de zondaars hebben degenen lief die hen liefhebben. En is het een verdienste als je weldaden bewijst aan wie weldaden bewijzen aan jullie? Ook de zondaars handelen zo. En is het een verdienste als je geld leent aan degenen van wie jullie iets terug verwachten? Ook zondaars lenen geld aan zondaars in de verwachting alles terug te krijgen. Nee, heb je vijanden lief, doe goed en leen geld aan anderen zonder iets terug te verwachten; dan zullen jullie rijkelijk worden beloond, en zullen jullie kinderen van de Allerhoogste zijn, want ook hij is goed voor wie ondankbaar en kwaadwillig is.
Wees barmhartig zoals jullie Vader barmhartig is. Oordeel niet, dan zal er niet over je geoordeeld worden. Veroordeel niet, dan zul je niet veroordeeld worden. Vergeef, dan zal je vergeven worden. Geef, dan zal je gegeven worden, een stevig aangedrukte, goed geschudde en overvolle maat zal je worden toebedeeld. Want de maat die je voor anderen gebruikt, zal ook voor jullie worden gebruikt.

7.16 – Allen werden vervuld van ontzag en loofden God met de woorden: ‘Een groot profeet is onder ons opgestaan,’ en: ‘God heeft zich om zijn volk bekommerd!’

Overweging:
Lieve ‘kinderen van de Allerhoogste’. Zo mogen we ons noemen, het staat in de bijbel, maar een beetje vreemd klinkt het wèl, vindt u niet. Wat moeten we ons daarbij voorstellen?

Rowan AmmerlaanSommigen van u weten misschien al dat ik kort geleden een vierde kleinkind gekregen heb (ik heb het tenminste overal rondgebazuind, en trots de eerste foto’s laten zien), en daardoor heeft dat ‘kind van’ voor mij weer een nieuwe dimensie gekregen. Kleinzoon Rowan is een kind van mijn dochter en schoonzoon, broertje van Timo en Noa, dat in de eerste plaats, maar het voelt ook voor mij ‘eigen’, ik hoef er geen enkele moeite voor te doen om er vanaf het eerste moment van te houden. Zo moet dat voor de ‘Allerhoogste’ ook zijn, bij elk nieuw mensenkind dat geboren wordt. Maar of kleinzoon Rowan, van de andere kant, die bijzondere band met zijn oma ook zo gaat beleven, dat moet ik natuurlijk maar afwachten. En díe vergelijking kan je ook doortrekken, want dat geldt voor God ook. Die kan ons óók niet dwingen ons als  ‘kinderen van de Allerhoogste’ te gedragen. Maar Jezus doet hier wel een poging om ons uit te leggen wat de bedoeling is. Een ‘kind van de Allerhoogste’ moet zijn Vader gaan imiteren. Logisch, eigenlijk, want we weten allemaal dat ieder mensenkind zich op díe manier ontwikkelt, vanaf het eerste lachje, tot de taal, noem maar op, het is allemaal imitatie, tot je het onder de knie hebt en het iets van jezelf is geworden. Dus als wij kinderen van de Allerhoogste willen zijn, moeten we God gaan imiteren.

Ik zou bijna zeggen ‘amen’…. Maar helaas, zo simpel is het natuurlijk niet, want eigenlijk weten we nou nog niks. Iemand die niet in God gelooft zou al helemaal minachtend zijn schouders ophalen. Want hoe doe je dat? Hoe kan je als mens een Vader imiteren die je niet kan zien? Kúnnen we dat wel?? Dat probleem zien we ook een beetje in de tekst. Het lijkt zo op het eerste gezicht heel helder, die serie, laten we het maar ‘imitaties’ noemen, die Jezus opsomt.
‘Heb je vijanden lief,
als iemand je op je wang slaat, bied ook de andere,
gééf aan ieder die iets van je vraagt of het zelfs afpakt, en eis niets terug…
Helder, maar zijn ze gemakkelijk om na te volgen?! Nou nee, niet echt. Ten minste… niet voor mij. Als ik bijvoorbeeld in de krant lees, hoe sommige extreme moslims zich vijandig gedragen, tegenover de Westerse cultuur, tegenover vrouwen, joden… hoe sommige katholieke priesters zich gedragen tegenover homo’s die ter communie willen… hoe Wilders zich op zíjn beurt weer gedraagt tegenover moslims… dan ben ik alleen maar verbijsterd, en niet echt liefhebbend, moet ik toegeven… zouden we het probleem oplossen als we in alles toegeven aan hun eisen? Dat werkt toch niet. Het kan alleen goed komen, als er een sfeer van vertrouwen groeit, vertrouwen van beide kanten. En dat vertrouwen, okee, daar kunnen we dan mee beginnen, door zelf de eerste stap zetten, een nuchtere, verzoenende stap. Pinchas Lapide, die schreef over ‘heb je vijanden lief’, noemt drie voorwaarden voor zo’n eerste stap:
1) er moet een oprechte inspanning voor worden geleverd.
2) de ander moet overtuigd worden van jouw echte vredesgezindheid en
3) de situatie mag niet leiden tot een wezenlijke verzwakking van degene die eenzijdig iets toegeeft, omdat anders de indruk wordt gewekt dat de ander altijd maar ongestraft zijn gewelddadige gang kan gaan. Dictator Lenin schijnt het in dat verband gehad te hebben over ‘bruikbare idioten’, mensen die alles maar laten gebeuren, zich nergens tegen verzetten.

Het heeft weinig zin om zo’n ‘bruikbare idioot’ te worden. Dat had Jezus vást niet voor ogen, toen hij deze woorden sprak. Het zou nét zo dwaas zijn, als een opdracht aan mijn pasgeboren kleinzoon om morgen het bedrijf van zijn vader te gaan runnen. En toch, als hij stap voor stap leert wat zijn vader weet, van dezelfde dingen leert houden, wie weet, ooit, in de toekomst… Maar dan moet er wel eerst het één en ander gebeuren. Als hij de komende 20 jaar in zijn wieg blijft liggen, weten we zéker dat het nooit zo ver komt.  En daarom is het toch goed dat Jezus ons de rich¬ting wijst. Ons God leert zien, zodat we weten wat we kunnen leren imiteren. Dan kunnen wíj in actie komen, werken aan onze groei, en dat kan ons levenlang doorgaan. Want wat zegt Jezus hier, vaak indirect, over God? Dan moeten we even de omweg die hij maakt afsnijden. Jezus zegt, dat wij zó en zó moeten handelen, als we op God willen lijken. Dus mogen we aannemen dat God altijd zó bezig is. En nu draai ik het even om:

God, die heeft zijn vijanden lief.
God is goed voor wie ondankbaar en kwaadwillig is.
God zegent wie hem vervloeken, wie inhalig is geeft Hij nog méér.
God is barmhartig, en vol lief¬de, voor iedereen.
God is de allerhoogste, maar toch is hij zo vertrouwd met ieder mens als een vader met zijn eigen kinde¬ren.
God oordeelt niet, véroordeelt niet, maar vergeeft en geeft.

Dát staat er allemaal. Ik was zelf verbaasd, toen ik het zo op een rijtje zette. ZO mooi kan het toch niet zijn, zegt een oud stemmetje dan van binnen… Hier zit vast een addertje onder het gras. Lees maar verder, al die regels: vergeef, dán zal je vergeven worden, enzovoort. Zie je wel, God doet al dat goede alleen maar, als ik het zelf ook doe. Conclusie: aangezien ik dat niet kan, doet God al dat goede ook niet zomaar.

Maar wie zo redeneert, gebruikt de tekst precies op de verkeerde manier. Dan gebruiken we de tekst niet om te leren hoe we steeds meer als God kunnen worden, maar dan gebruiken we de tekst om God omlaag te halen, dan wordt hij net als wijzelf, net zo klein, net zo ‘voor wat hoort wat’, net zo afwachtend als we zelf zijn. Dat is misschien wel gemakkelijker te hanteren, maar wijzer worden we er niet van, en veranderen doet er ook niks. God is toevallig wél de ‘Allerhoogste’. Stukken hoger en groter dan wij. God lijkt niet op óns, maar wil dat wíj op Hém gaan lijken.

Hoe doen we dat nou. Allereerst door ons liefdevol te verbinden. Door jezelf werkelijk te beschouwen als een ‘kind van de Allerhoogste’, en daar steeds meer naar te leren leven. Zoals je als kind verbonden bent met je ouders, zo ben je ook verbonden met God. Maar een kind dat zijn ouders niet kent, kan er ook niets van leren, er geen voorbeeld aan nemen. Dus die verbondenheid moet groter zijn dan een vaag idee dat God bestaat, een idee waar je verder niets mee doet, behalve dan misschien naar de kerk gaan. God is een levende werkelijkheid. God is in liefde verbonden met jou, en wil je dingen leren, je laten groeien, dus het minste wat je kan doen is die liefde beantwoorden, luisteren, navolgen, steeds meer uit die liefde leren LEVEN. Niet je leven lang in de wieg blijven liggen, bij wijze van spreken.

Zo’n soort verbinding kennen we natuurlijk allemaal wel, met onze ouders, vrouw of man, kinderen, vrienden… En we weten ook dat die altijd grote invloed op ons uitoefent. Een simpel voorbeeld: een vrouw vertelt me over haar man die allerlei problemen heeft op zijn werk. Als hij ’s avonds thuiskomt, is hij echt niet te genieten. ‘Hoe ga je daar dan mee om’ vroeg ik.
‘Nou’, zei ze, ‘ik trek me er niks van aan hoor. Als hij er nog niet is, is het gezellig thuis, maar als hij thuis komt, en meteen begint te mopperen en met deuren te slaan, word ik heel boos en zeg hem dat hij het niet op mij af moet reageren'.

Het kostte me moeite om haar duidelijk te maken, dat ze zich  dus wel degelijk iets van hem aantrok: haar goede stemming maakte plaats voor woede. Zo sterk reageren mensen op elkaar. En dan hoeft de band niet eens zo sterk te zijn. Ga maar eens naar een restaurant, en tref een ober die heel chagrijnig doet, en voor wie elke bestelling er één te veel is – daar word je zelf niet vrolijk van, en tien tegen één ga je de volgende keer ergens anders heen. Zo sterk laten we ons beïnvloeden, telkens maar weer.

En nu is daar de raad van Jezus, die zegt: verbind je met God. Vertrouw er op, dat God je de moeite waard vindt, aandacht voor je heeft. Word een kind van de Allerhoogste. En laat je door hem beïnvloeden. God vergeeft – doe jij dat ook. God heeft lief – dan ga jij dat van de weeromstuit ook doen. Ik gaf twee negatieve voorbeelden van menselijke beïnvloeding, door de echtgenoot en de ober, er zijn natuurlijk ook pósitieve. Misschien herinnert u zich de preek van twee weken geleden, toen we het hadden over de ‘doxa’, de glans. Als je zelf in een uitstekende vrolijke bui bent, dan merk je, dat de mensen om je heen ook ineens een liedje gaan fluiten of een grapje maken. Het werkt aanstekelijk, zeggen we dan. Jezus zegt het anders, die zegt: ‘Geef, dan zal je gegeven worden’. Zo gaat dat dus. Wie zich met God verbindt, en zich door Hem laat beïnvloeden, die verandert, en daarmee veranderen ook de mensen om hem of haar heen. Dat kán niet anders. En zo gaan we dan, stapje voor stapje, op weg naar de Allerhoogste. Of, om het nog eens in de woorden van Bert ter Schegget te zeggen:
Ik kom in beweging naar vrede toe,
naar recht, vrijheid en gemeenschap.
Het is een stem 'die de stilte niet breekt',
zo zacht en innig, maar tegelijk onweerstaanbaar.
Die bindende stem noem ik - door de Bijbel geleerd - God.
Hij is weerloos tegen elke ontkenning,
ook die van mij (en dat is goed),
maar hij laat me niet los.
Hij boeit mij, bemoedigt en troost mij.
Ik leef op zijn adem.
Amen.


 

Avondmaalsviering Elthetokerk 28 februari 2010

Kaars aansteken
tekst:
God sterft niet
op de dag waarop wij niet meer in een persoonlijke god geloven,
maar wij sterven - op de dag
waarop het leven voor ons
niet meer doorstraald wordt
door de glans van het telkens opnieuw geschonken wonder,
uit bronnen die ieder verstand te boven gaan.
(Uit: ‘Merkstenen’ 1963, Dag Hammarskjöld)

Kinderkring:
William Blake - een droom (vertaald door Willem Wilmink - uit: ‘kinderen’ )

Ik lag netjes in mijn bed
maar ik droomde: het was net
of ik in een weiland lag
waar ik een bang miertje zag:

ach, ze wist de weg niet meer,
viel, stond op, en viel dan weer
over takjes of een blad
en ze zei: ‘Het is me wat!

En mijn kinderen huilen maar
en hun vader zucht zo zwaar
en ze kijken vol verdriet
langs het pad en zien me niet.’

Op míjn wang was ook een traan.
Toen kwam er een glimworm aan.
‘Hé!’ riep hij, ‘zo is’t genoeg,
want hier is de nachtwachtploeg:

Torrema die de ronde doet,
ik die hem bijlichten moet.
Heus, wij maken dat je gauw
thuiskomt, kleine miermevrouw!’

Eerste schriftlezing: Exodus 34: 27/35  (Iedereen heeft wel eens de ervaring in een gesprek over geloof dat iemand met het citeren van een bijbeltekst zijn of haar gelijk wil bewijzen… en hoe frustrerend dat is. Je zou je, in zo’n geval, een paar dingen af kunnen vragen: punt 1) heeft de bijbel inderdaad altijd gelijk? Dat is natuurlijk absoluut níet zo. De bijbel is een verhalenboek, geen orakelboek. Punt 2): wordt die tekst misschien ook nog eens uit zijn verband gerukt, of bewust verkeerd geïnterpreteerd om het eigen gelijk te bewijzen? Die laatste methode is al zo oud als de bijbel zelf, sterker nog: de bijbel doet er zelf aan mee. Ik ga het u zo laten horen, en daarmee bewijs ik dan meteen mijn antwoord op punt 1. Bij de voorbereiding voor de dienst van vandaag was ik op zoek naar teksten over de ´glans´, de ´heerlijkheid´ van God, en stuitte ik bij toeval op een tekst van Paulus, waarin hij bewust een tekst uit het oude testament verdraait om zijn eigen gelijk te bewijzen. De tekst van Paulus komt later, eerst lees ik u het verhaal uit Exodus 34, en wil ik u vragen goed te letten op dat woordje ‘glans’ en de effecten daarvan.

Exodus 34: 27 - 35
De EEUWIGE zei tegen Mozes: ‘Stel deze geboden op schrift, want op grond van deze geboden sluit ik met jou en de Israëlieten een verbond.’ Veertig dagen en veertig nachten bleef Mozes daar bij de EEUWIGE, zonder te eten of te drinken. En hij schreef de tekst van het verbond, de tien geboden, op de platen.
Mozes daalde de Sinai af, met de twee platen van het verbond bij zich. Hij wist niet dat zijn gezicht glansde doordat hij met de EEUWIGE had gesproken. Toen Aäron en de andere Israëlieten de glans op Mozes’ gezicht zagen, durfden zij niet naar hem toe te gaan, maar Mozes riep hen bij zich. Aäron en de leiders van het volk kwamen bij hem en Mozes sprak met hen. Daarna kwamen ook de andere Israëlieten. Hij droeg hun op zich te houden aan alles wat de EEUWIGE hem op de Sinai gezegd had. Toen hij uitgesproken was, bedekte hij zijn gezicht met een doek. Steeds wanneer Mozes voor de EEUWIGE verscheen om met hem te spreken, deed hij de doek af, totdat hij weer naar buiten kwam. Als Mozes de Israëlieten dan zei wat hem opgedragen was, zagen zij hoe zijn gezicht glansde. Daarna bedekte hij zijn gezicht met de doek, totdat hij opnieuw met de EEUWIGE ging spreken.

2 Korintiërs 3 : 6 / 18

Jezus heeft ons geschikt gemaakt om het nieuwe verbond te dienen: niet het verbond van een geschreven wet, maar dat van zijn Geest. Want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.
Wanneer wat de dood bracht en met letters in steen werd gegrift, al met zoveel luister verscheen dat het volk van Israël niet naar Mozes kon kijken door de stralende glans op zijn gezicht – een glans die verdween –, zal dan wat de Geest brengt niet nog groter luister hebben? Wanneer wat tot veroordeling leidt al met luister is bekleed, dan is wat tot vrijspraak leidt dat des te meer. De luister van toen is niets in vergelijking met de overweldigende luister van nu. Wanneer wat verdwijnt al luister bezit, geldt dat des te meer voor wat blijft. Dit is onze hoop, en daarom handelen we in alle openheid en zijn we niet als Mozes, die zijn gezicht met een sluier bedekte, zodat de Israëlieten niet konden zien dat de glans verdween. Hun denken verstarde, en dezelfde sluier ligt tot op de dag van vandaag over het oude verbond wanneer het voorgelezen wordt. Hij wordt alleen in Christus weggenomen. Tot op de dag van vandaag ligt er een sluier over hun hart, telkens als de wet van Mozes wordt voorgelezen. Maar telkens als iemand zich tot de Eeuwige wendt, wordt de sluier weggenomen. Welnu, met de Eeuwige wordt de Geest bedoeld, en waar de Geest van de Eeuwige is, daar is vrijheid. Wij allen die met onbedekt gezicht de luister van de Eeuwige aanschouwen, zullen meer en meer door de Geest van de Eeuwige naar de luister van dat beeld worden veranderd.

Derde schriftlezing: Lucas 9 : 28 - 36

Jezus ging met Petrus, Johannes en Jakobus de berg op om te bidden. Terwijl hij aan het bidden was, veranderde de aanblik van zijn gezicht en werd zijn kleding stralend wit. Opeens stonden er twee mannen met hem te praten: het waren Mozes en Elia, die in hemelse luister verschenen waren. Ze spraken over het levenseinde dat hij in Jeruzalem zou moeten volbrengen. Petrus en de beide anderen waren in een diepe slaap gevallen; toen ze wakker schoten, zagen ze de luister die Jezus omgaf en de twee mannen die bij hem stonden. Toen de mannen zich van hem wilden verwijderen, zei Petrus tegen Jezus: ‘Meester, wij voelen ons hier zo gelukkig. Laten we drie tenten opslaan, een voor u, een voor Mozes en een voor Elia,’ maar hij wist niet wat hij zei. Terwijl hij nog aan het spreken was, kwam er een wolk aandrijven, die een schaduw over hen wierp; ze werden bang toen de wolk hen omhulde. Er klonk een stem uit de wolk, die zei: ‘Dit is mijn Zoon, mijn uitverkorene, luister naar hem!’ Toen de stem verstomd was, was Jezus weer alleen. Ze zwegen over het voorval en vertelden in die tijd aan niemand wat ze hadden gezien.

Overweging:
De meesten van u zullen het verhaal van de verheerlijking op de berg al vele malen hebben gehoord. Matteüs, Marcus en Lucas vertellen het alle drie, en zo staat het ieder jaar weer op het kerkelijke leesrooster, in de veertigdagentijd, want Mozes en Elia verschenen niet voor niets: het heeft alles te maken met het naderende levenseinde van Jezus, maar dan wel onmiddellijk gekoppeld aan hemelse luister. Prachtige woorden, vind u niet, ‘hemelse luister’. Al had ik geen idee wat dat precies betekende. U? Vroeger werd ‘luister’ vertaald met ‘heerlijkheid’… dat helpt ook niet veel. Het Griekse woord is 'Doxa'. Bij de Grieken betekende dat ‘mening’, en vandaar uit werd ‘doxa’ ook gebruikt voor de mening die een ander over jou had, je reputatie dus, meestal in de goede zin van het woord. ‘Roem’, en ‘eer’ kan je daarom ook terugvoeren naar dat zelfde woord ‘doxa’. Maar dan gebeurt er iets vreemds. In de bijbel krijgt  ‘doxa’ ineens een hele andere betekenis.

Dat heeft alles te maken met de Septuaginta. Zo’n twee eeuwen voor Christus is het Hebreeuwse oude testament in Alexandrië vertaald in het Grieks, omdat het oude Hebreeuws voor de meeste joden daar niet meer te begrijpen was. Volgens een joodse legende zou de Egyptische koning Ptolemaeus II 72 vertalers uit Jeruzalem hebben laten komen, die in 72 dagen de vertaling van de Torah zouden hebben voltooid. 72 werd verkort tot 70 en zo kwam deze vertaling aan zijn naam: ‘Septuaginta’. Deze Bijbelvertaling in het Grieks heeft een belangrijke rol gespeeld in de joodse geschiedenis, maar meer nog in de geschiedenis van de christelijke kerk. De Septuaginta is namelijk de officiële tekst van het oude testament in de oude kerk geworden. Ook de schrijvers van het nieuwe testament gaan meestal uit van de Septuaginta en niet van de Hebreeuwse tekst. Dit heeft tot gevolg gehad dat men in het nieuwe testament soms aanhalingen uit het oude vindt die niet in overeenstemming zijn met de Hebreeuwse tekst, maar wel met de Septuaginta. Een beroemd voorbeeld is te vinden in Matteüs 1:23. Daar wordt Jesaja 7:14 geciteerd. Rechtstreeks uit het Hebreeuws vertaald luidt deze passage: ‘Zie de jonge vrouw wordt zwanger en baart een zoon, en zij noemt zijn naam Immanuel.’ In de Septuaginta wordt het Hebreeuwse woord voor ‘jonge vrouw’ met ‘maagd’ weergegeven. Matteüs volgt de Septuaginta. Vandaar dat er staat: ‘Zie, de maagd  zal zwanger worden’… en zo zijn, via een klein vertaalverschilletje, de verhalen over de maagd die een kind krijgt de wereld in gekomen.

Maar we dwalen af. Het ging om de ‘doxa’. Dat woord is in de Septuaginta gebruikt om een Hebreeuws woord te vertalen, ‘kabod’. ‘Kabod’ betekent ook ‘eer’, maar het betekent ook nog iets anders, namelijk ‘glans’. En dan moeten we in dit verband vooral denken aan een Goddelijk soort stralende glans, een licht dat soms op aarde zichtbaar kan worden als er een bijzonder contact is, zoals toen met Mozes, maar ook later, bij de profeten in hun visioenen, en bij verschijningen van engelen.
Dankzij dat Hebreeuwse woord ‘kabod’ verandert het bijbelse ‘doxa’ in het ingewikkelde woord dat wij kennen, en wordt het afwisselend vertaald met ‘glans’ of ‘heerlijkheid’, of ‘luister’… Eigenlijk is het dat, wat wij hier op aarde kunnen ervaren van God. Het heeft te maken met licht, het geeft zo’n bijzonder gevoel van geluk dat Petrus, die er alleen maar naar kijkt, er helemaal van in de war raakt. En voor je het weet schuift er de schaduw van een wolk voor, of een sluier, want we zijn hier op aarde, en pas later, na onze dood, zullen we voor altijd in die ‘doxa’ in dat juichende Goddelijke licht zijn, dat kenmerk van Gods aanwezigheid.

Maar er is meer. Want Paulus mag dan in zijn brief aan de Korintiërs een beetje uit de bocht schieten als hij de oude joodse wetten afzet tegen het nieuwe geloof, hij heeft wel een punt. Volgens hem is er iets wezenlijks veranderd. ‘Telkens als iemand zich tot de Heer wendt, wordt de sluier weggenomen. Welnu, met de Heer wordt de Geest bedoeld, en waar de Geest van de Heer is, daar is vrijheid. Wij allen die met onbedekt gezicht de luister van de Heer aanschouwen, zullen meer en meer door de Geest van de Heer naar de luister van dat beeld worden veranderd.'

We hoeven niet meer, zoals de Israëlieten toen voor de glanzende Mozes, bang te zijn. We hoeven niet meer uitsluitend gehoorzaam te zijn aan dode letters, zelfs niet als het Bijbelse letters zijn. We zijn vrije mensen geworden, die zelf dat contact kunnen maken, of, in de woorden van Paulus, we kunnen ons zelf tot de Heer wenden, en dan wordt de sluier weggenomen. Daar heeft Jezus voor gezorgd. Dan komen we zelf in aanraking met die ‘doxa’, met dat juichende Goddelijke Licht, nu al, hier, op deze aarde. Dan ben je niet meteen een Mozes, of een Jezus, maar het verandert je wel, langzaam maar zeker. Tenminste, dát is de ervaring van Paulus, en daarna de ervaring van talloze mensen. Niet omdat Paulus dat gezegd heeft, maar omdat ze het zelf uitgeprobeerd hebben. Op zoek naar de doxa, naar het juichende goddelijke licht, kenmerk van Gods aanwezigheid hier bij ons.

In de kerk doen we eigenlijk niets anders. Bidden, overweging, zingen, avondmaal… het is een zoeken naar de doxa, maar het is tegelijk ook al de doxa zelf. Want telkens als je je tot God wendt, is het aanwezig. Dan straalt die glans al op jou af. Dat kent u vast wel, want op menselijk vlak gebeurt hetzelfde. Ik kwam van de week iemand tegen die net haar rijbewijs had gehaald, en ze was helemaal in de wolken. Na dat gesprekje was ik zelf ook helemaal blij en gelukkig. Uitstraling, noemen we dat, en zo werkt het naar Boven ook. Maar je hoeft niet altijd passief af te wachten, je kan ook het initiatief nemen, simpelweg jezelf de vraag stellen ‘hoe kan ik meer glans aan mijn leven geven, en aan dat van anderen’… en aan de slag gaan met het antwoord.

We kunnen straks meteen de proef op de som nemen, als we het avondmaal gaan vieren. Vaak zijn we daar erg serieus bij, en dat is ook niet verkeerd, het is ook een belangrijk en groots moment. Maar je kan je ook richten op de doxa. De glans van Jezus, zoals hij daar biddend op die berg stond. Een glans waarin we mogen delen: hij deelt ten slotte niet voor niets brood en wijn met ons. Dus stel je maar voor straks, dat wij allemaal in dat licht staan, delen in die glans, en eet zo je brood, drink je wijn, en weet dat we vrije mensen zijn, geliefde kinderen van God, een God van licht en liefde. Amen.
 


 

Viering Elthetokerk 14 februari 2010

Kaars aansteken:
tekst: (Volzin, 11 januari 2010, Jeroen Gooskens: (opinieprijs) een man die na een lang proces van vervreemding van kerk en geloof een pelgrimstocht maakt naar Santiago, en al lopend tot de ontdekking komt toch 'ongeneeslijk religieus' te zijn:
‘Ik blijf talen naar dromen en verhalen die het hier en nu overstijgen en getuigen van onze onstilbare honger naar transcendentie. Maar één weg is er om God te zoeken, en die weg gaat langs het pad van de eigen geschiedenis. Om Hem te vinden, zal een mens moeten graven in de grond waarop hij staat. Dat veroordeelt hem niet tot stilstand; integendeel, de zoektocht van de verwondering brengt hem steeds opnieuw in beweging. Om houvast te vinden moet hij loslaten, om thuis te komen, moet hij op weg gaan.

Verhaal voor de kinderkring:

Voor jullie naar de kinderkring gaan, wil ik jullie nog even een verhaaltje vertellen over een meisje dat Saskia heet. Saskia heeft een leuke vader en moeder, twee broers en een zus, en dat is vaak heel gezellig, maar niet altijd. Want soms zit haar moeder zo te zéuren. Zit je net naar een leuk tv-programma te kijken, en dan móet je weer wat. Opruimen, of de tafel dekken, of een boodschap doen. ‘Dat doe ik stráks wel’, zegt Saskia dan, en dan zegt haar moeder ‘née, het moet nú’, en dan krijgen ze ruzie. Als hun moeder weer eens aan het mopperen is geslagen, wordt het ineens, midden in een zin, stil. Saskia kijkt de anderen eens aan: ‘huh? Wat gebeurt er nou?’ ‘Weet je wat,’ zegt haar moeder, ‘ik hou hiermee op. Voortaan hoeft niemand hier in huis meer iets te doen’. Ze kijken elkaar wat onzeker aan. Méént ze dat nou?! Wauw! Eindelijk wordt ze verstandig! De moeder van Saskia pakt een boek en gaat met een zucht zitten. Ziezo. Wat een rust! Die dag doet niemand meer iets. Als er iemand trek krijgt, pakt zij of hij wat uit de koelkast, bordjes staan her en der in de kamer, gebruikte glazen en kopjes vormen een lange rij op de tafel. Tevreden gaan ze slapen. De volgende dag komen ze nog maar nèt op tijd op school, want hun moeder had ze niet, zoals ze anders altijd deed, wakker geroepen en ontbijt klaargemaakt. Dat was wel een beetje vervelend, eigenlijk. Toen Saskia ’s middags thuis kwam, had ze flink honger. Maar wat nu?! Ze kreeg de deur bijna niet open! Achter de deur lag een hoge stapel jassen en tassen, die iedereen daar zo had neergegooid. En toen ze eindelijk in de keuken kwam, bleek de koelkast leeg. Alles was opgegeten, en niemand had blijkbaar zin om boodschappen te doen! In de kamer zaten haar broers en zus tussen alle troep chagrijnig te kijken. ‘Mam’, zei Saskia, ‘dit is niet leuk meer hoor’. ‘Hè, wat?’ Zei haar moeder, ‘ik heb nu even geen tijd, mijn boek is bíjna uit’… Saskia wenkt haar broers en zus mee de gang op. Het gesprek duurt maar kort. Met z’n allen marcheren ze de kamer weer in, en gaan voor hun moeder staan. ‘Mam’… nu legt ze haar boek neer en kijkt ze aan. ‘Mam, we begrijpen het. Als niemand meer wat doet, wordt het een puinhoop. Dus mag het nu alsjeblieft weer gewoon worden?’ Mama kijkt ze peinzend aan. ‘Dat is goed. Maar onder één voorwaarde. Dat we het met elkáár doen, dat we allemáál ons steentje bijdragen’. En dat beloven ze. Opgelucht ruimen ze samen de rommel op, en als hun moeder wat vraagt springen ze, in ieder geval díe dag, meteen overeind.

Schriftlezing: 1 petrus 1 / 22 - 2 / 10

Nu u gehoorzaam bent aan de waarheid, is uw hart gelouterd en kunt u oprecht van uw broeders en zusters houden; heb elkaar dan ook onvoorwaardelijk lief, met een zuiver hart, als mensen die opnieuw zijn geboren, niet uit vergankelijk maar uit onvergankelijk zaad, door Gods levende en altijd blijvende woord. ‘De mens is als gras en zijn schoonheid als een bloem in het veld: het gras verdort en de bloem valt af, maar het woord van de Heer blijft eeuwig bestaan.’ Dit woord is het evangelie dat u verkondigd is.
Ontdoe u dus van alles wat slecht is, van alle bedrog en huichelarij, alle afgunst en kwaadsprekerij, en verlang als pasgeboren zuigelingen naar de zuivere melk van het woord, opdat u daardoor groeit en uw redding bereikt. U  hebt toch ondervonden hoe goed de Heer is? Voeg u bij hem, bij de levende steen die door de mensen werd afgekeurd maar door God werd uitgekozen om zijn kostbaarheid, en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijke tempel. Vorm een heilige priesterschap om geestelijke offers te brengen die God, dankzij Jezus Christus, welgevallig zijn. In de Schrift staat immers: ‘In Sion leg ik een hoeksteen die ik heb uitgekozen om zijn kostbaarheid; wie daarop vertrouwt, komt niet bedrogen uit.’ Kostbaar is hij voor u, die erop vertrouwen. Voor wie er niet op vertrouwen, geldt echter: ‘De steen die de bouwers afkeurden is de hoeksteen geworden.’ En: ‘Het is een steen waarover men struikelt, een rotsblok waaraan men zich stoot.’ Zij struikelen omdat ze Gods woord niet gehoorzamen, daartoe zijn ze bestemd. Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht. Eens was u geen volk, nu bent u Gods volk; eens viel Gods ontferming u niet ten deel, nu wordt zijn ontferming u geschonken.

Overweging:

Lieve mensen, vandaag is het ambtsdragersdag. We krijgen er een nieuwe diaken en een nieuwe ouderling bij: Els en Cor. En verder zijn er een aantal ambtsdragers die nog weer voor een nieuwe periode hebben bijgetekend: Joke, Jan, Ernst en Wim. Als er ambtsdragers bevestigd of herbevestigd worden, is dat een goede aanleiding om een gedeelte te lezen uit de brieven, die achter in de bijbel staan. Als je wilt weten hoe de gemeente van Christus zich dient te gedragen, wat er van je verwacht wordt, dan moet je dáár zijn, in elke brief worden uitgebreide aanwijzingen gegeven. Maar of we er nú zoveel wijzer van worden?! ‘U bent een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie’…. hmm. Ik vermoed dat onze nieuwe én oude ambtsdragers zich niet onmiddellijk aangesproken zullen voelen… Maar misschien helpt het als we beginnen met iets van de omstandigheden te vertellen, waarin deze brieven zijn ontstaan. De brief, de titel zegt het al, zou geschreven zijn door Petrus, maar dat is, zoals het hoort in theologenland, omstreden. Een belangrijk argument daarbij is, dat het veel te goed Grieks is voor een eenvoudige visser. Anderen wijzen er weer op, dat aan het einde van de brief nog een hulpschrijver wordt genoemd: Silvanus, die heel goed samen met Petrus, of in opdracht van Petrus, de woorden op papier gezet kan hebben. Ik ben zelf altijd geneigd om de simpelste theorie voor waar aan te nemen, dus ga ik er maar van uit, dat deze brief geschreven is door Silvanus en Petrus, in, zo staat aan het eind, ‘Babylon’, en daar wordt vaak Rome mee bedoeld. Petrus was zo ongeveer vanaf het jaar 65 in Rome, dus ergens in die jaren is deze brief naar allerlei gemeentes in Klein-Azië gegaan. Die kleine groepen bekeerlingen konden wel een steuntje in de rug gebruiken, ze hadden het niet gemakkelijk in een maatschappij die over het algemeen behoorlijk vijandig tegenover die rare godsdienst stond. Ze werden gezien als een stel atheïsten, omdat ze weigerden nog langer mee te doen aan allerlei rituelen rond de plaatselijke goden en godinnen. Heel bedreigend natuurlijk, voor mensen die dachten dat het welzijn van hun land, hun familie, dáárvan afhing. Behoorlijk asociaal dus, zo leek het. Hoe konden ze dat imago weer wat opkrikken? In alle brieven wordt er mede daarom op gehamerd dat christenen zich werkelijk model moeten gedragen. Niets mogen ze doen of zeggen dat nog extra koren op de molen van hun tegenstanders zou kunnen zijn. Dankzij al die aanwijzingen in de brieven denken wij nu nog steeds dat die eerste gemeentes een soort model-gemeenschappen waren, en, erger nog, dat wíj dat ook moeten zijn. Zeker als je ambtsdrager bent. En als dat dan niet lukt, voel je je schuldig, schiet je tekort.

Mochten er hier nog mensen zijn die dat gevoel hebben, dan heb ik goed nieuws voor u: het hoeft niet. Als Petrus of Silvanus van die grote woorden gebruikt, probeert hij mensen juist van die schuldgevoelens áf te helpen. Die woorden ‘uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters’ zijn juist bedoeld om zelfvertrouwen te geven, om te laten zien hoe je als ‘kind van God’ mag leven in groeiend vertrouwen op zijn goedheid, in liefde. En daarmee vorm je als gemeente een ‘koninkrijk van priesters’, omdat je dan net als een priester bezig bent God bij de mensen te brengen, op aarde ‘neer te zetten’. Hendrikse zou zeggen: ‘Je laat, met elkaar, God gebeuren’.

Nou ja. In de praktijk van nu betekent het gewoon dat iedereen in de kerk wat doet. Je gaat naar de zanggroep, je timmert een geweldige geluidskast, je zorgt voor het zondagse bloemetje, je bent 12 jaar diaken, je bent 25 jaar kinderkringleidster… zo kan ik nog eindeloos doorgaan. We dragen allemaal ons steentje bij, allemaal op onze eigen manier. En het is allemaal waardevol, want met al die steentjes bouwen we samen de kerk, en dat doen we niet zomaar, maar omdat we hetzelfde streven hebben, hetzelfde doel belangrijk vinden: God laten gebeuren in deze wereld.

Petrus gebruikt een dergelijk beeld als hij het heeft over Jezus als de levende hoeksteen, speciaal door God uitgekozen. Hij dacht aan een totaal nieuw soort tempel, deze keer niet van baksteen of marmer. Zijn kerkgebouw is van een geestelijk soort, gebouwd van licht en energie, alsof het enthousiaste geloof van die kleine groep mensen nieuwe, kleurrijke niet-stoffelijke vormen en bouwstenen kan creëren, die met de geestelijke hoeksteen die Jezus Christus heet een schitterend bouwwerk oplevert. Hij ziet dat geestelijke gebouw als iets eeuwigs, als een gebouw dat tot in de hemel reikt, en al het onvolmaakte aardse in zich op kan nemen.

Ik vind het een prachtig visioen. Het geeft ons kerkenwerk, een dimensie, die vrolijk maakt. Je kan het zelfs uit laten groeien tot een manier van leven, die alles omvat: Je doet het niet alleen voor jezelf, en niet alleen voor een ander - je doet het ook om God te laten gebeuren, om daarin te oefenen, daarin te groeien. En dat is per definitie een gebeuren vol licht en liefde.

Lieve ambtsdragers. Jullie gaan straks voor het eerst of opnieuw ‘ja’ zeggen, en daar zijn we allemaal heel erg blij mee. Zo vormen ook jullie de stenen voor die kerk waarvan Jezus de hoeksteen is. Geen massieve stenen, maar brokjes licht, en energie, die samen iets van de liefde van God zichtbaar mogen maken hier op deze aarde. Dat blijft natuurlijk niet beperkt tot ambtsdragers, en zelfs niet tot kerkgangers, ook daarbuiten kan je op allerlei manieren bouwen aan die tempel van God. En zo mag je steeds beter gaan beseffen dat je bedoeld bent om een levend deel te zijn van het Licht – zelf Licht, en zo een Licht voor anderen. Amen.
 
 
























Viering Elthetokerk 24 januari 2010

Paaskaars aansteken:
Aan een joodse rabbi werd door een leerling een vraag gesteld: "Vroeger waren er mensen die God van aangezicht tot aangezicht zagen. Waarom zijn die er vandaag niet meer?" De rabbi antwoordde: "Omdat vandaag niemand zich meer zo diep wil bukken....."

(Middeleeuws) gebed:
O God, ik draag
U op vandaag
al is het klein van waarde
al wat ik ken
al wat ik ben
al wat ik heb op aarde.
Ik wil van nu
Voortaan voor U
en t'Uwer hoogste ere
naar Gij gebiedt
en anders niet
gebruiken of ontberen.

Eerste schriftlezing: psalm 131  Een pelgrimslied van David.

HEER, niet trots is mijn hart,
niet hoogmoedig mijn blik,
ik zoek niet wat te groot is
voor mij en te hoog gegrepen.

Nee, ik ben stil geworden,
ik heb mijn ziel tot rust gebracht.
Als een kind op de arm van zijn moeder,
als een kind is mijn ziel in mij.

Israël, hoop op de HEER,
van nu tot in eeuwigheid.

Tweede 'lezing': lied ‘if it be your will’ van Leonard Cohen

If it be your will                          Als het jouw wil zou zijn
That I speak no more                   dat ik niet meer spreek
And my voice be still                   en mijn stem stil wordt
As it was before                          zoals vroeger
I will speak no more                   Ik zal niets meer zeggen
I shall abide until                       Ik zal wachten totdat
I am spoken for                          Er voor me gepleit is
If it be your will                         Als het jouw wil zou zijn

If it be your will                           Als het jouw wil zou zijn
That a voice be true                     Dat een stem echt is
From this broken hill                   Vanaf deze gebroken heuvel
I will sing to you                         Zal ik tot jou zingen
From this broken hill                   Vanaf deze gebroken heuvel
All your praises they shall ring     Zullen al jouw lofzangen klinken
If it be your will                          Als het jouw wil zou zijn
to let me sing                               Om mij te laten zingen

From this broken hill                      Vanaf deze gebroken heuvel
All your praises they shall ring        Zullen al je lofzangen klinken
If it be your will                              Als het je wil zou zijn
To let me sing                                 Om mij te laten zingen
If it be your will                             Als het je wil zou zijn
If there is a choice                         Als er een keuze is
Let the rivers fill                            Laat de rivieren volstromen
Let the hills rejoice                        Laat de heuvels juichen
Let your mercy spill                       Laat je genade zich uitstorten
On all these burning hearts in hell  Over al deze brandende harten in de hel
If it be your will                             Als het je wil zou zijn
To make us well                             Om ons heel te maken

And draw us near                        En haal ons dichtbij
And bind us tight                        En bind ons stevig
All your children here                 Al je kinderen hier
In their rags of light                   In hun flarden van licht
In our rags of light                     In onze flarden van licht
All dressed to kill                       Allemaal gekleed om te doden
And end this night                      En eindig deze nacht
If it be your will                         Als het jouw wil zou zijn

Overweging:

Niets is zo moeilijk, als naar de wil van God leven…
Het lijkt zo simpel, als Jezus ons in twee zinnetjes de samenvatting van alle regels geeft: ‘heb uw God lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht. En het tweede, hieraan gelijk, is dit: heb uw naaste lief als uzelf.’  Maar als je er éven bij stilstaat, dringt al gauw tot je door dat dit natuurlijk helemaal nooit gaat lukken. Liefhebben met héél je hart, met héél je ziel, met héél je verstand, en met al je kracht? Het lijkt me een menselijk onmogelijke zaak. Maar goed, de bijbel heeft er wel vaker een handje van om van ons het onmogelijke te eisen, dus in de praktijk kleuren we het wat realistischer in, en zeggen we dat we niemand kwaad moeten doen, aardig moeten zijn voor elkaar....

En zelfs dat levert problemen op, ontdekte onze overheid. Heeft u het gelezen, van de nieuwe actie van sire? Een paginagrote advertentie van een omaatje met een stroopwafel, waarin ons wordt uitgelegd dat móchten wij zo’n wereldvreemd wezen tegenkomen die zomaar aardig is tegen een onbekende, dat we dan niet moeten schrikken, en ook niet vervelend moeten gaan doen, nee, gelukkig gaat Sire ons nu uitleggen hoe we daarmee op de juiste manier om kunnen gaan! En op de website staat, dat je kleine kadootjes zoals die stroopwafel best aan mag pakken, en als je zelf ook eens iets aardigs wil proberen, kan je zelfs overwegen om ‘dank je wel’ te zeggen! Fantastisch toch? Als de Nederlandse samenleving híer niet aardiger van wordt, dan weet ik het niet meer.

Zo zijn we met z’n allen toch wel tamelijk ver afgedwaald van die radicale woorden van Jezus, die oproepen tot een totale en complete liefde. Als water bij de wijn uiteindelijk leidt tot zo’n idiote sire-actie, zijn er dan ook nog andere manieren te bedenken om hiermee om te gaan?
Leven naar de wil van God. De kerk heeft er wat mee afgetobd, met die onmacht van mensen om dat werkelijk te doen. Tallozen kregen en krijgen daarom een schuldgevoel aangepraat, of het idee dat ze niets waard zijn, ‘niet in staat tot enig goed en geneigd tot alle kwaad’… zo word je als mens op een christelijke manier de grond in geboord. Op de contactavond afgelopen week hoorden we nog een verhaal van iemand die als meisje op zondag was gaan schaatsen, en haar been brak. Haar moeder zei ijskoud dat het haar verdiende loon was, een straf van God, want je wéét toch dat een mens op zondag niet mag schaatsen?! Die moeder wist alles over zonde en schuld, maar wist ze ook iets van de liefde?

Van de weeromstuit weigeren mensen vaak nog langer na te denken over die Bijbelse begrippen als ‘schuld’ en ‘zonde’ en ‘genade’. Ik denk dat u die woorden in de preken hier in de kerk weinig tegen zal komen, klopt dat? Ik gebruik ze zelf in ieder geval zelden of nooit, omdat ik maar al te goed weet welke werelden van ervaring daar achter zitten - hoe mensen daardoor beschadigd zijn, of zelfs hun geloof hebben vaarwel gezegd, want wat moet je met een God die jou kleineert en straft voor de meest onnozele dingen? Zo’n God willen we niet - en terecht. Met liefde heeft het allemaal niets te maken.

Toch merk ik, dat diezelfde woorden weer langzaam terug beginnen te komen in mijn denken. Daar schrok ik eerst van, zo van: is dit een teken van m’n ouwe dag, terug naar de ideeën van vroeger? Maar nee, dat is het gelukkig niet. Het is eerder een stap vooruit: ik heb meer zelfvertrouwen gekregen, weet beter wat ik waard ben, kortom, ik ben zóveel van mezelf gaan houden dat het nu mogelijk wordt om met nieuwe ogen naar die oude woorden te kijken, en ze opnieuw betekenis te geven. Het maakt een groot verschil, als je niet hard en oordelend maar met liefde kan zeggen dat je het niet haalt, dat grote gebod, dat een leven naar de wil van God moeilijk is, té moeilijk zelfs. En dat je dus hulp nodig hebt. En die hulp, dat is dan misschien wel die genade. Waar je om mag vragen.

Het levert me een nieuw soort nederigheid op. Niet de oude nederigheid van vroeger, die met harde hand werd opgelegd, maar nederigheid als inzicht, een weten: zo zitten mensen in elkaar. Ik las in de vakantie een boek, waarin een man als kind in oorlogstijd de meest vreselijke dingen beleefde. Toen ook nog zijn beste vriend werd vermoord, besloot hij ooit wraak te nemen, en deed hij er alles aan om zover te komen. Hij werd zelfs soldaat in het vreemdelingenlegioen. Verschillende keren in het boek vraagt hij zich af, in hoeverre hij nu anders is dan die mannen van vroeger, toen het allemaal nog zo helder leek: zij de kwaaien, hij de goede, het slachtoffer. Slachtoffers worden per definitie gezien als de ‘goeien’, maar ook dat klopt natuurlijk niet. Het zijn in Haïti ook de slachtoffers die vervolgens aan het plunderen slaan. En anderen die elkaar juist helpen. Het punt is, dat mensen het allemaal in zich hebben. ‘All dressed to kill’ zegt Cohen in zijn lied - maar hij heeft het ook over ‘our rags of light’. Dus het gaat er niet om of we goed of slecht zijn - we hebben het allemaal in ons. Het gaat er om welke keuzes we maken. En als we daar dan vervolgens weer eens in falen, of we dat liefdevol van onszelf én van anderen kunnen aanvaarden. Dat betekent, dat je je eigen fouten kan toegeven zonder iets van je eigenwaarde te verliezen. Je houdt genoeg van jezelf en je vindt jezelf genoeg de moeite waard om helemaal eerlijk te durven zijn. Als je dát kan, is het ook niet zo moeilijk meer om anderen te vergeven. Dan hoef je niet meer,  als je ooit onrecht is aangedaan, dat nog jaren lang met je mee te dragen, want ach, ook die ander is, net als jij, niet volmaakt. Dus die vergeving, ook zo’n oud woord, die hebben we allemáál nodig, op z’n tijd. Vergeven is ook een vorm van liefde. Een keuze om je te hullen in de ‘rags of light’ ‘flarden van licht’ en dat licht liefst steeds stralender te laten worden. We gaan straks nóg een keer luisteren naar het lied van Leonard Cohen, omdat hij op zo’n prachtige poëtische manier laat zingen wat ik net moeizaam in gewone taal geprobeerd heb uit te leggen. Hij noemt het zelf een ‘soort gebed’, geschreven in een moeilijke periode van zijn leven: een tijd waarin hij ‘geen stem had’, erger kan het niet, voor een zanger in hart en nieren. Maar dan geeft hij zich over aan de wil van God, en ontvouwt zich een lied dat ver voorbij de persoonlijke problemen van Cohen gaat, en een gebed wordt voor ons allemaal, voor deze aarde, voor alle mensen in hun moeite en pijn. Ik heb de neiging om bij elke regel te vertellen welke dubbele bodems ik daar allemaal in ben gaan zien, maar dat kan ik natuurlijk veel beter aan uzelf overlaten. Voor iedereen krijgt het zoeken naar de wil van God weer een andere, persoonlijke inhoud, maar de grondslag, de basis, blijft altijd en eeuwig gelijk: ‘heb uw God lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht. En het tweede, hieraan gelijk, is dit: heb uw naaste lief als uzelf.’  Amen.
 
 
 
 


 
 

Terug naar ´columns over liturgie'                                                               Vooruit naar ´Preken 2011'