www.RiniRikkert.nl 

N I E U W S

Boek bestellen


 

Start

Kennismaken

Gastenboek

Links

Columns 2010
Columns 2011a
Columns 2011b

Dominee:

Inleiding
Kerkdiensten-data
Persoonlijke  begeleiding
Lezingen

Activiteiten:
- Spirituele oefengroep
- meditatie voor jongeren
- meditatie-uren
- engelenworkshop
 

Schrijfster:

Inleiding
boek 'Contact met God'
Column-info

Uitgeverij Philomena
Informatie
recensies en artikelen

Uit: 'Contact met God'
(een korte paragraaf uit 
 alle 15 hoofdstukken en 
 2 hoofdstukken compleet)

TEKSTEN/PREKEN:
Kerk en geloof:
de bijbel: leesadvies
Wat  is waarheid?
Sterven, en dan?
Columns over liturgie

Preken 2010
Preken 2011
Preken 2012

Laatste preek

 

PREKEN 2011:
           (klik op het plaatje)
 
 

Het Heilige - deel lezing Ger Groot; Joh. 2:1-12 16-01-2011
De mensenzoon - Exodus 2:1-10; Marcus 2:1-12 30-01-2011
Geloof, hoop en liefde-Krishnamurti'over liefde' en 1 Cor. 13 - doop Joanne 13-2-2011
Een beetje geloof... Lucas 17: 1-10 (avondmaalsviering) 27-02-2011
Probleem of uitdaging  Lucas 4:1-11 / Psalm 91 13-03-2011 1e zondag veertigdagentijd
De vrouw bij de bron Joh. 4 27-03-2011 3e zondag veertigdagentijd
Lazarus Joh. 11:1-44 / Ezechiel 37:1-14 10-04-2011 5e zondag veertigdagentijd
Vieringen stille week & Pasen 21 /24 april 2011
Veiligheid? Johannes 21 8 mei 2011
Eénheid - Johannes 16/Henri Nouwen 29 mei 2011 (19 juni Vlaardingen)
There's a crack in everything - that's how the light gets in - Pinksteren 12 juni 2011
Liefdevol het zwaard hanteren - Mattheus 10:34-42, Kolossenzen 3:12-17 26 juni 2011
Geloof telt - Mattheus 15: 21-31 (doop Nynke, Mees en Sabine) 14 augustus 2011
Haten of liefhebben? - Lucas 14:24-35 (startzondag) 28 augustus 2011
Weest niet bang - Sygmunt Bauman en Marcus 4: 35-41 11 september 2011 IKON-dienst
           (Deze kerkdienst is ook te beluisteren op de IKONwebsite: Klik hier)
Je bent zelf verantwoordelijk! - Ezechiel 18: 1-32 Mattheus 21: 23-32 25 sept. avondmaal
Verstandig en wijs - Spreuken 9 en Wijsheid van Salomo 7:15-8:1  9 okt 2011
Loslaten - Karel Eykman, Henri Nouwen en Herman Andriesse - 6 nov. 2011 Gedachtenisdienst
Vergelding en vergeving-'Tora, Evangelie en Koran' Anton Wessels; 2 Kon.6 - 27 nov 2011
Stand theologisch onderzoek & preken - Johannes 3: 22-30 / 1 Thess. 5:12-24 - 11 dec 2011
          (n.a.v. boek Marinus de Jonge, 'Het verhaal van Jezus volgens de bronnen'
Kerst 2011 Preken kerstavond/kerstmorgen & kinderkerstspel


 
 

Kerstavond 24 december 2011 22.00 uur,
Elthetokerk Alblasserdam

Gedicht Wees waakzaam – Marinus v.d. Berg

Wees waakzaam,
let goed op:
de Komende
die wordt verwacht
'van al zo hoog
van al zo ver'
komt onverwacht anders.

Wees waakzaam,
open de ogen van je verlangen,
luister met je oren
die het fluisteren weten op te vangen.

Wees waakzaam,
schep ruimte in jezelf.
Kom tot stilte,
om de Komende te horen.
Die komt op onverwachte wijze
op een niet verwachte plaats.

Wees waakzaam.
Bereid je hart
en word ontvankelijk
om de Komende te ontvangen.
Hij komt voor wie zich richt
op zuivere menselijkheid
met een goddelijke gestalte.

Schriftlezing: Lucas 2 : De geboorte van Jezus
In die tijd kondigde keizer Augustus een decreet af dat alle inwoners van het rijk zich moesten laten inschrijven. Deze eerste volkstelling vond plaats tijdens het bewind van Quirinius over Syrië. Iedereen ging op weg om zich te laten inschrijven, ieder naar de plaats waar hij vandaan kwam. Jozef ging van de stad Nazaret in Galilea naar Judea, naar de stad van David die Betlehem heet, aangezien hij van David afstamde, om zich te laten inschrijven samen met Maria, zijn aanstaande vrouw, die zwanger was. Terwijl ze daar waren, brak de dag van haar bevalling aan, en ze bracht een zoon ter wereld, haar eerstgeborene. Ze wikkelde hem in een doek en legde hem in een voederbak, omdat er voor hen geen plaats was in het nachtverblijf van de stad.
Niet ver daarvandaan brachten herders de nacht door in het veld, ze hielden de wacht bij hun kudde. Opeens stond er een engel van de Heer bij hen en werden ze omgeven door het stralende licht van de Heer, zodat ze hevig schrokken. De engel zei tegen hen: ‘Wees niet bang, want ik kom jullie goed nieuws brengen, dat het hele volk met grote vreugde zal vervullen: vandaag is in de stad van David voor jullie een redder geboren. Hij is de Messias, de Heer. Dit zal voor jullie het teken zijn: jullie zullen een pasgeboren kind vinden dat in een doek gewikkeld in een voederbak ligt.’ En plotseling voegde zich bij de engel een groot hemels leger dat God prees met de woorden:
‘Eer aan God in de hoogste hemel en vrede op aarde voor alle mensen die hij liefheeft.’ (Of: en vrede op aarde, hij vindt vreugde in de mensen’).
Toen de engelen waren teruggegaan naar de hemel, zeiden de herders tegen elkaar: ‘Laten we naar Betlehem gaan om met eigen ogen te zien wat er gebeurd is en wat de Heer ons bekend heeft gemaakt.’ Ze gingen meteen op weg, en troffen Maria aan en Jozef en het kind dat in de voederbak lag. Toen ze het kind zagen, vertelden ze wat hun over dat kind was gezegd. Allen die het hoorden stonden verbaasd over wat de herders tegen hen zeiden, maar Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en bleef erover nadenken. De herders gingen terug, terwijl ze God loofden en prezen om alles wat ze gehoord en gezien hadden, precies zoals het hun was gezegd.

Preek:
Bij de voorbereiding van deze kerstpreek vroeg ik aan allerlei mensen of ze nog een onderwerp voor me wisten voor vanavond. Ze keken me allemaal, zonder uitzondering, verbaasd aan. ´Hoezo, ´t is kerst toch?’ Eéntje begon te lachen en zei: er is er maar één die zo graag origineel wil zijn met kerst, en dat ben jij. Het gaat om traditie hoor! Tja. Daar zit wat in. Een ander zei: ‘Ik weet wel een onderwerp. Hij heeft echt bestaan!’. Nu was het míjn beurt om verbaasd te kijken. Ze legde het uit: haar dochter was uit school gekomen met ‘mam, wat ik nú gehoord heb! Jezus heeft echt geleefd! Wist jíj dat?’ Toevallig is dát punt zo ongeveer het enige waar alle serieuze geleerden het tegenwoordig wel over eens zijn. Jezus heeft echt geleefd, rond het begin van de jaartelling, in Israël. Het is wel fijn om dat even vastgesteld te hebben, want vooral met kerst lijkt het vooral om verhalen te gaan - sterker nog: de kans is groot dát het om een legende gaat, die geboorte van Jezus in de stal in Bethlehem. Zelfs ik, en ik geloof toch in de meest ongelooflijke dingen, zelfs ik geloof niet dat er een engel is geweest die de maagd Maria met een paar woorden zwanger maakte. Om maar wat te noemen. Dus als we het over de feiten moeten gaan hebben, dan zijn we snel klaar: Jezus is geboren. Punt.

Misschien was dat mijn probleem ook wel een beetje met het zoeken naar een thema voor deze overweging. Al die prachtige Bijbelse geboorteverhalen, de meesten van ons kunnen ze wel dromen, ze zijn op zich al zo mooi dat een preek daar al heel snel afbreuk aan doet. Het zijn diepzinnige verhalen, die rechtstreeks tot de ziel spreken. Die moet je niet te veel uit willen leggen. Maar wat dan? Een nieuw verhaal? Dat heb ik vorig jaar gedaan, misschien weet u het nog, á la Dickens, met op kerstmorgen een zelfverzonnen verhaal van Anna, de zuster van Maria. Wie er niet bij was, kan ze nog altijd op internet nalezen. Niet waar gebeurd, maar wel waar, want er zat voor de goede verstaander een boodschap achter, iets waar je toen en nu iets aan kan hebben, in het leven van alledag, of misschien zelfs raakt aan de diepere lagen in jezelf, waar je verlangen huist. Zo deed ik mijn best om een lange traditie voort te zetten, want Bijbelse verhalen worden verteld met datzelfde doel. Niet persé waargebeurd, maar wel waar. Een boodschap houdt haar waarde, voor alle tijden, voor ieder mens, feitjes zijn nauwelijks interessant, zeker niet 2000 jaar na dato. Of interesseert het u dat zo’n man als Quirinius pas in het jaar 10 aan de macht kwam? En dat er ruim 4 miljoen mannen geteld werden in het Romeinse rijk, maar dat díe telling weer 20 jaar eerder plaatsvond? En dat Jezus hoogstwaarschijnlijk in het jaar 4 geboren werd? Zelfs áls het je interesseert, dan nog brengt het je geen stap verder. De feiten zijn duidelijk aangepast om de échte diepere waarheid te onthullen, alleen zichtbaar voor de ziel die er oprecht naar op zoek is en bereid is er moeite voor te doen.

Nu is het maar de vraag of we vanavond zoveel behoefte hebben aan ‘een stap verder’ komen. Het is al heel wat dat we hier überhaupt zítten, toch?  Geweldig dat u díe stap vanavond dan toch maar gezet hebt! Dat betekent, dat het kerstverhaal voor u, nu, nog steeds van waarde is. Misschien is het alles eromheen, de sfeer, de liedjes, mijn dringende oproep in de laatste column - hoe het ook zij, ergens zijn we allemaal geraakt door de geboorte van dit kind, anders zaten we niet hier, in deze kerk, en in al die andere kerken over de hele wereld.
De verhalen van dit kind raken ons ergens in onze ziel. Dat kan op heel verschillende manieren, het hangt een beetje van jouw ziel af. Waar je diep van binnen naar verlangt. De ene keer verlang je vooral naar wat meer vrede en rust, de andere keer gaat het je juist om wat meer levendigheid en vreugde. Soms heb je je handen vol aan jezelf, zoek je naar innerlijke groei of meer evenwicht, soms treed je juist meer naar buiten, en ga je voor naastenliefde, hulp aan mensen die dat het hardste nodig hebben. En al die tijd, in al die verschillende omstandigheden, helpt het als je daarbij weet hebt van een solide basis. Die basis zit zó diep, dat je het je meestal nauwelijks bewust bent. Daarom wordt er in de bijbel en in de kerk over gesproken in verhaalvorm, in symbolen, muziek en poëzie. Om zo voorbij ons denken te reiken, recht in onze ziel, en daar weer de bodem van. Die basis is zó groots, dat we hem zelfs ‘Goddelijk’ noemen. Die basis is zó belangrijk, dat iedereen die het contact er compleet mee verliest, niet langer echt gelukkig kan zijn. Gelukkig houden we altijd wel iets van contact, al is het maar door middel van je verlangen.

Die basis noemen we, bij gebrek aan beter, meestal ‘God’ of ‘liefde’, al zijn dat helaas behoorlijk uitgeholde begrippen. Dat is niet nieuw, dat is altijd al zo geweest. Ook toen, in de tijd van Jezus. Totdat hij zelf kwam. Jezus, een man die voluit vanuit die basis kon leven, en dat anderen ook kon vóórleven. Zo wist hij ons de weg te wijzen naar God, de liefde, onze basis. Matteüs, Marcus, Lucas: ze wilden het ons duidelijk maken, ons de blijde boodschap meegeven. Hun leven was er ingrijpend door veranderd. Nu jij nog! Lucas doet z’n best, met al z’n verhalen! Voel je je in deze maatschappij niets meer waard? Dan ben jij er zo eentje, die, net als de herders, het licht kan zien in de donkere nacht, en op zoek gaat. Voel je je opgejaagd, is er nergens een veilige plek voor je? Dan ben jij er zo eentje, die, net als Jozef en Maria, kan rusten daar, waar God zelf aanwezig blijkt te zijn. Ben je rijk, maar toch ongedurig, altijd op zoek naar meer? Dan ben jij er zo eentje, die, net als de wijzen, kan besluiten om het eens heel anders te doen, de ster te volgen, ook al brengt die je naar een op het eerste gezicht onooglijke stal.

Nu houd ik snel op, want ik stel voor dat je thuis, misschien morgen of overmorgen op een rustig moment, de geboorteverhalen van Lucas nog eens naleest, en kijkt waar en hoe je zelf in het verhaal voorkomt. Op welke manier kan het jou in beweging brengen, helpt het je een nieuwe stap te zetten? Ben jij die wijze, of de herder, of Maria, of het kind… of misschien wel dat alles, want wij mensen zijn ongelooflijk geschakeerd, zoveel mogelijkheden, zoveel lagen, en daaronder en daardoorheen altijd maar weer die geweldige basis, de bron van ons hele bestaan. God zelf. We doen er een leven lang over, om dat allemaal te ontdekken. U hoort het, we kunnen nog wel een poosje doorgaan met kerst vieren, en ik kan nog wel een poosje doorgaan met preken, steeds maar weer over diezelfde verhalen en toch steeds weer anders. Maar eigenlijk zou ik het liefste de stilte laten spreken, de stilte en, als het dan toch met woorden moet, de poëzie. Daarom sluit ik af met een gedicht van (alweer) Sytze de Vries, en wil ik u vragen daarna een poosje alleen maar stil te zijn. Niet gaan denken, of rondkijken, gewoon stil. Maar eerst het gedicht, dat direct begint bij de basis: liefde.

Liefde
is het licht
waarmee Gij ons vandaag raakt,

liefde
een Woord met vleugels
van alzo hoge,
een Mens met erbarmen
ons zo nabij.

Liefde
als een goede tijding,
als een beter vaderland,
als onderdak voor mensen,

nergens
beter te lezen,
meer verstaanbaar gemaakt
dan in de geboren herderkoning.

Dat hij
voor ons en met ons
zal leven
in de gloria!

Amen.
 
 


 
 

Kerstmorgen 2011, Elthetokerk Alblasserdam

Schrift lezing: Lucas 1 : 26-38 Aankondiging van de geboorte van Jezus
In de zesde maand zond God de engel Gabriël naar de stad Nazaret in Galilea, naar een meisje dat was uitgehuwelijkt aan een man die Jozef heette, een afstammeling van David. Het meisje heette Maria. Gabriël ging haar huis binnen en zei: ‘Gegroet Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je.’ Ze schrok hevig bij het horen van zijn woorden en vroeg zich af wat die begroeting te betekenen had. Maar de engel zei tegen haar: ‘Wees niet bang, Maria, God heeft je zijn gunst geschonken. Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet hem Jezus noemen. Hij zal een groot man worden en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd, en God, de Heer, zal hem de troon van zijn vader David geven. Tot in eeuwigheid zal hij koning zijn over het volk van Jakob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen.’
Maria vroeg aan de engel: ‘Hoe zal dat gebeuren? Ik heb immers nog nooit gemeenschap met een man gehad.’ De engel antwoordde: ‘De heilige Geest zal over je komen en de kracht van de Allerhoogste zal je als een schaduw bedekken. Daarom zal het kind dat geboren wordt, heilig worden genoemd en Zoon van God. Luister, ook je familielid Elisabet is zwanger van een zoon, ondanks haar hoge leeftijd. Ze is nu, ook al hield men haar voor onvruchtbaar, in de zesde maand van haar zwangerschap, want voor God is niets onmogelijk.’ Maria zei: ‘De Heer wil ik dienen: laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd.’ Daarna liet de engel haar weer alleen.

kerstpreek voor ouderen en kinderen:
Héél lang geleden, in de tijd dat de vrienden die Jezus gekend hadden en met hem hadden rondgereisd al hele oude opa’s waren, bestonden er al een soort kerken. Alleen hadden ze nog geen bijbel, hooguit wat brieven en verhalen. Er kwamen steeds meer mensen bij, grote, kleine, en allemaal wilden ze meer weten over Jezus en zijn leven. Op een dag, en dat is wel 1930 jaar geleden, zat er zo’n groepje kerkmensen bij elkaar. Ze waren gekomen om Lucas te zien: Lucas was een soort rondreizende dominee. Hij ging van de ene plaats naar de andere, en overal vertelde hij over Jezus. Dat was wel een beetje gek, want zelf had hij Jezus nooit gezien of gesproken, maar hij kende wel een heleboel verhalen, en hij kende ook genoeg andere mensen die Jezus wèl kenden van vroeger, toen hij nog leefde. Dus als het niet helemaal klopte wat hij allemaal zei, dan vielen ze hem in de rede en zeiden ‘ho ho, Lucas, zo is het niet gegaan!’ Maar dat gebeurde steeds minder. In dat groepje, waar Lucas op bezoek gekomen was, zat ook een kleine jongen, en hij wilde álles weten. Waar Jezus geboren was, hoe zijn vader en moeder heetten, of hij broertjes en zusjes gehad had, wat hij allemaal gedaan en gezegd had…. Steeds als hij met zijn vragen kwam, zeiden de andere mensen: ‘ja, dat weten wij ook niet hoor, vraag het maar aan Lucas, als hij komt, die weet alles’.  Het jongetje kon bijna niet wachten tot Lucas er zou zijn, en nu was het dan zo ver! Vanaf het eerste moment bestookte hij Lucas met vragen. Lucas moest er wel om lachen. ‘Jij bent een echte kleine ‘Theofilus’, dat betekent ‘vriend van God’, zei hij. ‘Ja maar’, zei het jongetje, straks bent u weer weg, en dan is er niemand meer waar ik het aan kan vragen!’ Daar schrok Lucas wel een beetje van. ‘Je hebt gelijk’, zei hij. ‘Weet je wat ik zal doen? Ik zal alles op gaan schrijven. Alles wat ik weet. Daar maak ik een dik boek van, en als dat boek klaar is, dan kan voortaan iedereen het lezen. Dat vond de kleine Theofilus een geweldig idee. ‘Krijgen wij dan ook zo’n boek’, zei hij verlangend, ‘want ik kan al heel goed lezen hoor’. Hij had niet in de gaten dat het waarschijnlijk wel een paar jaar zou gaan duren, want zo’n boek schrijven is natuurlijk een heleboel werk. Er waren er al wel andere verhalen opgeschreven, bijvoorbeeld door Marcus, dat hielp, maar Marcus had weer helemaal niets over de geboorte van Jezus geschreven, en dat wilde Theofilus en alle andere kinderen nu juist zo graag weten. Lucas ging er eens voor zitten. Hij wilde heel graag duidelijk maken, hóe bijzonder Jezus geweest is, een echte koning voor de hele wereld voor altijd, en tegelijk de gehoorzaamste man van de hele wereld, omdat hij altijd deed wat God van hem vroeg en evenveel van iedereen hield, ook al was je arm, of werd je uitgelachen, of had verder iedereen een hekel aan je. Als Jezus ergens binnenkwam, dan leek het net of de zon ging schijnen, en werd iedereen blij. Dát wilde Lucas vertellen, en hij zag al voor zich, hoe blij de kleine Theofilus en al die andere mensen daar nu weer van zouden worden, al konden ze hem dan niet meer zien, ze konden er altijd over lezen! Nu was het een beetje gek, want eigenlijk wisten niet zoveel mensen meer iets af van die tijd: dat was al wel 80 jaar geleden, kan je nagaan, denk er maar eens aan wat je zelf weet van het jaar 1931, tachtig jaar voor nú! Lucas moest ervan zuchten. Maar toch: hij pakte zijn pen (computers had je toen nog niet), en begon te schrijven.

We denken eigenlijk wel, dat Lucas geholpen werd met schrijven, misschien wel door een engel, hij vertelt tenminste vaak over engelen. Het werd zo’n prachtig verhaal, dat we het nu, al die eeuwen later, nog steeds elk jaar aan elkaar vertellen, niet alleen hier, maar overal, op de hele aarde. Straks gaan we het ook weer horen, als de koningin het verhaal aan Liselotje vertelt in het kerstspel. En het gekke is, als je goed oplet, kan je toch ieder jaar weer wat nieuws in het verhaal ontdekken. Deze keer letten we vooral op de ster. Lucas vertelt namelijk, dat er in een ver vreemd land wijze mannen waren, die een ster zagen, een grote vreemde ster. Ze besloten op reis te gaan, de ster achterna, en zo kwamen ze bij het pasgeboren kindje Jezus, want daar, boven de stal waarin Jezus geboren was, bleef de ster stil in de lucht staan. Theofilus had het Lucas al eens horen vertellen, en hij had het prachtig gevonden, vooral die ster. Hij had nog nooit een ster gezien die je zomaar de weg wees! ‘Ja’, had Lucas gezegd, ‘maar weet je nou waaróm het zo mooi is?’ Nee, dat wist Theofilus niet. ‘Het is zo mooi’,  zei Lucas toen, ‘omdat jij eigenlijk ook zo’n wijze bent, die op zoek gaat naar Jezus, omdat je weet dat je van hem nog heel veel kan leren. Die ster schijnt nog steeds hoor, op allerlei manieren. Als je ouders vertellen over Jezus of over God, dan laten zij dat sterrenlicht schijnen en wijzen ze je de weg, of als we hier vandaag bij elkaar zitten, en zingen en feest vieren, dat kan je ook best sterrenlicht noemen!  Dus misschien, nog gekker, zijn wij allemaal wel die ster zelf’: dát vond Theofilus maar een raar idee. Hij was toch geen stér!  Maar Lucas legde het uit. ‘Weet je waaróm die ster in het verhaal zo helemaal langs de hemel schoof en stil bleef staan boven de stal waar Jezus in zijn kribje lag? De ster werd aangetrokken door het licht, het bijzondere hemellicht wat dat kindje verspreidde. Dat is heel moeilijk uit te leggen, het gaat om iets wat nooit meer is weggegaan, een licht dat altijd zal blijven schijnen, dag en nacht, en elke ster aan de hemel vertelt ervan: soms is het helemaal donker, maar let op, kijk naar mij, zegt de ster, zie je wel, er is altijd licht. Je hoeft niet bang te zijn! En al die mensen, en al die kinderen die nu nog steeds graag alles over Jezus willen weten, en net als hij gehoorzaam willen zijn aan God, al die mensen en al die kinderen verspreiden net als de ster toen iets van dat hemellicht, waardoor het hier op aarde steeds lichter kan worden, steeds veiliger, steeds eerlijker, steeds meer een plek waar God zich thuis voelt. Amen.

Kerstspel, gebaseerd op het boekje ‘Liselotje en het kerstfeest’ van Marianne Busser en Ron Schröder, illustraties: Dagmar Stam – uitg. Van Holkema & Warendorf, tiende druk 2009 - uitgewerkt door Rini Rikkert. (Wil je een uitgewerkte versie van dit eenvoudige kerstspel? Mail me, en ik stuur het naar je toe)
 
 
 


 
 
 

Viering Elthetokerk 11 december 2011 – derde advent

Kaars aansteken, tekst:
Xenophon, +/- 570 b.c.
Er is maar één god, de grootste van alle goden en mensen
In geen enkel opzicht lijkt hij op de stervelingen, noch van lichaam noch van ziel
Hij verblijft altijd op dezelfde plaats en beweegt niet
Hij heeft er geen behoefte aan zich te verplaatsen ergens naartoe om deze of gene reden
Maar zonder enige moeite beweegt hij alle dingen louter door de gedachte van zijn geest
Alles in hem ziet, alles in hem denkt, alles in hem hoort.

Gebed
We bidden samen een gebed, dat Sytze de Vries speciaal heeft geschreven voor deze derde advent.
(uit ‘zo lang wij ademhalen’)

God van licht en leven,

wil het donker
dat rond ons hangt,
de sluier van de twijfel
die ons bedekt,
van ons wegnemen.
Kom met uw stille overmacht
en wees ons te sterk.

U geeft zichzelf te kennen
als liefde, ontferming,
en zoals U ons eerbiedigt
en hoog houdt,
zo beschaamt U onze hang naar macht,
ons overtroeven van elkaar,
onze gehechtheid
aan afbrekende woorden en daden.

Kom tot ons
en win ons
met uw woord van vrede
opdat ook onder ons
uw wil worde gedaan
zoals Hij deed, Jezus,
telkens opnieuw.
Amen.

Eerste schriftlezing: Johannes 3: 22-30
Getuigenis van Johannes de Doper
Jezus ging met zijn leerlingen naar Judea. Daar bleef hij enige tijd en hij doopte er. Johannes doopte toen ook, in Enon, dicht bij Salim, een waterrijk gebied. Daar kwamen de mensen naartoe om zich te laten dopen. Johannes was immers nog niet gevangengezet. Er ontstond een discussie tussen de leerlingen van Johannes en een Jood over het reinigingsritueel. Ze gingen naar Johannes en zeiden tegen hem: ‘Rabbi, de man die bij u aan de overkant van de Jordaan was, over wie u een getuigenis afgelegd hebt, is aan het dopen en iedereen gaat naar hem toe!’ Johannes antwoordde: ‘Een mens kan alleen ontvangen wat hem door de hemel gegeven wordt. Jullie kunnen van mij getuigen dat ik gezegd heb: “Ik ben de Messias niet, maar ik ben voor hem uit gezonden.” De bruidegom krijgt de bruid; de vriend van de bruidegom staat te luisteren en is blij dat hij de stem van de bruidegom hoort. Dat vervult mij met grote vreugde. Hij moet groter worden en ik kleiner.

Tweede schriftlezing: 1 Thessalonicenzen 5: 12-24
Wij vragen u, broeders en zusters, diegenen onder u te erkennen die zich op gezag van de Heer ervoor inzetten u te leiden en terecht te wijzen. U moet hun om hun werk veel liefde en respect betonen. Leef in vrede met elkaar. Wij sporen u aan, broeders en zusters, iedereen die zijn dagelijks werk verwaarloost terecht te wijzen, de moedelozen hoop te geven, op te komen voor de zwakken, met iedereen geduld te hebben. Zie erop toe dat niemand kwaad met kwaad vergeldt en streef altijd naar het goede, zowel voor elkaar als voor ieder ander. Wees altijd verheugd, bid onophoudelijk, dank God onder alle omstandigheden, want dat is wat hij van u, die één bent met Christus Jezus, verlangt. Doof de Geest niet uit en veracht de profetieën niet die hij u ingeeft. Onderzoek alles, behoud het goede en vermijd elk kwaad, in welke vorm het zich ook voordoet. Moge de God van de vrede zelf uw leven in alle opzichten heiligen, en mogen heel uw geest, ziel en lichaam zuiver bewaard zijn bij de komst van onze Heer Jezus Christus. Hij die u roept is trouw en doet zijn belofte gestand.

Preek:

Vandaag leun ik in de preek zwaar op een lezing, die gehouden is op een VVP-bijeenkomst van vrijzinnige voorgangers, in oktober. De lezing werd gehouden door de theoloog Chris de Jonge, in samenwerking met zijn vader, geboren in 1925, een vrijzinnige theologie-professor in Leiden. Deze Marinus was niet de enige vrijzinnige hoogleraar, je had voor de oorlog ook Van Manen en Van den Bergh van Eysinga, die hoorden bij de ‘Hollandse Radicale School’. Deze nieuwtestamentici waren door hun onderzoek van de teksten van het Nieuwe Testament tot de conclusie gekomen dat Jezus nooit heeft bestaan en dat het dus alleen kon gaan om de ideeën die mensen hebben ontwikkeld rond deze fictieve figuur. Dat kan je dus inderdaad wel ‘radicaal’ noemen. Ze hadden het, dat is inmiddels bewezen door modern historisch onderzoek, trouwens wel bij het verkeerde eind. Er zijn namelijk ook teksten gevonden búiten de bijbel, die spreken over Jezus. Dus valt niet meer te ontkennen dat hij bestaan heeft, en dat hij gekruisigd is onder Pontius Pilatus.
Marinus de Jonge schreef een paar boeken over Jezus, de eerste in 1971, en de laatste kwam in Nederland uit in 1997. Dat boek kreeg de titel mee ‘het verhaal van Jezus volgens de bronnen’. Daarin zet hij zorgvuldig op een rij wat het theologisch onderzoek tot dan toe heeft opgeleverd. Hij wilde daarmee alle nieuwe ontwikkelingen voor een breed publiek toegankelijk maken, maar mensen ook stimuleren om zich te verdiepen in de figuur van Jezus. Het nieuwe testament begon, zegt hij, met allerlei verhalen, die later zijn opgeschreven door verschillende mensen, met ieder hun eigen invalshoek. De brieven van Paulus zijn het oudst, zo’n twintig jaar na de kruisiging van Jezus, daarna komt het evangelie van Marcus, en dan Matteüs en Lucas, zo rond het jaar 70. Johannes was nog weer later. Het is wel duidelijk dat Matteüs en Lucas heel veel uit Marcus hebben overgenomen, en men gaat er van uit dat er nog een andere bron was, die altijd Q wordt genoemd, naar het Duitse woord ‘Quelle’ en dat zou dan een oude verzameling uitspraken van Jezus zijn geweest. Paulus was niet zo geïnteresseerd in het aardse leven van Jezus, hij hield zich meer bezig met het uitwerken van een leer voor de kerk in zijn dagen. Misschien komt dat ook wel, omdat hij Jezus nooit persoonlijk gekend heeft, hij kwam er pas later bij. Dat laatste is ook wel weer een voordeel, voor wie op zoek is naar de vroegste informatie over Jezus. Om zijn lezers te overtuigen beroept Paulus zich namelijk zeer geregeld op wat hem over Jezus is overgeleverd door mensen die al langer zijn volgeling waren. Al met al komt er dus informatie op ons af uit allerlei verschillende hoeken. Dat betekent, dat er vanaf het allereerste begin dus al verschillende antwoorden gegeven op de vraag wie Jezus eigenlijk is, en daar is ook niets op tegen – dat gebeurt nog steeds. Met al die brokstukken kan je geen keurig afgerond sluitend verhaal over Jezus vertellen – ja, het kán wel, maar dan kan je onmogelijk recht doen aan álles wat er in de bijbel staat.

Dat de vroegste informatie over Jezus ons vooral wordt aangereikt door mensen die in hem geloofden, heeft mensen wel eens tot de conclusie verleid dat wij eigenlijk helemaal niets over hem weten: Alle informatie, zeggen ze dan, is gekleurd door geloof en dus niet objectief in de moderne betekenis van het woord. De Bijbelboeken die wij hebben willen ons er vooral van overtuigen dat Jezus een bijzondere band had met God, dat hij de laatste profeet was, door God gezonden om namens hem een beslissende wending in de geschiedenis tot stand te brengen, dat God hem na zijn gewelddadige dood uit de dood heeft opgewekt en dat het om die redenen voor mensen nog steeds belangrijk is om in hem te geloven. Daarom wordt op een getuigende manier over Jezus gesproken, met de voornaamste bedoeling te laten zien hoe speciaal hij was. Maar dat hoeft natuurlijk nog niet te betekenen, dat zij bewust feiten over Jezus verzonnen of verdraaiden. Hun bedoeling was immers om een betrouwbaar, geloofwaardig getuigenis over hem te geven.

Verder is het zo dat de evangeliën, die het meeste informatie over Jezus’ leven bevatten, op z’n vroegst 40 jaar na zijn dood zijn geschreven, door mensen die geen ooggetuige waren van zijn optreden en hem alleen maar kenden van horen zeggen. De conclusie dat wij ook om die reden niets met zekerheid weten over Jezus zelf, is, hoewel op zich niet geheel onjuist, toch wel wat eenzijdig. Al die latere schrijvers maken namelijk gebruik van de verhalen over Jezus die mondeling de ronde deden onder zijn volgelingen. Ook die verhalen zijn uiteraard gekleurd door het geloof in hem, maar de kans dat zij stammen van mensen die Jezus hebben gekend en op de hoogte waren van de “feiten” is aanmerkelijk groter. Daarom is het zinvol om te kijken wat die latere schrijvers hebben ontleend aan de mondelinge traditie over Jezus zelf en waar zij hun eigen visie geven. Daarbij is de context ook belangrijk: de maatschappij waarin ze leefden, hun joodse achtergrond. In iedere context wordt anders over Jezus gesproken en daarom moeten wij elke uiting over Jezus vanuit die context bestuderen.  Dat helpt ons om de bedoeling van die uitspraken te begrijpen, maar ook om te beseffen dat zij geen pasklare antwoorden geven op onze geloofsvragen met betrekking tot Jezus. Die moeten we uiteindelijk zelf bedenken. En al hebben we uit de begintijd van het christendom alleen maar brokstukken in handen, toch is het wijs om daar zorgvuldig mee om te springen. Ook die kunnen we gebruiken als bouwstenen voor ons eigen denken en spreken over Jezus.

Is dat “typisch vrijzinnig”? Chris de Jonge denkt het wel, en ik ben het helemaal met hem eens. Het is “typisch vrijzinnig” om, gevraagd naar wat je gelooft, niet klakkeloos te herhalen wat je vanuit het verleden wordt aangereikt of je te verschuilen achter de eerbiedwaardige dogma’s van vroeger. Het is ook “typisch vrijzinnig” om je eigen denken niet te verabsoluteren en te erkennen dat je wat je geloof betreft in een traditie staat en dat je die op z’n minst serieus moet nemen. Tegelijk is het “typisch vrijzinnig” om eerlijk te erkennen dat wij niet genoeg over Jezus weten om met zoveel stelligheid over hem te spreken als men vroeger deed toen men minder oog had voor de veelkleurigheid en de tijdgebondenheid van de uiteenlopende getuigenissen over hem.

Verder is het goed om ruiterlijk toe te geven dat wij niet meer zo over hem kunt denken en spreken zoals mensen uit Jezus’ eigen tijd, uit de vroege kerk, uit de Middeleeuwen of uit het tijdperk van de Reformatie dat deden, omdat ons wereldbeeld inmiddels ingrijpend is veranderd en daarmee ook onze manier van geloven. Om “geloofsfeiten” te kunnen aanvaarden zoals wij ook “historische feiten” aanvaarden, moeten wij, anders dan onze voorouders in het geloof, een intellectueel offer brengen dat “vrijzinnigen” alleen maar kunnen brengen wanneer zij zichzelf verloochenen. Dat lijkt toch niet het soort zelfverloochening dat Jezus van ons heeft gevraagd en daarom hebben wij het recht en zelfs de plicht om op een andere (modernere?) wijze betekenis te geven aan de verhalen over Jezus.
Als je iets over Jezus wilt zeggen, doen we dat graag weloverwogen, dat wil zeggen op een manier die de toets van de hedendaagse wetenschappelijke kritiek kan doorstaan. Concreet betekent dat bijvoorbeeld dat je de verhalen over de geboorte van Jezus niet kunt afdoen als achterhaalde nonsens, maar dat je moet proberen om recht te doen aan wat de vroegste christelijke auteurs met hun woorden en beelden wel en niet hebben willen zeggen aan hun tijdgenoten. Daarbij hoef je, de verschillen tussen hun en ons wereldbeeld niet te verdoezelen. Integendeel. Dat in onze ogen verouderde wereldbeeld bepaalt immers mede de boodschap over Jezus die zij ons overleveren. Wij zouden hun en onszelf te kort doen als wij dat niet probeerden te begrijpen en verwerken. Menige geloofsuitspraak uit de nieuwtestamentische geschriften waar je je eerst geen raad mee weet, gaat voor je leven als je oog hebt voor de tijdgebondenheid ervan.

Er wordt wel eens gezegd, dat mensen door theologie te gaan studeren moeten oppassen dat ze niet hun geloof kwijt raken. Ik heb dat altijd onzin gevonden. Je geloof wordt er juist rijker van, als je er ook je hersens bij gebruikt. Dat geldt zeker ook in deze adventstijd. Zo’n verhaal als van Johannes de Doper, met de uitspraak ‘hij moet groter worden, en ik kleiner’… wetenschappers hebben daar ongetwijfeld uitgebreid onderzoek naar gedaan en dikke boeken over volgeschreven. Het is goed dat predikanten daar weet van hebben, maar in een preek word je geacht een stap verder te gaan, en die informatie te integreren in de boodschap die je te brengen hebt. En die boodschap gaat uiteindelijk niet over Johannes de doper, of over Johannes de schrijver, of zelfs niet over Jezus, die boodschap gaat over ons. Je zou je bijvoorbeeld kunnen afvragen wat het verandert, als je zelf die uitspraak overneemt en de komende dagen steeds opnieuw in jezelf herhaalt: ‘hij moet groter worden, en ik kleiner’. Dan gaat het ineens over je eigen trots, over de rol die Jezus speelt in je leven, of de rol die je zelf speelt in het leven van de mensen om je heen. Het zou een goede voorbereiding zijn op het komende kerstfeest, waarin we weer luisteren naar het verhaal van een kind van God, geboren in een stal.
‘Hij moet groter worden, en ik kleiner’. Het gaat er om, dat we ontdekken wat dat betekent, voor ons, nu. Pas als we daar over na gaan denken is al dat theologische onderzoek, en zo’n preek als deze, geslaagd. ‘Hij moet groter worden, en ik kleiner’. Amen.

Dankgebed:
Trouwe God, wij danken u voor de talloze manieren, waarop wij meer van u te weten kunnen komen. In woorden, in studie, in meditatie, in de natuur, in het contact met de mensen om ons heen… uw liefde en uw licht schijnen overal doorheen, voor iedereen die daar oog voor heeft.
Wij bidden u voor de mensen, die daar zo naar kunnen verlangen, naar wat meer liefde, wat meer licht. Wij bidden u voor de mensen die amper meer de energie kunnen opbrengen om ernaar te zoeken: kom hen tegemoet, laat uw licht over hen schijnen. Wij bidden u ook voor de mensen die zich vaak al zo heel klein voelen, en voor wie zo’n zinnetje als ‘hij moet groter worden, en ik kleiner’ alleen maar verdriet of boosheid oproept. Laat ook daar uw licht over schijnen, zodat het helder wordt hoe serieus u iedereen neemt, hoe groot we zijn in uw ogen.
 
 


 

Viering Elthetokerk 27 november 2011 - Avondmaalsviering

Kaars aansteken - tekst: Uitspraak van Dag Hammarskjöld
(geciteerd in boek Thora, Evangelie en Koran van Anton Wessels blz. 53)
‘Ik weet niet Wie – of Wat – de vraag stelde. Ik weet niet wanneer hij gesteld werd. Ik herinner me zelfs niet dat ik geantwoord heb. Maar er is een moment geweest waarop ik ‘ja’ antwoordde aan Iemand – of iets – en sinds dat uur was ik er zeker van dat het bestaan een betekenis heeft en dat daarom mijn leven in zelfovergave een doel had’.

Inleiding: Het lied dat we zojuist gezongen hebben (Tussentijds 128:1) gaat de komende adventsweken steeds terugkomen: elke week een couplet erbij, tot kerstmorgen. Advent is de tijd van verwachting, en zo laat je zien hoe die verwachting steeds groeit, tot het moment dat we vieren dat de vredesvorst geboren is. Maar ondertussen is die vrede hier op deze aarde soms ver te zoeken. Geen wonder, zeggen veel mensen dan, lees die zogenaamde heilige boeken, de bijbel, de koran, er maar op na: één en al geweld! Nu valt dat natuurlijk niet te ontkennen. Ook die boeken werden geschreven in een tijd dat de wereld bol stond van de gewelddadigheden. Maar valt er ook niet wat op af te dingen? Is er misschien ook een ander geluid te ontdekken in die heilige boeken? Daar willen we vandaag naar kijken, en daarbij wordt dankbaar gebruik gemaakt van het boek ‘Thora, evangelie en Koran’ van professor Anton Wessels.

Eerste lezing: (uit Thora, Evangelie en Koran, van Anton Wessels, blz 207)
Om de vraag te beantwoorden hoe in de drie boeken het verhaal omtrent vergelding, straf en verzoening verteld wordt, is het goed de tekst uit het vijfde hoofdstuk van de Koran aan te halen. Daarin komt de gemeenschappelijke boodschap ter sprake aan de Tora, het evangelie en de Koran. De boodschap van de profeet Mohammed richt zich namelijk in dit hoofdstuk eerst tot de joden, dan tot de christenen en vervolgens tot de moslims om zich tenslotte tot alle drie tegelijk te richten. De context is de vraag van geweld en vergelding naar aanleiding van vragen die de ‘mensen van het Boek’, met name joden in de stad Medina, daarover aan Mohammed hebben gesteld.
Eerst richt de Koran zich tot ‘de mensen van de Tora’:
‘Wij hebben hun, de joden in de Tora, voorgeschreven: Leven om leven (vgl. Dt. 19:21), oog om oog, neus om neus, oor om oor en tand om tand; ook voor verwondingen is vergelding. In alle gevallen is vergelding voorgeschreven.
Maar voor wie van dit recht afziet dan geldt dát als verzoening.

Dan richt de Koran zich tot de christenen, de ‘mensen van het evangelie’:
En Wij hebben Jezus, de zoon van Maria, de voetstappen van de profeten laten volgen om te bevestigen wat er in de Tora vóór zijn tijd al was. Wij gaven hem het Evangelie waarin een leidraad en een licht (vgl Q 6:91) is, ter bevestiging van wat er van de Tora vóór zijn tijd al was en als een leidraad en aansporing voor de godvrezenden. En laten de mensen van het Evangelie oordeel vellen volgens wat God daarin heeft geopenbaard.
En wie geen oordeel vellen volgens wat God heeft geopenbaard, dat zijn de wetsovertreders.
Tot de moslims gericht:
En Wij hebben het boek van de waarheid, namelijk de Koran, aan jou (Mohammed) geopenbaard om te bevestigen wat er voordien van de Schrift, het Oude en het Nieuwe Testament) al was en om erover te waken of om er uitsluitsel over te geven. Oordeel dan tussen hen volgens wat God aan jou heeft geopenbaard en volg hun persoonlijke begeerten niet in afwijking van de waarheid die tot jou gekomen is.

Dan tot allen gericht:
Voor een ieder van jullie hebben wij een norm en een weg (sharia) bepaald. En als God het gewild had, zou Hij jullie tot één gemeenschap gemaakt hebben, maar Hij heeft ieder van jullie in wat jullie aan openbaring gegeven is op de proef willen stellen. Wedijvert dus met elkaar in goede daden (vgl. Q 3:114, 21:90, 23:61). Zo zullen jullie eens allen tezamen tot God terugkeren. Hij zal jullie uitleggen dat, waarover jullie van mening verschillen (Q5:44-48)

cd: prayer for peace  SUFI LIED – teksten van de sufi-mysticus Hazrat Inayat Khan, die het westen rond het begin van de 19e eeuw in contact bracht met het Soefisme.

In peace we are united      In  vrede zijn we verenigd
through peace we pray      door vrede bidden we
with peace we shall triumph met vrede zullen we overwinnen
by peace we do feel          door vrede voelen we echt
… shaloom pacem shanti   vrede
send us your peace           zend ons uw vrede
that we her children          zodat wij, haar kinderen
may all unite                    ons allen verenigen
in one family                    in één familie
 

Schriftlezing: 2 Koningen 6: Elisa’s optreden in de oorlog tegen Aram

8 De koning van Aram voerde oorlog tegen Israël. Telkens als hij in overleg met zijn bevelhebbers besloot om bij een bepaalde plaats zijn kamp op te slaan, 9 liet de godsman Elisa de koning van Israël waarschuwen dat hij uit die buurt moest wegblijven omdat de Arameeërs daar een aanval beraamden. 10 De koning van Israël liet dan de inwoners van de plaats die de godsman had genoemd waarschuwen en zorgde ervoor zelf uit de buurt te blijven. Dat ging zo keer op keer, 11 tot grote ergernis van de koning van Aram. Hij riep zijn bevelhebbers bij zich en vroeg hun: ‘Zeg me: wie van onze mensen heult met de koning van Israël?’ 12 Een van de bevelhebbers antwoordde: ‘Niemand, mijn heer en koning, maar de profeet Elisa in Israël weet de koning van Israël zelfs te vertellen wat u in uw slaapkamer zegt.’ 13 Hierop zei de koning: ‘Zoek voor mij uit waar hij is, dan zal ik hem gevangen laten nemen.’ Toen hem werd verteld dat Elisa in Dotan was, 14 stuurde hij een groot leger met strijdwagens en paarden op de stad af.
De Arameeërs kwamen ’s nachts bij Dotan aan en omsingelden de stad. 15 Toen de bediende van Elisa de volgende morgen opstond en naar buiten kwam, zag hij dat de stad omsingeld was door een leger met strijdwagens en paarden. ‘Wat moeten we beginnen, heer?’ riep hij uit. 16 Zijn meester antwoordde: ‘Wees niet bang, wij zijn met meer dan zij.’ 17 En hij bad: ‘HEER, open zijn ogen en laat het hem zien.’ De HEER opende Elisa’s knecht de ogen, en toen zag hij dat de heuvels vol stonden met paarden en wagens van vuur, die Elisa omringden. 18 Toen de Arameeërs op Elisa afkwamen, smeekte hij de HEER hen te verblinden. De HEER verblindde hen, zoals Elisa had gevraagd, 19 en toen zei Elisa tegen hen: ‘U bent verkeerd. Dit is niet de stad waar u zijn moet. Volg mij, dan zal ik u de weg wijzen naar de man die u zoekt.’ Hij leidde hen naar Samaria, 20 en daar aangekomen bad hij: ‘HEER, open hun ogen en laat hen weer zien.’ De HEER opende hun de ogen, en toen zagen ze dat ze zich midden in Samaria bevonden. 21 Toen de koning van Israël de Arameeërs zag, vroeg hij aan Elisa: ‘Wat vindt u, vader? Zal ik ze doden?’ 22 ‘Nee,’ antwoordde Elisa, ‘dood hen niet. Hebt u ze soms met uw eigen wapens krijgsgevangen gemaakt, dat u hen zou doden? Zet hun een maaltijd voor, zodat ze kunnen eten en drinken, en laat hen teruggaan naar hun heer.’ 23 Hierop liet de koning een overvloedig gastmaal voor hen aanrichten, en toen ze gegeten en gedronken hadden stuurde hij hen terug naar hun heer. Van toen af aan deden de Aramese benden geen invallen meer in Israël.

Preek:
In de naam van God
Hij is lief
Hij geeft
Hij vergeeft…
Zo begint Kader Abdolah zijn Nederlandse bewerking van de Koran, ieder hoofdstuk opnieuw. Een oudere vertaling zegt: ‘In de naam van God, de barmhartige Erbarmer’, ook mooi. Alle 114 hoofdstukken beginnen op die manier. Er wordt verteld dat Mohammed de woorden van de Koran hoorde van de engel Gabriël en de opdracht kreeg ze allemaal op te schrijven, daar gingen jaren overheen, steeds een stukje. Om, zo wordt er gezegd, te bevestigen wat al in de Tora en het evangelie stond: er mogen dan verschillende namen gebruikt worden: Jahwe, God, Allah… het gaat allemaal over dezelfde God. In de Koran zijn de hoofdstukken op volgorde van lengte gezet, de langste eerst. Abdolah heeft er in zíjn boek voor gekozen om een meer historische volgorde aan te houden, zodat we de ontwikkeling van Mohammed en zijn Koran beter kunnen volgen. 82 Hoofdstukken (soera’s) zijn in Mekka geopenbaard, de overige 32 in de stad Medina. De oudste vertellingen uit Mekka zijn zacht, poëtisch, lyrisch, ritmisch en onderzoekend. Het zijn de soera’s die Mohammed aan het begin van zijn missie vertelt, in een tijd waarin hij nog geen macht heeft en niet in geweld gelooft. Maar als hij naar Medina vlucht, verandert zijn taal volledig. Daar krijgt hij macht, pakt hij het zwaard op en krijgen zijn woorden een hardere lading.

Toch stammen de woorden uit de Koran die Anton Wessels aanhaalt en die wij zojuist gelezen hebben, uit die laatste fase. Werd hij wat ouder, en dus wat rustiger? Was er weer wat meer ruimte in zijn ziel, om de vredesboodschap van de engel Gabriël beter te verstaan? Dat is ten slotte in de hele geschiedenis van onze mensheid het probleem geweest. We waren bang, we zagen vrede niet als een optie, en meestal was dat ook terecht. Want het gebeurt nog dagelijks: wie de macht heeft, kan onbelemmerd anderen doden. Het is pas 13 jaar geleden, dat de beslissing viel om een internationaal strafhof te beginnen, en tot op de dag van vandaag schitteren de grootmachten als de VS, China, Rusland en India door afwezigheid. Maar 120 andere landen doen wèl mee, en het worden er steeds meer. De Nederlandse regering besloot trouwens onlangs in haar wijsheid dat ze het wel welletjes vindt, en niet langer de huur van de Haagse panden wil betalen, waar het strafhof zitting houdt. Wat een merkwaardige prioriteiten toch. In een interview zegt jurist Gilbert Bitti: ‘Gedurende eeuwen hebben mensen elkaar met veel genoegen gedood. Ik ben zelfs verbaasd dat de mensheid dit heeft overleefd. Zeker voor de machthebbers gold het principe dat ze iedereen maar konden vermoorden, zonder dat ze daarover werden lastig gevallen. Daarom staat het hof voor een verandering in de geschiedenis van de mensheid’.

Gerechtigheid, vrede, liefde. Dat is het waar het in godsdienst, in alle godsdiensten om draait. Maar hoe doorbreek je de cirkel van geweld en willekeur. Het strafhof in Den Haag is een concrete poging, maar daarvoor was een verandering in denken nodig, en daar hebben de woorden uit de Heilige boeken zeker ook toe bij gedragen. Wij hebben vaak het idee dat die omslag pas begon in het nieuwe testament, maar ook daar zijn gemakkelijk voorbeelden te vinden van geweld, zoals excessieve straffen. Denk bijvoorbeeld maar aan Annanias en Safira, het stel dat sjoemelde met hun bezittingen, maar een deel aan de kerk gaf en toen ze dat ontkenden ter plekke dood neer vielen. Het is dus altijd een mix. Mensen zitten vast in hun eigentijdse ideeën en patronen, en het kost moeite om dan vanuit een ander perspectief te gaan denken, een perspectief van gerechtigheid en vergeving. Maar het gebeurt wel, zowel in het oude testament, als in het nieuwe testament, als in de koran. Het verhaal van de profeet Elisa is daar een prachtig voorbeeld van. Hij lokt de vijanden mee naar de stad Samaria, recht voor de neus van de koning. Die ziet zijn kans schoon, en wil ze onmiddellijk doden – maar nee, Elisa heeft een andere oplossing. Geef ze te eten! En kijk, het werkt. Van toen af aan deden de Aramese benden geen invallen meer in Israël. Een kwestie van vurige kolen op hun hoofd stapelen, waar het in het oude boek Spreuken al over gaat, en wat Jezus nog eens herhaalt. Dat ging al een flinke stap verder dan die andere raad uit de Thora: ‘oog om oog, tand om tand’. Toch was ook dat bedoeld om het geweld te beteugelen. Niet in het wilde weg wraak gaan lopen nemen als je iets is aangedaan, dan is het einde zoek en verzoening kan je wel vergeten. Dat betekent niet dat je nooit iets mag vergelden, dat zou misdadigers wel heel erg de vrije hand geven. In de Koran, geschreven in een gebied waar de eerwraak nog welig tiert, haalt deze tekst ook niet voor niets aan. Maar ze zeggen er nog iets bij: vergelden is goed, maar als je kans ziet om de ander te vergeven, en van dat recht om te vergelden afziet, dan is het daarmee ook verzoend, uit de wereld, zeg maar. Het vergeven en het aanbieden van een compensatie heeft de voorkeur. Het houdt respect voor het leven in. Dat betekent, om het even modern en praktisch te vertalen: als iemand je een tand uitslaat, je als ‘vergelding’ als straf zegt: betaal een nieuwe kroon als compensatie en we praten er niet meer over. Dus hoe begrijpelijk en verstaanbaar vergelding ook moge zijn, de drie boeken raden toch duidelijk alle drie aan een andere weg te kiezen.

Je zou kunnen zeggen dat oude en nieuwe testament en de koran, alle drie komen met het verhaal van het breken met het onrecht, het wegtrekken uit die situatie en het op weg gaan naar het beloofde land of de beloofde stad, een beloofde wereld, waar recht en gerechtigheid zal worden gedaan. Anton Wessels zegt in zijn boek:
‘Het samenvattende trefwoord is en blijft voor alle drie verzoening en geweldloosheid. Als er vandaag dus een Izaäk A. of een Mohammed B. of een Christiaan C. opstaat die toch van mening is ‘in Godsnaam’ wraak te kunnen en moeten uitoefenen, dan is dat niet in opdracht van de God van Abraham, de God van Jezus of de God van Mohammed. Dan is het uit naam van de door hemzelf bij elkaar gegoo(g)chelde God’.

‘Als iemand een mens doodt, is het alsof hij alle mensen doodt. En als iemand een ander laat leven, is het alsof hij alle mensen laat leven’. Dat staat in de Koran (sura 5:32), met een verwijzing naar het boek van de joden, ons oude testament. Zolang er mensen zijn en zolang er godsdienst is, blijven we worstelen met de problemen van gerechtigheid, vergelding, geweld en vergeving. Er zijn geen simpele antwoorden, maar het is wel de verantwoordelijkheid van ieder mens persoonlijk om daar over na te denken, te kiezen door wie of wat je je wilt laten leiden en in welke richting. De heilige boeken bieden daar genoeg mogelijkheden voor. Ze laten ook zien dat het niet volmaakt zal worden, vrede op deze aarde of zelfs maar in je eigen huis of je eigen ziel is iets waar je op kan hopen, waar je aan kan werken, maar ook iets wat uiteindelijk nooit helemaal bereikt kan worden – tenminste niet in dít aardse leven. En toch is het goed om ermee bezig te blijven, om onderweg te blijven naar de koning van de vrede, naar het beloofde land, om nu weer de adventstijd in te gaan en te praten over onze verwachting, ons verlangen. En dat alles in de naam van Jahweh, God, Allah
Hij is lief
Hij geeft
Hij vergeeft.
Amen.

Avondmaalsviering


 
 

Viering Elthetokerk 6 november 2011 (gedachtenisdienst)

Mededelingen
Kaars aansteken -
tekst: moderne ‘hertaling’ van psalm 23 Karel Eykman (uit: Als er een God is)

Het verloren schaap zingt zijn psalm

Was ik een schaap,
was hij mijn herder.
Was ik een schaap,
bracht hij mij verder.

Hij wist waar groen grasland was
en fris helder water.
Als ik weg wilde lopen
gaf hij mij een tik met zijn stok.
En was ik zoek,
ging hij mij zoeken.
Was ik stom
Ging ik verdwalen.
hij keerde om
om mij te halen.

Ik was niet bang
want hij was bij me.
Al moesten we langs
smalle enge paden,
ik durfde best,
want leeuwen of wolven
jaagt hij de stuipen op het lijf.
Wie kwaad wil doen
die lacht hij vierkant uit.

Ik voelde mij goed,
kon op hem bouwen.
Ik kreeg weer moed,
had weer vertrouwen.
Hij moedigde mij aan,
en maakte mij dapper.
Met hem erbij lukt het mij
alle dagen van het leven.

Was ik een schaap..
Dan wist ik het wel.

Gebed
Eeuwige God, wij danken u voor al het goede in ons leven, het mooie en het lieve. Wij danken u voor dit moment, deze gedachtenisdienst, waarin we terugdenken aan de mensen die belangrijk zijn geweest in ons leven, wees ons nabij in het gemis, en help ons los te laten, als de tijd daar rijp voor is. Kom met uw geest van liefde en kracht in ons midden, nu en altijd. Amen.

Lezing uit:
‘bevrijd je verdriet, troost voor tijden van pijn en rouw’ door Henri Nouwen

De tegenspoed die ieder van ons overkomt wordt niet verholpen met woorden, ook niet met gelovige woorden. Prachtige volzinnen zijn niet in staat om onze pijn, die diep zit, te verzachten. Maar er komt wel iets op onze weg dat ons erdoorheen helpt. Er klinkt een vraag: kun je jezelf toestaan van je verdriet te genezen? Kan je neerslachtigheid een doorgangshuis worden, door pijn heen naar vreugde? Wie noemde Jezus ook alweer ‘zalig’? Zij die verdriet hebben (Matteüs 5:4). Op die manier leren we onze verliezen onder ogen te zien, er niet bij weg te lopen. Als we de pijn die het leven meebrengt niet ontkennen, ontdekken we misschien iets verrassends, iets onverwachts. Als we in onze moeilijkheden een plaats inruimen voor God, leggen we een basis van vreugde en hoop in ons leven, ook in de verdrietige momenten ervan. We willen ons leven helemaal in de greep houden. Als we daarvan afzien, ontvangen we uiteindelijk misschien meer dan we zelf kunnen organiseren. We gaan op die manier ook dieper van anderen houden. Hoe kunnen we leren zo te leven? Velen van ons proberen onmiddellijk van lijden af te komen. We willen er tegen elke prijs omheen. Maar als we proberen om door lijden heen te komen, in plaats van het te ontwijken, dan staan we er anders tegenover. We staan open voor wat het ons kan leren. We beginnen zelfs te zien hoe God het benutten kan in een breder perspectief. Lijden wordt iets anders dan een hinderlijke last of een kwelling die je koste wat het kost moet vermijden. Leed kan vervulling brengen op een dieper niveau. Treuren en rouwen betekenen dan, dat je onder ogen ziet wat je verwond heeft, in het bijzijn van de Enige die genezing brengt.
Dat is natuurlijk niet gemakkelijk. Je moet in beweging komen, er zijn lastige stappen te zetten. Je raakt er de pijn niet door kwijt. Maar we kunnen uiteindelijk weer zo op krachten komen dat ons gewonde innerlijk weer vrij bewegen kan, zonder angst voor lijden of zelfs voor de dood, omdat we leren met onverwoestbare hoop te leven.

Tweede schriftlezing: Moed houden - Herman Andriessen

Eenvoudig voortgaan als je kunt.
De weg gaan zoals die komt met zijn voor en tegen.
Je ogen die een lamp zijn van je ziel
en die meer zeggen dan je mond verwerken kan.
Doen wat voor de hand ligt,
antwoorden geven als die er zijn
met een lach, maar ernstig gemeend.
Praten met je allerliefsten
of zwijgen als het mysterie te groot is.
En intussen niet teveel omzien,
want de weg van het leven gaat soms dwars door je hart.

Moed houden,
eenvoudig voortgaan als je kunt.
En als je niet kunt
wachten en uitrusten bij wie je je zorgen deelt
of bij een vriend/vriendin, als die er is,
zomaar een gesprek, eerlijk en vertrouwd.
En als die er niet is
toch wachten...
Dan maar alleen...
Wachten tot het weer gaat, straks...

Preek:

Vorige week las ik in de krant, dat je naar een cursus kon om te leren mensen uit de dood op te wekken in de naam van Jezus. Ergens in de Haarlemmermeer, en er werd speciaal een Amerikaan voor ingevlogen, die daar ruime ervaring mee had. Ik heb een kort filmpje van hem gezien op internet, en het leek me een aardige, bevlogen jongen. Het ging allemaal onder het motto ‘Jezus wil leven, niet een voortijdige dood’ – en elk overlijden onder de 100 jaar beschouwde hij als voortijdig. Dat belooft wat, voor de toekomst. Toch ga ik nog maar even niet zijn training volgen. Want om te beginnen klopt er iets niet aan die motivatie. Zou hij onder hetzelfde motto een poging gaan doen om de bomen in zijn tuin te beletten hun blaadjes te verliezen? Die kunnen toch ook best nog een jaartje mee? Het komt niet bij hem op. Waarom zou hij, zo is de natuur nu eenmaal. Maar wat hij niet wil toegeven is, dat het menselijk lichaam ook  onderdeel is van diezelfde natuur. Die grillig is, en vaak onvoorspelbaar. Ineens kan je een ramp treffen, je wordt ziek, een geliefde sterft. We hebben het niet in de hand, en dat is misschien wel het moeilijkste, om dàt te accepteren. De onzekerheid, de machteloosheid die ook bij het leven hoort. En God? Geen idee in hoeverre er een Goddelijk plan bestaat, óf er zo’n plan bestaat, die zin en betekenis geeft aan al dat lijden. Ik wil het graag geloven, maar soms waag ik het ook te betwijfelen. Hoe je het ook wendt of keert, het lijkt me overduidelijk dat míjn wil daar geen enkele invloed op uit kan oefenen. Je kan hooguit je best doen zover te komen, dat je net als Jezus tegen God zegt: ‘niet mijn wil maar uw wil geschiede’ en dan aan de slag gaat met je leven. Oftewel: het overgeven en loslaten. Dat kan onmogelijk meteen, daarom vond ik die tekst van Andriessen ook zo mooi. ‘Soms (als iets net gebeurd is) kan je alleen maar wachten, wachten tot het weer gaat, straks…’

Ook dat is iets van onze natuur, dat de scherpe kantjes er toch wat afgaan, na verloop van tijd. Verdriet verzacht, al gaat het nooit helemaal weg. Maar of je op een gegeven moment weer verder kan met je leven, zelfs gelukkig kan zijn, dat staat of valt met acceptatie. Zo is het, en niet anders. Of je nu een baan verliest, ruzie krijgt met je beste vriend, naar een verpleeghuis moet, achter elkaar een hele serie begrafenissen meemaakt – zo is het en niet anders. Dat betekent niet dat je je schouders erbij op moet halen en net doen alsof het je niet raakt – wie zijn eigen emoties niet serieus neemt en bijvoorbeeld verdriet wegstopt, zal het ook nooit werkelijk los kunnen laten. Daarvoor moet je het eerst aanpakken, toegeven dat het er is, jezelf de kans geven het te doorleven. Dán pas kan je het loslaten. Henri Nouwen vertelt in zijn boek een mooi verhaal over trapezeartiesten in een circus: drie vliegers en twee vangers, die dansen in de lucht. De vliegers wervelen door de ruimte, het is één en al risico en gevaar, totdat ze vastgepakt worden door de sterke handen van hun partners.
‘Het ontroert me steeds weer’, zegt Henri Nouwen dan, ‘als ik de moed zie van mijn circusvrienden. Bij elk optreden hebben ze het vertrouwen, dat ze aan het einde van hun vlucht met hun handen terechtkomen in de veilige houdgreep van een partner. Ze weten ook dat alleen het loslaten van de veilige lat hen met soepele gratie door de lucht naar een volgend houvast brengt. Vóór ze opgevangen kunnen worden moeten ze eerst iets loslaten. Ze moeten de lege ruimte aandurven. Bereid zijn om los te laten is een ongewone manier van leven voor ons. Een persoon, ons eigendom, een reputatie houden we graag stevig vast. Ons zuurverdiende geluk verdedigen we met hand en tand. Als we soms noodgedwongen iets kwijtraken, beschouwen we dat als een mislukking in onze overlevingsstrategie.
Paradoxaal genoeg worden onze handen gevuld op het moment dat we durven los te laten.

Hoe meer we alles onder controle willen houden, onwillig om ons leven losjes aan te sturen, des te harder zullen we moeten ontkennen dat we soms onderuitgaan. Daardoor zal ons leven een kunstmatig karakter krijgen. Onze overtuiging dat we moeten vasthouden wat we niet missen kunnen is één van de belangrijkste oorzaken van ons verdriet. Als we daarentegen mensen of plannen of bezittingen uit onze greep loslaten, zullen we anders –onverwacht veel vrijer, alhoewel niet risicoloos –gaan leven. Hoe kunnen we meer ontspannen leren leven?  Een van de stappen, in de voortgang van verdriet naar vreugde, is dat we ons bezit niet vastgrijpen, niet een veilig schuilplaatsje voor onszelf creëren, niet ons eigen of andermans leven willen uitstippelen en vastleggen, maar ons toevertrouwen aan de God die we liefhebben en willen volgen. Dat we niet overal macht over hebben, kunnen we beleven als Gods uitnodiging aan ons om geloof (om vertrouwen) te hebben’.

Geloof, vertrouwen in dat waar God voor staat: liefde voor het leven, voor alle leven, met alles wat daarbij hoort. Dat geldt voor het leven op deze aarde, maar zeker ook voor het leven wat daarna komt. Misschien zie je dat terug in je kleinkinderen, of meer in het algemeen in de jongere generatie, misschien zie je het vooral in die bomen, de natuur die elk voorjaar maar weer opnieuw opbloeit. Zelf geloof ik ook in een nieuwe vorm van leven, na onze dood. Vorige week kreeg ik nog een mailtje van iemand, die een paar jaar geleden zijn partner verloor, en nu voor het eerst de moed had gehad om naar de afscheidsdienst te luisteren. Toen geloofde hij absoluut niet in zoiets als een hiernamaals, maar, schreef hij, ondertussen is hij toch van gedachten veranderd. Hij had, vooral in het begin, te vaak beleefd en gevoeld dat ze nog steeds zo nu en dan heel dicht bij hem was. Voor mensen die daar nooit iets van voelen of merken, is het nog veel moeilijker om te geloven in een leven na de dood. Sommigen zijn er ook te veel bang mee gemaakt, voor een oordeel en de hel, dat is natuurlijk helemaal het meest verschrikkelijke wat er kan gebeuren, dat de eeuwige liefde van God zo verdraaid wordt tot zijn tegendeel. Het gaat niet over de één die oordeelt over de ander, het gaat om eenheid, om het feit dat we niet alleen een lichaam zijn, verbonden met deze aarde, maar ook een ziel, verbonden met de eeuwige goddelijke liefde. Liefde kan je niet vastpakken, die moet vrijuit kunnen stromen. Je toevertrouwen aan die stroom, je mee laten voeren, dat is de kunst van het leven, en eigenlijk ook van het sterven. In die liefde zijn we voor eeuwig geborgen. Amen.

Inleiding gedachtenis:
Weer is er een kerkelijk jaar bijna ten einde – en voltrok zich de kringloop van de eerste advent tot deze zondag van de herfst. We trokken langs de grote feesten: Kerst, Pasen en Pinksteren en langs de zondagen als plaatsen van troost en bemoediging, - van hoop en inspiratie. En daardoorheen weefde het leven van alledag haar patronen..

Patronen van verdriet en vreugde, van wanhoop en inspiratie, van angst en moed, van twijfel en geloof, van schuld en vergeving, van eenzaamheid en geborgenheid.
Soms raakten we ontheemd en verloren. Maar op andere momenten wisten we ons weer bij God en bij elkaar geborgen. Soms ook verlóren we elkaar op de reis door het leven…
Sommigen waren hoogbejaard. Anderen waren veel jonger…
Soms konden we het voorzien; - soms gebeurde het toch nog onverwacht. Maar altijd was er die grens waar we de ander moesten loslaten – en daarbij dragen we talloze herinneringen en tegenstrijdige gevoelens met ons mee.
Samen houden we hen in herinnering. Vanuit het geloof dat God ons niet loslaat, dat Hij het werk van onze handen wil bevestigen en zelfs door de dood heen wil voleindigen.

In dat grote vertrouwen weten we ons verenigd met elkaar en met allen die ons zijn voorgegaan.
Wij gedenken:
Nicolaas Johannes van der Wateren
Kornelis Pieters Poll
Maria Nobel-Zwijnenburg
Marinus Nobel
Hendrika Provily-van der Leer
Jan Wouter van Vlijmen
Wilhelmina Vos-Boers
Gian Carlo Trevisan
Annetje Bredius - de Snayer
Wilhelmina Johanna Barendse-Deenik
Neeltje Gunst-van der Marel

De laatste kaars en de laatste bloem is voor degenen, die het afgelopen jaar omgekomen zijn door oorlogen en terreurdaden. Wij gedenken hen....

Gebed:
Als u ons dragen kan
door de diepe grachten
van onze leegte en onze angsten heen
draag ons dan
voor eeuwig en altijd.

Als u de woorden kent
om antwoord te geven op die duizend vragen
over leven, over onszelf
over liefhebben en gelukkig worden,
praat dan met ons,
voor eeuwig en altijd.

Als u genezen kan wat omgaat in ons hart
aan onmacht, ontevredenheid
en onverwerkt verdriet
blijf dan naast ons staan,
voor eeuwig en altijd.

Als u vrede in ons hart kan planten
door geduldig te wachten en te hopen
tot het zaad van vrede in ons openbreekt
wacht dan op ons,
voor eeuwig en altijd.

Wij zijn niet groter, niet sterker dan u
wij weten niet alles, maar we danken u,
dat we dit werkelijk mogen weten:
we hoeven nooit alleen te vechten
of te huilen
we hebben elkaar, we hebben u
voor alle uren en alle dagen
voor altijd en eeuwig.
Help ons dit kinderlijke vertrouwen
Te vinden en te bewaren
Voor eeuwig en altijd
Amen.
 
 

Viering Elthetokerk 9 oktober 2011

Kaars aansteken & kaarsje aansteken aan de paaskaars (door kind)
tekst: Huub Oosterhuis - 'Groot en verheven'

Mijn ziel is zo jong
als op de dag dat zij geschapen werd,
ja en nog veel jonger.
Ik zeg je, ik zou beschaamd staan
als hij morgen
niet jonger zou zijn dan vandaag.
Ik heb een kracht in mijn ziel
die geheel ontvankelijk is voor God.
Ik ben daarvan zo zeker als ik leef.

Toen Hij de ziel schiep
greep Hij in zichzelf
en maakte de ziel naar zijn beeld.
Hij is de ziel van de ziel.

Wie op alle plaatsen thuis is,
die is aan God gewaagd.
En wie door alle levenstijden heen
één en zichzelf wordt,
hem is God hier en nu.

Over grote en verheven dingen
moet men niet zwijgen
maar groot en verheven spreken.

Verhaal voor de kinderen: wat is wijsheid?
Ik ga jullie een verhaaltje vertellen over drie meisjes, Mara, Noa en Sofie. Meestal waren ze vriendinnen, maar nu hadden ze ruzie. Dat kwam, omdat ze op verschillende scholen zaten. Mara en Sofie op de ene, en Noa op de andere. Mijn school is veel beter dan die van jullie, zei Noa boos. Niet waar, zeiden Mara en Sofie verontwaardigd. Wij weten lekker veel meer dan jij! De moeder van Mara en Sofie komt erbij. ‘Wat is er aan de hand’ vraagt ze. De kinderen vertellen het, ze zijn nog steeds heel boos op elkaar. ‘Weet je’, zegt hun moeder, ‘elke school is verschillend, en elk kind is ook weer anders. De een kan heel goed leren en alles onthouden, en de ander vindt dat heel moeilijk, maar die kan wel weer heel goed verhalen vertellen’. Noa knikt. ‘Ik kan het allebei heel goed’ zegt ze trots. ‘Maar’, zegt de moeder weer, ‘weet je wat jouw naam betekent, Sofie?’ Sofie weet het niet. ‘Sofie betekent ‘wijsheid’. En wie je ook bent, en op welke school je ook gaat, je kunt altijd je best doen om een wijs mens of een wijs kind te zijn. En weet je wat daar ook bij hoort?’ Ze halen hun schouders op, maar eigenlijk hebben ze wel al een beetje een vermoeden… ‘dat je zo wijs bent om geen malle ruzies te gaan maken over wie de beste is, of wie op de beste school zit. Je kunt beter lekker gaan spelen.’ En dat hebben ze toen maar gedaan.

Eerste schriftlezing:  Spreuken 9: 1-18

Wijsheid heeft haar huis gebouwd,
zeven zuilen heeft ze uitgekapt.
Ze heeft haar vee geslacht, haar wijn gemengd,
haar tafel heeft ze gedekt.
Haar dienaressen heeft zij de stad in gestuurd,
zelf roept zij vanaf de hoogste plaats:
‘Onnozele mensen, kom toch deze kant op.’
Wie geen verstand heeft roept ze toe:
‘Kom, eet het brood dat ik je geef,
drink de wijn die ik heb gemengd.
Wees niet langer zo onnozel,
leef, en betreed de weg van het inzicht.’

Wie een spotter terechtwijst, wordt bespot,
wie een goddeloze de les leest, wordt belachelijk gemaakt.
Wijs een spotter niet terecht, hij zou je haten,
berisp een wijze, en hij mag je graag.
Een wijze wordt nog wijzer als je hem berispt,
een rechtvaardige vergroot zijn inzicht door wat je hem leert.
Wijsheid begint met ontzag voor de HEER,
inzicht is vertrouwdheid met de Heilige.
Door mij, Wijsheid, vermeerderen de dagen van je leven,
je levensjaren nemen door mij toe.
Als je wijs bent, heb je er zelf voordeel van,
als je spot, benadeel je jezelf.

Vrouwe Dwaasheid bazelt maar,
door haar domheid heeft ze nergens weet van.
Ze zit bij de deur van haar huis,
in een zetel, hoog in de stad.
Ze roept naar de voorbijgangers,
naar hen die rechtdoor willen gaan:
‘Onnozele mensen, kom toch deze kant op.’
Wie geen verstand heeft roept ze toe:
‘Gestolen water smaakt verrukkelijk,
geroofd brood is een lekkernij.’
Maar wie zij naar zich toe lokt
weet niet dat hij afdaalt naar de schimmen,
hij daalt af tot in het dodenrijk.

Tweede schriftlezing: Wijsheid 7:15 – 8:1
Moge God mij vergunnen met verstand te spreken en te denken in overeenstemming met de gaven die mij geschonken zijn. Hij is de gids van de wijsheid, hij is het die wijzen verbetert. Wij zijn in Gods hand, met alles wat we zeggen, met al ons inzicht en al onze kundigheid. Hij is het die mij betrouwbare kennis verschaft heeft van alles wat er is.  Alles heb ik leren kennen, zowel wat zichtbaar als wat verborgen is. De wijsheid, de maakster van alles, heeft mij onderricht.
Zij heeft een geest die verstandig en heilig is,
uniek veelzijdig, verfijnd, beweeglijk, helder,
rein, toegankelijk, onkwetsbaar, liefdevol,
scherpzinnig, onstuitbaar, weldadig, menslievend,
standvastig, onwrikbaar, onbezorgd, almachtig,
alles overziend en alle geesten doordringend,
hoe scherp, zuiver of subtiel ze ook zijn.
De wijsheid is beweeglijker dan alles wat beweegt,
zij doordringt en doorstroomt alles met haar zuiverheid.
Zij is de adem van Gods kracht,
de zuivere straling van de luister van de Almachtige;
niets wat onrein is kan haar binnendringen.
In haar schittert het eeuwig licht,
in haar wordt Gods kracht feilloos weerspiegeld
en zijn goedheid afgebeeld.
Zij is één maar kan alles,
zij is onveranderlijk maar vernieuwt alles.
Ze gaat over op elk volgend geslacht van vrome mensen en maakt hen tot vrienden van God, en tot profeten. Want God heeft alleen degene liefd die zijn leven deelt met de wijsheid. In schoonheid overtreft ze de zon, haar plaats is boven de sterren. Ze is schitterender dan het daglicht, want dat wordt gevolgd door de nacht, maar de wijsheid wordt nooit verduisterd door het kwaad. Haar macht omvat de wereld van het ene uiteinde tot het andere, alles bestuurt ze even voortreffelijk.

Preek:

We zitten volop in de wijsheid vandaag, te beginnen met een hoofdstuk uit het boek Spreuken. Dat boek bestaat voornamelijk uit gezegdes, hier en daar gecombineerd met een verhaal over de gepersonifieerde wijsheid: wijsheid als een vrouw, een godin lijkt het wel, met allerlei trekjes uit de godinnencultuur van die tijd. Waarschijnlijk zijn de schrijvers ergens in de zesde eeuw v C begonnen met al die gezegdes op te schrijven, en was het boekje voltooid in de tweede eeuw voor Christus. Een internationale verzameling, sommige teksten vind je ook terug in Ugarit, Mesopotamië of Egypte. De spreuken worden in de inleiding toegeschreven aan koning Salomo, die vele eeuwen eerder leefde - maar dat is meer bedoeld om aan te geven hoe belangrijk ze zijn.
‘Wijsheid begint met ontzag voor God’. Daarover zijn dit spreukenboek en het tweede wijsheidsboek waar we uit lazen, het eens. Maar het tweede boek is geen verzameling spreuken, dat is veel meer een verhandeling, geschreven ergens in de tijd van Jezus. Door dat late tijdstip is het ook niet in de bijbel beland, maar hoort het bij de zogenaamde ‘deutero-canonieke’ boeken: boeken aan de rand van het oude testament, die er soms wel en soms niet bij gerekend worden.

Dat is een ingewikkeld verhaal, misschien vindt u het wel leuk om daar wat meer van te weten: het duurde tot het einde van de tweede eeuw, voor de Hebreeuwse bijbel, ons oude testament, haar definitieve vorm kreeg. Voor het zover was kwam er al wel een Griekse vertaling, de Septuagint genoemd. Die was dikker dan de latere Hebreeuwse canon, allerlei boekjes die later niet door de censuur kwamen staan hier nog wèl in. Dit Griekse oude testament, de septuagint, was vanaf het begin hèt toonaangevende boek voor de christenen. Zo belandden al die extra boeken dus ook in de vroege christelijke en later de katholieke bijbel. Bij de reformatie besloot men om zich aan de keuzes van de officiële Hebreeuwse bijbel te houden, die gemaakt waren aan het eind van de tweede eeuw, weet u nog – en zo belandden er een aantal boekjes in de zijlijn: de deutero-canonieke boeken, waaronder de wijsheid van Salomo, komen in de protestantse bijbel niet meer voor.

De tekst van de wijsheid van Salomo stamt dus zo ongeveer uit de tijd van Jezus, en is alleen al daarom interessant, omdat het een kijkje biedt op de ideeën en overtuigingen van de joodse tijdgenoten van Jezus. Misschien herinnert  u zich nog die lange lezing uit Ezechiël  van twee weken geleden, waarbij opviel dat er in die tijd nog helemaal geen sprake was van een leven na de dood. Hier, in deze tekst, wordt het eeuwenoude probleem van het lijden van goede mensen en de voorspoed van de slechterikken niet langer begrensd door het graf. De schrijver gaat er nu van uit, dat de ziel onsterfelijk is, en haar vergelding na de dood ontvangt, onzichtbaar voor ons. Het is geen vertaalde Hebreeuwse tekst, maar meteen in het Grieks geschreven voor joden buiten Israël, die steeds meer onder de indruk raakten van de Griekse cultuur. De schrijver wil de schaduwzijden van die cultuur zichtbaar maken, en heeft commentaar op het materialisme, de genotzucht en de religieuze verdwazing ervan. Maar ook wil hij aantonen, dat de wijsheid waar de Grieken naar zochten, de geschiedenis van de joden altijd al doortrokken heeft. Hij knoopt bijvoorbeeld aan bij ideeën van Plato, dat de ziel voor de geboorte al bestaat en een lichaam toegewezen krijgt (8:19) maar tegelijk maakt hij, anders dan de Grieken, duidelijk dat wijsheid niet automatisch bij het pakketje hoort: dat wordt je door God gegeven, daar word je geacht om te bidden. Wijsheid wordt zo veel meer dan een menselijke eigenschap: voortbordurend op Spreuken stelt hij de wijsheid voor als een etherische geest uit Gods nabijheid, een ‘emanatie’ (uitvloeiing) van zijn goddelijk wezen die de kosmos doordringt (1,7) en met het goede bezielt. Hij zegt het zelf simpeler: ‘De wijsheid is een geest die mensen liefheeft. Die geest van de Heer vervult de hele wereld’. Of, poëtischer in het hoofdstuk dat we net gelezen hebben (7:24/25): ‘De wijsheid is beweeglijker dan alles wat beweegt, ze doordringt en doorstroomt alles met haar zuiverheid. Ze is de adem van Gods kracht, de zuivere straling van de luister van de Almachtige; niets dat onrein is kan haar binnendringen.’

Wijsheid komt van God, zoveel is nu wel duidelijk. Nu is dat ook weer niet zo vreemd, allerlei andere menselijke karaktertrekken, zoals verstandig-zijn, een bepaald talent hebben, noem maar op – ook dat word je geacht allemaal van God te hebben ontvangen, tot en met het leven zelf. Wat maakt die wijsheid dan zo bijzonder? Wat is bijvoorbeeld het verschil tussen verstandig en wijs? … Er ís verschil toch? De meesten van ons, schat ik zo in, zullen van zichzelf wel kunnen zeggen dat ze verstandige mensen zijn (en als ze zich wat bescheidener willen opstellen zullen ze zeggen ‘ik ben toch over het algemeen wel een tamelijk verstandig mens’) maar een stuk minder zullen zichzelf ‘wijs’ noemen. ‘Ik ben een wijs mens’. Dat zeg je niet van jezelf, hoogstens van een ander, en dat bedoel je dan als een groot compliment. Een verstandig mens denkt goed na, wikt en weegt, neemt weloverwogen beslissingen. Je komt al een heel eind, als verstandig mens, we zouden willen dat er wat meer van rondliepen op deze wereld. Maar het is ook, op een bepaalde manier, beperkt. Je gebruikt alleen maar je verstand, en meer niet. Louter rationele beslissingen zijn niet per definitie de beste beslissingen, omdat ze geen rekening houden met andere aspecten van het menselijke bestaan, zoals emoties en intuïtie. Als het verstand openstaat voor allerlei invloeden van buitenaf, bereid is die mee te laten wegen, dan kom je al meer in de richting van wijsheid. Iemand die wijs is, gebruikt zijn of haar verstand, maar dat is niet het enige. Hij laat ook zijn gevoelens meespreken, luistert ook naar wat zijn intuïtie zegt, laat zijn verstand als het ware een stapje achteruit doen in een poging om het geheel te overzien. Het verstand is niet langer de alleenheerser, het is de coördinator. Alles wordt meegewogen. En het zou heel goed kunnen, dat dát proces steeds een stapje verder kan gaan. Zo kan je bepaalde normen en waarden hebben, die ook een rol gaan spelen in je besluitvorming. Zo kan het bijvoorbeeld verstandig zijn, om in deze onzekere tijden heel zuinig om te springen met je geld, maar kan het wijs zijn om toch een scholier in Sierra Leone te sponsoren, omdat je waarden als naastenliefde en gerechtigheid hoog in het vaandel hebt staan. Voor de bijbelschrijvers is het logisch, dat iemand die steeds verder groeit in wijsheid onherroepelijk bij Goddelijke dimensies uitkomt. Daar zouden ze best eens gelijk in kunnen hebben. Mij overkomt het tenminste wel eens, dat ik ineens een wijze opmerking maak, en dan denk:  ‘dat heb ik niet van mezelf’. Als wijsheid inderdaad betekent dat je steeds meer open komt te staan, je verstand steeds meer de coördinator wordt in plaats van de alleenheerser, dan raak je steeds breder georiënteerd, je schept misschien zelfs ruimte voor dat wat het gewone en bekende overstijgt. De schrijver laat Salomo niet voor niets uitroepen: ‘dus bad ik om inzicht, en het werd mij gegeven; ik heb gesmeekt, en mij werd een wijze geest geschonken’ (7:7) Dat bedoelt de wijsheidsleraar, als hij zegt ‘wijsheid begint met ontzag voor God’. Ontzag is een soort ruimte maken, ruimte voor iets dat groter is dan jezelf. En als je hen mag geloven, is daarmee het einde zoek, want dan leef je steeds dichter bij die Heilige Geest, of andersom: die Geest doordringt en doorstroomt je steeds meer. En het ontzag groeit; tot je samen met de oude wijsheidsleraar kan zeggen:

De wijsheid heeft een geest die verstandig en heilig is,
uniek veelzijdig, verfijnd, beweeglijk, helder,
rein, toegankelijk, onkwetsbaar, liefdevol,
scherpzinnig, onstuitbaar, weldadig, menslievend,
standvastig, onwrikbaar, onbezorgd, almachtig,
alles overziend en alle geesten doordringend,
hoe scherp, zuiver of subtiel ze ook zijn.
De wijsheid is beweeglijker dan alles wat beweegt,
zij doordringt en doorstroomt alles met haar zuiverheid.
Zij is de adem van Gods kracht,
de zuivere straling van de luister van de Almachtige;
niets wat onrein is kan haar binnendringen.
In haar schittert het eeuwig licht,
in haar wordt Gods kracht feilloos weerspiegeld
en zijn goedheid afgebeeld.
Zij is één maar kan alles,
zij is onveranderlijk maar vernieuwt alles.
In schoonheid overtreft ze de zon,
Haar plaats is boven de sterren.
Ze is schitterender dan het daglicht,
Want dat wordt gevolgd door de nacht,
Maar de wijsheid wordt nooit verduisterd door het kwaad.
Amen.
 
 


 
 

Avondmaalsviering 25 september 2011

Tekst bij het aansteken van de kaars:
geloofsbelijdenis van Bert ter Schegget.
'Of God bestaat, ik weet het niet.
De religie rondom ons gaat van zijn bestaan uit,
vanzelfsprekend. Dat is voor mij niet zo.
Als ik ze hoor spreken,
komt er onverbiddelijk ongeloof in mij op.
Dan ben ik atheïst en wel volkomen.
Zo hoor ik tot de verwereldlijkte mensheid van deze (post)moderne tijd. Nee, voor mij bestaat God niet.
En bewijsbaar is hij nog minder.
Toch is er iets anders in mijn leven:
een stem die enerzijds binnen in mij is
en die anderzijds eigenlijk tot mij komt.
Ik kan die stem in ieder geval niet vereenzelvigen met
wat ik zelf zeg of denk, hoop en vrees.
Hij is niet zo duidelijk,
het is meer een zachte fluistering vanuit een verborgen stilte. Maar het is een stem getuigend van licht, dat mij trekt.
Door die beloftevolle stem word ik losgemaakt
uit de betovering en omklemming van de bestaande wereld,
en gezet in een ruimte van vrijheid.
Ik kom in beweging
naar vrede, recht, vrijheid en gemeenschap toe.
Het is een stem 'die de stilte niet breekt', zo zacht en innig, maar tegelijk onweerstaanbaar.
Die bindende stem noem ik - door de bijbel geleerd - God.
Hij is weerloos tegen elke ontkenning,
ook die van mij (en dat is goed),
maar hij laat mij niet los.
Hij boeit mij, bemoedigt en troost mij.
Ik leef op zijn adem.'

Gebed:
God van vreugde en licht,
God van kinderen en volwassenen,
van aarde en hemel,
u bent onze horizon,
onze hoogste aspiratie,
de diepste laag van onze ziel.
Ook al voelen we ons misschien ver van u verwijderd,
toch naderen wij tot u,
voorzichtig verlangend,
vol vragen,
met allerlei tegenstrijdige gevoelens:
wij naderen tot u en u nadert ons,
vandaag, in deze dienst,
maar ook op alle andere momenten in ons leven.
Zo dichtbij, binnen uw invloedsfeer,
brengen wij onze zorgen en problemen
naar het licht van uw liefde.
De zorgen van alledag, in ons huis, ons werk, onze familie:
We kunnen soms zulke zwartkijkers zijn,
terwijl uw licht zo vlakbij is.
Open onze ogen en ons hart daarvoor,
vooral ons hart,
zodat we in het licht van uw liefde
niet alleen vrolijker kunnen leven,
maar ook zien wat we zelf kunnen doen
aan de grote maatschappelijke problemen,
ieder op zijn of haar eigen kleine manier,
met uw hulp.
Laat uw geest hier in ons midden zijn,
merkbaar, voelbaar, zichtbaar,
hoorbaar in de woorden die gesproken worden
tastbaar in het avondmaal.
Amen.

Eerste schriftlezing: Ezechiël 18 : 1-32
Ezechiël leefde in een turbulente tijd, zo ergens rond 600 voor Christus. Hij werd als jong als balling naar Babylonië gevoerd, kwam uit een priestergeslacht, en was eigenlijk stomverbaasd toen hij daar zijn eerste visioen kreeg. Dat verwacht je niet, zo ver van huis! Profeten en visioenen, dat is iets voor het land Israel, Jeruzalem, daarvoor hoor je dicht bij het vuur te zitten, zeg maar. En hij zat er duidelijk ontzettend ver vandaan! De schok was zo groot, dat hij een week lang verdoofd bleef zitten. Daarna groeide hij langzaam maar zeker in zijn rol.
Ik wil u vragen om goed te luisteren, en daarna kom ik met de microfoon, om sommigen van u te vragen wat eerste indrukken te geven.

Wie rechtvaardig handelt, zal leven
De HEER richtte zich tot mij: ‘Waarom gebruiken jullie in Israël toch het spreekwoord: Als de ouders onrijpe druiven eten, krijgen de kinderen stroeve tanden? Zo waar ik leef – spreekt God, de HEER –, nooit meer mag iemand bij jullie in Israël dit spreekwoord in de mond nemen! Weet dat alle mensenlevens mij toebehoren: zowel het leven van de ouders als dat van hun kinderen ligt in mijn hand, en alleen wie zondigt zal sterven.
Stel, iemand is rechtvaardig. Hij is mij trouw en doet het goede. Aan de offermaaltijden op de bergen neemt hij niet deel en hij vereert de afgoden van het volk van Israël niet; hij onteert de vrouw van een ander niet, hij maakt haar niet onrein, en met een vrouw die ongesteld is heeft hij geen gemeenschap; hij buit niemand uit, geeft de schuldenaar zijn onderpand terug en besteelt niemand. Hij deelt zijn brood met al wie honger heeft, wie naakt is geeft hij kleren; hij vraagt geen rente wanneer hij geld uitleent of toeslag wanneer hij het terugkrijgt; hij begaat geen onrecht en geeft een eerlijk oordeel bij onderlinge geschillen; hij houdt zich aan mijn geboden en leeft werkelijk naar mijn voorschriften. Zo iemand is rechtvaardig en zal zeker in leven blijven – spreekt God, de HEER.
Maar stel, hij krijgt een gewelddadige zoon, een moordenaar, die alles doet wat zijn vader nooit heeft gedaan. …moet zo iemand in leven blijven? Nee, hij zal niet in leven blijven: na zo veel wandaden zal hij zeker sterven, hij heeft zelf de dood over zich afgeroepen.
En ook hij krijgt weer een zoon, en deze zoon ziet alle misstappen die zijn vader begaan heeft. Hij ziet ze allemaal, maar volgt ze niet. …Hij leeft naar mijn voorschriften en houdt zich aan mijn geboden. Zo iemand zal zeker in leven blijven, en niet sterven vanwege de schuld van zijn vader. Maar zijn vader – die een uitbuiter is geweest, die anderen bestolen heeft en zijn eigen familie heeft benadeeld –, zijn vader zal sterven, door zijn eigen schuld. “Maar,” vragen jullie, “waarom hoeft de zoon niet te boeten voor de schuld van zijn vader?” Die zoon is mij trouw geweest en heeft het goede gedaan, hij heeft zich aan al mijn geboden gehouden en ze nageleefd, dus zal hij zeker in leven blijven! Iemand die zondigt zal sterven, maar een zoon hoeft niet te boeten voor de schuld van zijn vader, en een vader hoeft niet te boeten voor de schuld van zijn zoon; wie rechtvaardig is wordt als een rechtvaardige behandeld, en een slecht mens wordt voor zijn slechte daden gestraft.
Wie goddeloos leeft, maar zich afkeert van de zonden die hij heeft begaan, zich houdt aan al mijn geboden, mij trouw is en het goede doet, zal zeker in leven blijven en niet sterven. De misdaden die hij heeft begaan zullen hem niet worden aangerekend; door zijn rechtvaardige daden zal hij in leven blijven. Denken jullie dat ik het toejuich als een slecht mens sterven moet? – spreekt God, de HEER. Nee, ik wil dat hij tot inkeer komt en in leven blijft.
En wie goed heeft geleefd, maar niet langer rechtvaardig is, onrecht doet en alle wandaden begaat van een slecht mens – moet die in leven blijven? Al zijn goede daden zullen niet langer tellen; omdat hij mij ontrouw is geworden en zonden heeft begaan, zal hij sterven.
De Israëlieten zeggen: “De wegen van de Heer zijn onrechtvaardig!” Ben ik onrechtvaardig, Israëlieten? Zijn júllie het niet die onrechtvaardig zijn?
Ik zal iedereen beoordelen naar de weg die hij gegaan is – spreekt God, de HEER. Kom tot inkeer, bega geen misdaden meer, anders brengt jullie schuld je ten val. Breek met het zondige leven dat jullie hebben geleid, en vernieuw je hart en je geest. Dan hoeven jullie niet te sterven, Israëlieten! Want de dood van een mens geeft me geen vreugde – spreekt God, de HEER. Kom tot inkeer en leef!

In de 'nabespreking':
uitdrukking ‘Als de ouders onrijpe druiven eten, krijgen de kinderen stroeve tanden’ (ook in Jeremia 31: 29 : ‘Dan zal men niet meer zeggen: ‘Als de ouders onrijpe druiven eten, krijgen de kinderen stroeve tanden’ maar zal wie zondigt om zijn eigen zonden sterven. Wanneer iemand onrijpe druiven eet, zullen zijn eigen tanden stroef worden.’
In Syrië schijnt het eten van onrijpe, zure druiven nog steeds een gewoonte te zijn
In strijd met de ervaring!
Beschuldigend bedoeld: onze ouders hebben de fouten gemaakt, en nu moeten wíj als onschuldige balling, eronder lijden. Nee, zegt Ezechiël, je bent zelf verantwoordelijk, niet afschuiven op een ander!

- het lijstje met ‘zonden’ - sommige dingen gelden nog steeds, andere niet meer. Hoe mensen nog steeds lijden onder dat mechanisme van schuld voor wat ouders deden.
- geen gemeenschap met menstruerende vrouwen: een heel oud taboe, dat je overal in de wereld terugvindt, bijvoorbeeld ook in de geschiedenis van indianenstammen in Amerika. Als een vrouw ongesteld werd, trok ze zich terug in de gemeenschappelijke ‘maanhut’ om in alle rust de oude levensenergie terug te geven aan de aarde, als een soort kunstmest, oneerbiedig gezegd, en zich voor te bereiden op een nieuwe periode van vruchtbaarheid.
- de gevolgen: dood of leven. Nog niets over hel of hemel.

Tweede schriftlezing: Matteüs 21: 23-32
Onderricht aan hogepriesters, oudsten en Farizeeën
Toen hij naar de tempel was gegaan en daar onderricht gaf, kwamen de hogepriesters en de oudsten van het volk naar hem toe. Ze vroegen hem: ‘Op grond van welke bevoegdheid doet u die dingen? En wie heeft u die bevoegdheid gegeven?’ Jezus gaf hun ten antwoord: ‘Ik zal u ook een vraag stellen, en als u mij daarop antwoord geeft, zal ik u zeggen op grond van welke bevoegdheid ik die dingen doe. In wiens opdracht doopte Johannes? Kwam die opdracht van de hemel of van mensen?’ Ze overlegden met elkaar en zeiden: ‘Als we zeggen: “Van de hemel,” dan zal hij tegen ons zeggen: “Waarom hebt u hem dan niet geloofd?” Maar als we zeggen: “Van mensen,” dan krijgen we het volk over ons heen, want iedereen houdt Johannes voor een profeet.’ Dus gaven ze Jezus als antwoord: ‘We weten het niet.’ Daarop zei hij tegen hen: ‘Dan zeg ik u ook niet op grond van welke bevoegdheid ik die dingen doe.
Wat denkt u van het volgende? Iemand had twee zonen. Hij zei tegen de een: “Jongen, ga vandaag in de wijngaard aan het werk.” De zoon antwoordde: “Ik wil niet,” maar later bedacht hij zich en ging alsnog. Tegen de ander zei de man precies hetzelfde. Die antwoordde: “Ja, vader,” maar ging niet. Wie van de twee heeft nu de wil van zijn vader gedaan?’ Ze zeiden: ‘De eerste.’ Daarop zei Jezus: ‘Ik verzeker u: de tollenaars en de hoeren zijn u voor bij het binnengaan van het koninkrijk van God. Want Johannes koos de weg van de gerechtigheid toen hij naar u toe kwam. U geloofde hem niet, de tollenaars en de hoeren wel. En ook al zag u dat, u hebt u niet willen bedenken en hem alsnog willen geloven.

Preek:
Het is geen wonder dat profeten pas geëerd worden na hun dood. Ze zijn lastig. Ze tasten de machtsverhoudingen aan. Hoe gaat dat, in een beetje organisatie? Er moeten mensen komen die de touwtjes in handen nemen. Noodzaak, natuurlijk, maar macht werkt alleen als het samengaat met verantwoordelijkheid. We zagen van de week allemaal hoe het uit de hand kan lopen, als je iemand macht geeft, maar geen verantwoordelijkheid. Je ziet het in talloze landen, waar politieke leiders macht uitoefenen en zó ver degenereren, dat ze liever hun eigen volk uitmoorden dan die macht opgeven. Elk verantwoordelijkheidsgevoel is dan verdwenen.

Georganiseerde godsdiensten ontkomen ook maar moeilijk aan dit mechanisme van mensen die wel graag macht willen, maar verantwoordelijkheid liefst zo veel mogelijk uit de weg gaan. Leiders zijn noodzakelijk, daar is iedereen het wel over eens. Maar in de georganiseerde godsdienst is het nóg moeilijker om die macht in balans te houden met verantwoordelijkheid en vrijheid: dat komt omdat we eeuwenlang geleerd hebben van onszelf af te wijzen naar God en de bijbel. Dáár zit de echte macht, zeggen we dan. Een dominee heet in de kerk niet voor niets nog steeds officieel een ‘dienaar des Woords’. De katholieke kerk heeft dan nog een derde machtsfactor: de kerkelijke traditie. De pastoor die een paar weken geleden weigerde iemand vanuit de kerk te begraven omdat hij euthanasie had gepleegd, nam geen enkele verantwoordelijkheid voor wat hij daarmee aanrichtte in zijn parochie en bij die familie. Hij handelde op gezag van de kerk, dat was voor hem genoeg. Een wijkgemeente in de Alblasserwaard, die weigert samen te werken met een gemeente van diezelfde PKN in hun eigen dorp, die komt niet eens op het idee om in gesprek te gaan over het waaróm. Zo overtuigd zijn ze van hun eigen gelijk, uiteraard helemaal in overeenstemming met de wil van God. Waarmee ik maar wil zeggen: iedereen die zichzelf niet langer verantwoordelijk houdt voor wat hij anderen oplegt of aandoet, die gaat daarmee de fout in. Of je nu de schuld bij een ander legt, of bij God, of je nu roept ‘Befehl ist Befehl’ of ‘het staat in de bijbel’ het kan allemaal best bijdragen tot het nemen van je beslissing, maar uiteindelijk ben jíj verantwoordelijk voor de beslissingen die jíj neemt.

En dat zie je ook terug in de bijbelgedeelten van vandaag. Ezechiël, die zijn ballingen op het hart drukt om niet naar hun ouders te wijzen, maar zelf aan de slag te gaan met die zure druiven; het valt ze nauwelijks kwalijk te nemen, ik zie het al gebeuren bij mijn kleinkinderen, als hun moeder ze aanspreekt op hun gedrag: onmiddellijk zetten ze grote onschuldige verbaasde ogen op en zeggen ‘ík heb niks gedaan’. Als mijn dochter daar altijd in mee zou gaan, zouden het behoorlijk onuitstaanbare mensen worden. Jezus die tegen de oudsten, Farizeeën en schriftgeleerden zegt dat het niet gaat om lippendienst bewijzen aan een zogenaamde goddelijke autoriteit (in het openbaar gehoorzaam ‘ja’ zeggen tegen die vader, en dan vervolgens lekker doen waar je zelf zin in hebt), maar om een heel ander soort gehoorzaamheid, een gehoorzaamheid in vrijheid.

Want dat begrip is natuurlijk nauw verbonden met verantwoordelijkheid: vrijheid. Jezus heeft het vaak over vrijheid. Vrijheid is: de macht over jouw leven en over jouw beslissingen niet uit handen geven, maar je er goed van bewust zijn dat jíj de baas bent. Je kan besluiten om gehoorzaam te zijn, natuurlijk, je kan zelfs van gedachten veranderen, eerst ‘nee’ zeggen en later ‘ja’, maar wat vanuit die vrijheid níet kan, is de verantwoordelijkheid op anderen schuiven. En dan zijn we weer terug bij het begin van het verhaal uit Matteüs, waar de oudsten, Farizeeën en schriftgeleerden, al die dienaren van het woord, hun vrijheid zijn kwijtgeraakt door te weigeren verantwoordelijkheid te nemen. ‘Wie heeft u die bevoegdheid gegeven?’ Vragen ze aan Jezus. Als een mens geen eigen baas is, moet er altijd een baas zijn, nietwaar? Maar Jezus prikt die redenering door met een tegenvraag, die gaat over de zogenaamde bevoegdheid van Johannes de Doper. Kwam die van mensen of van God? Nu blijkt, dat het er amper toe doet waar die bevoegdheid vandaan komt. Het zal ze een zorg zijn. Waar ze antwoord op willen hebben, is: wie is er de baas, jij of wij? Voor Jezus is dat geen punt, hij gaat uit van de vrijheid van ieder mens, het is aan jou of je hem als meester erkent, naar hem luistert, of niet. Voor de andere partij is het wèl een punt, omdat ze bang zijn voor die vrijheid. Ze willen een autoriteit die de verantwoordelijkheid overneemt, en als ze toch graag zelf stevig de touwtjes in handen willen houden het idée van een autoriteit.

Het is gek, hoe dergelijke menselijke patronen diep ingesleten zijn, en hoe moeilijk te veranderen. Het is misschien best nuttig om onszelf dat eens af te vragen, de komende dagen: in hoeverre is die driehoek van vrijheid, verantwoordelijkheid en macht bij onszelf in balans? Persoonlijk, maar je kan het ook op de kerkelijke gemeenschap betrekken. Zijn die drie wat u betreft hier in de kerk in balans? Mijn ervaring is dat we dat helemaal niet zo slecht doen, maar hier en daar zou het misschien nóg beter kunnen. Misschien een goed idee om daar straks tijdens de koffie nog eens wat over na te praten.

Maar eerst gaan we het avondmaal vieren. Dat ritueel is ook bedoeld om ons in de vrijheid te stellen, ons ervan te doordringen dat we broers en zusters van Jezus zijn, verbonden met hem, en daarmee ook verbonden met God. We worden geholpen om alles wat ons tegenhoudt, wat ons bindt en klein maakt los te laten, en steeds opnieuw te leven naar zijn wil, dat wil zeggen: in vrijheid, liefde en verantwoordelijkheid. Amen.
 
 


 
 

DEZE KERKDIENST IS OOK TE BELUISTEREN OP DE IKONWEBSITE: Klik hier
 

Viering 11 september 2011, Elthetokerk, Blokweerweg 22, Alblasserdam
Voorganger:ds. Rini Rikkert; Organist:dhr. Cor Resseler; Zang: sopraan Kitty de Geus

Gedicht bij het aansteken van de kaars, van Hein Stufkens.

die dag zal komen,
dat je je niet meer
drukt tegen de rotswand en schuilt
als de schaduw van de adelaar
schuift over bergen.

die dag zal komen,
dat je jezelf een nest bouwt
op de hoogste bergtop
en kracht straalt tot de horizon.

die dag zal komen,
dat vrijheid vleugels krijgt
en angst geen naam meer heeft
in jou.
die dag zal komen.

Verhaal voor de kinderen:
Ik weet niet of er op het moment ook kinderen zijn die naar de radio luisteren, maar hier zijn er in ieder geval wel een aantal, die straks naar de kinderkring gaan. Voor jullie, maar ook voor alle anderen, vertel ik nu een verhaal over vroeger. Vroeger, als klein meisje, was ik niet zo’n held. De eerste dag naar school? Ik vond het doodeng. Alleen een boodschap doen? Ik had allang honderd manieren verzonnen waarop dat allemaal fout kon gaan. Maar thuis aankomen met het zinnetje ‘dat durf ik niet’ was er niet bij. Dan trok mijn moeder haar wenkbrauwen eens op en zei heel verbaasd: ‘dat dúrf ik niet?! Hoezo?! Je bent toch een gezonde Hollandse meid?’ ‘Ja-ha’ knikte ik dan, niet helemaal overtuigd. Maar er zat niets anders op, ik raapte al mijn moed bij elkaar, en deed het toch. En de tweede keer was het al een stuk minder eng. En daarna dacht ik meestal verbaasd: waar was ik nou eigenlijk zo bang voor?
Nu ik wat ouder ben, ben ik nog steeds geen held. Soms, op de meest onverwachte momenten, komt ineens dat kleine bange meisje weer om de hoek kijken. En weet je wat ik dan doe? Dan zeg ik: ‘kom maar meisje, natuurlijk ben je bang, het leven is vaak heel eng. Maar ga maar gewoon rustig door. Je zal zien, het komt goed.’ Meestal doe ik er ook een schietgebedje achteraan. ‘God, help me’ bid ik dan snel. En weet je wat er dan gebeurt?... Dat ga ik je lekker niet vertellen, dat mag je zelf uitvinden. Of misschien weet je het al. Dan mag je het straks vertellen, aan de juffrouw van de kinderkring!

Eerste lezing: Sygmunt Bauman in LUX

Het zal u niet ontgaan zijn, vandaag, 11 september, is het precies 10 jaar geleden dat de wereld werd opgeschrikt door de aanslag in New York. Het IKON startte eind juli al met een serie documentaires op TV, waarin ook de socioloog Sygmunt Bauman aan het woord kwam. De uitzending begint met een aantal vragen: ‘welke kant gaan we op met deze wereld? Sinds 9/11 is angst een geduchte politieke factor. We voelen ons bedreigd in onze politieke identiteit, en onze positie in de wereld. Zo is angst in onze samenleving gekropen. Steeds vaker krijgt die angst een gezicht. Maar klopt dat wel? Waar zijn we bang voor, en waarom? Zullen we in staat zijn de angst te overwinnen, of blijven we gegijzeld in onderling wantrouwen?

Sygmunt Bauman zegt hierover: ‘Het is tegenwoordig de norm, om ergens bang voor te zijn. Dat geldt zelfs voor de meest wijze en verstandige mensen onder ons. Onze angsten zijn onbestemd, vaag, zweverig. Je bent bang, maar je weet niet precies waarvoor. Dat is het ergste soort gevaar, een gevaar dat je niet kunt plaatsen, dat je niet ziet. In die zin had 9/11 ook een positieve kant, want het stelt ons in staat je ergens op te richten, anders dan werkgelegenheid of grote bankschulden, of al die broosheid van het gezinsleven of oorlogsdreiging of wat ook: nee, hier is HET gevaar. Als we nu een kamp inrichten in Gueantánamo, dan is alles goed. Maar helaas, zo werkt het niet. De angst blijft. Een vloeibare angst, een spanning die om je heen golft, en je weet nooit helemaal zeker wat de ware oorzaak is. Al onze angsten komen voort uit een soort oerangst. Dat is van oorsprong een totaal instinctief, natuurlijk, ongekunsteld gevoel van ontzag. Dat krijg je als je ziet hoe hemelhoge bergen of grenzeloze oceanen zich voor je uitstrekken. Zo machtig, zo reusachtig. Je voelt je eigen onbeduidendheid, je eigen onmacht als je daar staat. Die oerangst is de bestaansgrond van alle macht, want waarom zouden we moeten doen wat de politieke macht zegt? Omdat die ons zekerheid geeft. Zij vormt de barrière, de verdedigingsmuur tussen jou en allerlei rampen die er kunnen gebeuren. Men denkt steeds meer dat het een goede zaak is om vrijheid in te leveren voor meer zekerheid. Al die dingen die onze voorouders na veel strijd wisten af te schaffen omdat ze vrijheid wilden, die lekken heel langzaam weg, en dat wordt geaccepteerd. Maar zo krijg je alleen maar meer beveiliging… meer persoonlijke zekerheid levert het niet op, integendeel. Onze positie in het leven is en blijft heel wankel en broos, dat verandert niet.’ Tot zover Sygmunt Bauman, in het IKON-programma LUX ‘de wereld 10 jaar na 9/11’. Straks, in de preek, wil ik ingaan op die wankele en broze positie, en de angst die daarmee gepaard gaat. Een treffend voorbeeld daarvan vinden we in de bijbel, in het evangelie naar Marcus, hoofdstuk 4, de verzen 35 tot en met 41. Dat wil ik nu met u lezen.

Schriftlezing: Marcus 4: 35-41 (NBV)

Aan het eind van die dag, toen het avond was geworden (Jezus had er toen al een hele dag van preken en gesprekken opzitten), zei hij tegen zijn leerlingen: ‘Laten we het meer oversteken.’ Ze stuurden de menigte weg en namen hem mee in de boot waarin hij al zat, en voeren samen met de andere boten het meer op. Er stak een hevige storm op en de golven beukten tegen de boot, zodat die vol water kwam te staan. Maar hij lag achter in de boot op een kussen te slapen. Ze maakten hem wakker en zeiden: ‘Meester, kan het u niet schelen dat we vergaan?’ Toen hij wakker geworden was, sprak hij de wind bestraffend toe en zei tegen het meer: ‘Zwijg! Wees stil!’ De wind ging liggen en het meer kwam helemaal tot rust. Hij zei tegen hen: ‘Waarom hebben jullie zo weinig moed? Geloven jullie nog steeds niet?’ Ze werden bevangen door grote schrik en zeiden tegen elkaar: ‘Wie is hij toch, dat zelfs de wind en het meer hem gehoorzamen?’

PREEK:

Misschien moest u net wel diep zuchten, toen ik over 9/11 begon, zo van ‘lieve help, gaat het daar nu alwéér over?! Nee dus. Ik wil het met u hebben over de angst. Valt daar vanuit een christelijke visie iets zinnigs over te zeggen? Dat is in ieder geval iets, waar we de afgelopen weken weinig of niets over gehoord hebben. Sygmunt Bauman waarschuwt voor de gevaren van een angstige politiek, maar een alternatief heeft ook hij niet direct voorhanden. Hebben wij dat wel? Laten we dan eens beginnen bij het begin: de, zoals Bauman dat noemt ‘oerangst’ van ieder mens persoonlijk.
Bent u, ben jij wel eens bang? Vast wel. Maar lang niet iedereen zal dat ook toegeven, daarom praten we er meestal over in bedekte termen. ‘Ik ben een beetje gespannen’ zeggen we dan, of ‘nou, bang is een groot woord, maar ik maak me wel vaak zorgen’, of ‘ik slaap de laatste tijd slecht, hoe zou dat nou toch komen’…. Nou… misschien ben je wel een beetje bang. Maar dat is bijna een verboden emotie. Laatst was ik bij iemand die ernstig ziek was, en ronduit toegaf dat hij ontzettend bang was. Ik had de neiging om onmiddellijk die oude spreuk te gaan citeren: ‘een mens lijdt het meest door het lijden dat hij vreest en dat nooit op komt dagen - zo krijgt hij meer te dragen, dan God te dragen geeft’…
Tja. Helemaal waar, maar als je God erbij gaat halen wordt het oppassen.  Nog even, en je gaat zeggen dat zo’n zieke man toch vooral op God moet vertrouwen: ‘geen zorgen voor morgen meneer, beveel het aan God’… En dan, als pastoraal toetje, misschien een verwijzing naar dat prachtige verhaal van een slapende Jezus in de storm en de vele, vele keren dat er in de bijbel staat ‘weest niet bang’. Als ik zo’n verhaal tegen hem had afgestoken, had hij waarschijnlijk braaf geknikt, en was hij er vervolgens nooit meer over begonnen. Mijn impliciete boodschap zou geweest zijn: ‘meneer, als christen mág u eigenlijk helemaal niet bang zijn’. Onzin natuurlijk. Er is één ding erger dan bang zijn: het ontkennen. Gevoelens die ontkend worden zijn daarmee echt niet weg, ze duiken onder en gaan, als je niet oppast, in je lijf zitten wroeten: je wordt er misschien wel ziek en zeker niet gelukkig van. Voor je het weet bepaalt je angst ook nog eens allerlei beslissingen, ik kom het regelmatig tegen, bij mezelf maar ook bij anderen, alleen herken je het bij een ander vaak gemakkelijker. Een dochter die elk gesprek over euthanasie met haar doodzieke moeder uit de weg gaat, misschien ook wel omdat ze bang is om alleen verder te moeten. Misstanden laten voortduren omdat je te bang bent ertegenin te gaan. Je kunt zelfs bang zijn om te leven, en je stilletjes terugtrekken in je huis, achter je computer of de TV. Pas als je je werkelijk realiseert dat je geregeerd wordt door angst, kan je beginnen met daar iets aan te doen. Soms aan de oorzaak ervan, maar heel vaak zal je moeten leren omgaan met de angst zelf.

Gelukkig realiseerde ik me dat op tijd, in dat gesprek met die bange zieke, en hield ik al mijn bezweringen voor me. Ik knikte zelfs. Natuurlijk was die man heel angstig, en hij had daar alle reden toe. Als het er op aankomt, hangt ons veilige rustige leventje dan niet altíjd aan een zijden draadje? Soms dringt dat ineens tot je door, of dringt het collectief tot mensen door, bij zo´n afschuwelijke aanval op 11 september in New York.
Angst, het hoort bij ons menselijke bestaan. Je kunt nóg zoveel zekerheid proberen in te bouwen, maar er zijn vast heel wat luisteraars vandaag, die dat allemaal in één klap zagen verdwijnen door een traumatische gebeurtenis, omdat ze hulpbehoevend werden, of hun baan kwijtraakten, of iemand waar ze veel van hielden. In één klap besef je dan weer, hoe onzeker alles is.
Je hebt als mens réden om bang te zijn. Maar hoe zit het dan met Jezus in dat bijbelverhaal? Jezus had toch ook genoeg reden om bang te zijn, toen, op dat zinkende schip in de storm. Toch bleef hij rustig liggen slapen.. het wordt zo mooi beschreven.. ‘lekker kussentje onder zijn hoofd’. Een andere keer, in de hof van Getsémane, was hij zelf ook doodsbenauwd, dus het is niet zo dat Jezus geen angst kende. Waarom bleef hij dan deze keer zo rustig? Dat willen wij ook graag leren!
Ik denk, dat het helpt als je naar de beelden in dit verhaal kijkt, en die op jezelf betrekt. Aan de ene kant zijn we allemaal wel eens bange mensen, die de wereld ervaren als een zinkend schip, midden in een razende storm. Zo erg kan het zijn. Doodsbang word je ervan. Aan de andere kant zie je dan een kind van God, die meedeint op de golven, in alle rust en in vol vertrouwen. De storm is er wel, maar in je diepste innerlijk word je er niet door geraakt. Die beide varianten komen we allemaal wel eens in onszelf tegen. Maar hoe bereik je, midden in de storm en met al je angst, die andere variant, dat diepste vredige innerlijk? Dat kunnen we misschien wel leren van die bange vissers in het verhaal! Wat doen zij? Jezus erbij roepen, dat is punt één. Als voorbeeld, als helper. We kennen allemaal die verhalen - of misschien weten we het uit ervaring - dat het kan helpen als je op bange momenten gaat bidden. ‘Ik kreeg geen antwoord, maar ik werd er wel rustig van’ zeggen mensen dan. Alsof dat geen antwoord is!

Maar minstens even belangrijk is MOED. Dat liet Jezus zien toen hij zelf zo bang was in Getsémané: moed om de realiteit onder ogen te zien, te worstelen met je verzet daartegen, maar ten slotte te zeggen: ‘uw wil geschiede’. Dat gaf de rust. De omstandigheden waren nog precies hetzelfde, maar nadat je de angst onder ogen ziet, en die zelfs met liefde tegemoet treedt, verandert er iets wezenlijks. Het is belangrijk, om ook als volwassene zo nu en dan, als dat nodig is, tegen jezelf te zeggen: ‘kom maar kind, natuurlijk ben je bang, het leven is vaak heel eng. Maar ga maar gewoon rustig door, je zal zien, het komt goed.’ Zodra je dat tegen jezelf kan zeggen spreek je vanuit je diepste innerlijk en heb je de plaats gevonden waar de angst stukje bij beetje oplost in iets wat veel sterker is en veel dieper gaat, en alle verstand te boven: de plaats waar de Geest woont, de vrede van God. Ik denk niet dat het vanzelf gaat, voor mij is het tenminste hard werken en veel bidden om steeds weer vanuit dat diepste bewustzijn van vrede en liefde te leven. Mijn ervaring is, dat het leven op deze aarde heel mooi kan zijn, maar ook angstaanjagend, hard en onrechtvaardig. Geen idee waarom, maar zo is het leven en daar moeten wij ons antwoord op vinden. Laat je je helemaal regeren door de angst, en ga je misschien in de aanval, word je zelf ook hard en agressief? Die richting heeft de politiek gekozen, en het heeft ons weinig verder gebracht. Of kies je voor de zachte krachten van liefde en vergeving, en heb je de moed alles van jezelf dat daarmee in tegenspraak is onder ogen te zien? Dan kan het niet anders, of je ontmoet vroeg of laat op dit terrein van de vrede God. Die was er altijd al, daar, in ons diepste innerlijk, verbonden met onze ziel. Zodra je daar iets van bespeurt, weet je ook dat je het al die tijd nooit alleen hebt hoeven doen, dat al die angst alleen maar als een donkere wolk het zicht benam op wat daarachter zat: de stralende liefde van God, die jou, die ons, die de hele wereld wil beschijnen tot alle wolken verdwenen zijn. Amen.
 


 

Dienst 28 augustus 2011 Startzondag
mmv: Daphne en Denise Bakker en Meike van Zoest

Kaars aansteken - tekst: Kees van Kooten, uit ‘Tijdelijk nieuw’
Dikwijls in de kerk of de moskee zitten
maakt net zomin een godsdienstig mens van je
als vaak in de garage slapen en dan
maar hopen dat je een auto wordt

Eerste lezing: Moderne zaligsprekingen

Gelukkig zij die om zichzelf kunnen lachen:
zij hebben altijd reden tot vreugde.
Gelukkig zij die onderscheid kunnen maken
tussen een berg en een molshoop:
het zal hen heel wat zorgen besparen.
Gelukkig zij die zo nu en dan kunnen niksen
zonder daarvoor excuus te vragen:
zij zullen wijs worden.
Gelukkig zij die kunnen luisteren en zwijgen:
zij zullen steeds iets nieuws leren.
Gelukkig zij die de wijsheid hebben,
maar niet denken dat ze die in pacht hebben:
hun omgeving zal ze waarderen.
Gelukkig zij die oor hebben voor de hulproep van de ander,
en zich niet onmisbaar achten:
zij zullen vreugde zaaien.
Gelukkig ben je, wanneer je serieus kunt genieten van kleine dingen
en je klein voelt bij serieuze dingen:
je zult het ver brengen in het leven.
Gelukkig ben je als je een glimlach weet te waarderen
en een grijns (grimas) kan vergeten:
de zon zal op je pad schijnen.
Gelukkig bent je als je altijd iets goeds weet te zien
in een ander, al lijkt het soms anders:
Je zult voor naïef doorgaan, maar dit is de prijs voor de liefde.
Gelukkig zij die denken vóór zij handelen
en die bidden vóór zij gaan denken:
hun zullen vele stomheden bespaard worden.
Gelukkig bent je vooral,
Als je God kunt herkennen in allen die je ontmoet:
Je hebt het  Licht gevonden,
je bent op weg naar de ware Wijsheid.

Tweede schriftlezing: Lucas 14: 25-35
Het volgen van Jezus
Grote mensenmenigten trokken met Jezus mee. Hij wendde zich tot hen en zei: ‘Wie mij volgt, maar niet breekt met zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broers en zusters, ja zelfs met zijn eigen leven, kan niet mijn leerling zijn. Wie niet zijn kruis draagt en mij op mijn weg volgt, kan niet mijn leerling zijn.
Want wie van jullie die een toren wil bouwen gaat niet eerst de kosten berekenen, om te zien of hij wel genoeg heeft voor de bouw? Als hij het fundament gelegd heeft maar de bouw niet kan voltooien, zal iedereen die dat ziet hem uitlachen en zeggen: “Die man begon te bouwen, maar het karwei afmaken kon hij niet.” En welke koning die erop uittrekt om met een andere koning oorlog te voeren, zal niet eerst bij zichzelf te rade gaan of hij wel met tienduizend man kan optrekken tegen iemand die met twintigduizend man tegen hem oprukt? Als hij dat niet kan, stuurt hij eerst, wanneer de troepen nog ver van elkaar verwijderd zijn, een gezant om naar de voorwaarden voor vrede te vragen. Zo geldt ook voor jullie: wie geen afstand doet van al zijn bezittingen, kan mijn leerling niet zijn. Zout is iets goeds. Maar als ook het zout zijn smaak verliest, hoe kunnen we het dan zijn kracht teruggeven? Ook voor de bemesting van de grond is het niet meer bruikbaar, dus wordt het weggegooid. Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren!’

Preek:

Lieve mensen, soms doe ik iets, wat tijdens de theologie-opleiding in Utrecht zo ongeveer als een doodzonde werd gezien: ik zoek een bijbeltekst bij het thema waar ik het over wil hebben. Helemaal fout. Ons werd geleerd dat je als eerste en enige uit moet gaan van de bijbeltekst (die dan ook het liefst volgens het officiële leesrooster gelezen wordt) en die bijbeltekst moet uitleggen en zoveel mogelijk voor zichzelf moet laten spreken. Op zich zit daar wel wat in, het voorkomt in ieder geval dat je als dominee telkens hetzelfde stokpaardje gaat berijden. Maar nu, voor vandaag, besloot ik toch maar op zoek te gaan naar een tekst die wat beter aan zou sluiten bij het bijzondere van vandaag: onze startzondag. En omdat we dat plan met die stenen en dat pad hadden bedacht, kwam ik uit bij de tekst uit Lucas, waar ook dat thema in zit van ‘op weg gaan’, Jezus achterna.

Maar helaas, meteen bij de eerste zinnen raakte ik al in de problemen. Wat is dát nu? ‘Wie mij volgt, maar niet breekt met zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broers en zusters, ja zelfs met zijn eigen leven, kan niet mijn leerling zijn’?! Dat zou me toch een raar pad voor ons worden, als we moeten beginnen met allemaal met elkaar te breken. Op zulke momenten ben ik blij dat ik ooit wat van de grondtaal geleerd heb, en ga ik in de Griekse bijbel kijken welk woord daar nu eigenlijk gebruikt wordt. Dat maakte de schrik alleen maar groter, want er stond inderdaad helemaal geen ‘breken’ er stond iets veel ergers: HATEN. Blijkbaar hebben de vertalers van de nieuwe Bijbelvertaling daar ook bij staan steigeren, en het wat afgezwakt, maar in alle oudere Bijbelvertalingen komt je wel degelijk dát woord tegen. “Wie mij volgt, maar niet zijn vader en moeder, vrouw en kinderen en broers en zusters, ja zelfs zijn eigen leven haat, kan niet mijn leerling zijn”.

Als je mij gevraagd had, of dat zo in de bijbel staat, zou ik heel beslist NEE gezegd hebben - want het is natuurlijk precies het tegenovergestelde van gebod nummer 1: Heb God lief, en je naaste als jezelf. Maar het staat er. Gelukkig maar, dat we zo langzamerhand geleerd hebben dat we niet alles wat in de bijbel staat naar de letter moeten beamen, want dan hadden we nu een probleem. Dan had ik u nu moeten oproepen, om uw vrouw of man of broer of zus en ook nog eens uzelf te haten – anders kan u geen goede volgeling van Jezus zijn. Ik zou zo zeggen: doe maar niet. Haat, dat doet een mens geen goed. Sterker nog, een mens vervuld van haat, kan nooit en te nimmer een goede volgeling van Jezus zijn.

Het maakt dat stukje van Lucas natuurlijk des te intrigerender. Waarom ZEGT hij zoiets. Veel commentaren zeggen: dat “haten” is een Hebreeuwse overdrijving, ze bedóelen eigenlijk, dat je niet al te zeer aan je familie en je eigen ik vastgebakken moet zitten, Jezus moet op de eerste plaats komen. Vandaar ook die nieuwe vertaling met ‘breken’ waarschijnlijk. Het is best een plausibele verklaring, maar het stáát er niet, en ergens klopt het ook niet: “haten”, wijst toch niet bepaald naar “loskomen” van iets, integendeel, haat is ook een binding, en een sterke ook nog!

Laten we eens kijken naar de situatie, waarin Jezus dit zegt. Hij is, volgens Lucas, onderweg – en massa’s mensen lopen achter hem aan. Adoratie, euforie, dit is het helemaal. Geweldig, die Jezus. Jezus volgen, dat is vrede in je hart, blij en vrij en gezond en gelukkig zijn, en lief zijn voor elkaar. En dan draait Jezus zich om. Hij draait ALLES om. Praat over haat, in plaats van liefde, over kruis dragen, in plaats van bevrijding, over berekenend zijn, in plaats van overgave, over vrede, maar alleen als je de oorlog niet kan winnen..... en als uitsmijter: wil je míj volgen?! Gooi dan alles wat je hebt maar in de prullenbak! Als Jezus het allemaal zo gezegd heeft, dan heeft die menigte hem waarschijnlijk met open mond aan staan staren.

In één klap verdwenen, het goede gevoel. Vraagtekens. Onzekerheid. En misschien was dát het nu precies, waar Jezus op uit was. Ik weet het natuurlijk niet, maar het zóu kunnen. Want mensen hebben dat natuurlijk zo nu en dan wél nodig, dat ze eens even door elkaar geschud worden: o ja??? Denk jij te weten wie God is, wie Jezus is??? God krijgt, als je niet oppast, al gauw een menselijk niveau: een lieve God, zacht, goed, één en al licht, niks om bang voor te zijn. Je zou er zó bij in slaap vallen. U hoort mij nooit “lieve God” zeggen, ik kan daar niet zo goed tegen. God IS volgens mij niet lief, tenminste, niet wat wij bij dat woord voor ogen hebben. God is een geheim, een mysterie dat mensenverstand en gevoel VER te boven gaat. God is liefde, maar dat is heel iets anders. Wíj denken bij “liefde” misschien aan een stel dat elkaar een kusje geeft, of aan een schattig poesje, dat speelt met een knotje wol.... maar de liefde van Gód is een bliksemstraal, een man aan het kruis genageld.... wat weten we er eigenlijk van. Bij de grootse liefde van God hoort verantwoordelijkheid, vrijheid, en kracht, en bij de kleine liefde zoals wíj die hebben leren kennen is dat vaak helemáál niet zo. We hebben het zelfs stiekem omgedraaid. “Lief zijn” betekent dan je vrijheid opgeven, en je gehoorzaam van je zwakke kant laten zien....

God blijft een mysterie. Maar om de liefde van God wat beter te leren kennen, hebben we wel een duidelijke aanwijzing gekregen, de samenvatting van alle geboden: heb God lief, en je naaste als jezelf. Niet “wees een beetje lief voor God en elkaar en jezelf”.... maar een liefde ontwikkelen, die verbonden is met verantwoordelijkheid, vrijheid, en kracht. Een liefde, waar een krachtige emotie als woede, of haat tegen het kwade, niet onderdrukt hoeft te worden, maar juist een belangrijke plaats krijgt. Een liefde, waarin je vrij bent om zelf na te denken, om zelf je beslissingen te nemen, los van wat andere mensen ervan zullen zeggen....

Liefde, verbonden met verantwoordelijkheid, vrijheid en kracht. Dat lijkt ver verwijderd van de papiertjes aan het begin van de dienst, of de ongetwijfeld gezellige lunch straks, maar toch zijn het allemaal uitwerkingen van datzelfde thema. Heb God lief, zo vrij en krachtig mogelijk, en je naaste als jezelf. Wees je bewust van je eigen verantwoordelijkheid - jíj moet het doen. Dat geldt voor het geloof, maar het geldt ook voor de kerk. Je kan meepraten over de toekomst van de Elthetokerk - en we hopen dat u dat gaat doen - maar er is alleen een toekomst als iedereen zich mede verantwoordelijk voelt.
Ontdek je eigen basis, de steen waarop je staat, en help zo mee het pad te leggen waarover we allemaal steeds dichter bij ons gezamenlijke doel kunnen komen. Dat is wat we hier oefenen, daar zoeken we met z’n allen naar. Niet in alle perfectie, maar zo goed als we kunnen en ieder op zijn of haar eigen manier. Ik hoop, en eigenlijk vertrouw ik er ook wel op, dat we hier nog heel lang mee door zullen gaan. De bijbel zegt: Jezus zelf gaat voorop, volg hem. Niet gehoorzaam kwispelend, maar als vrije mensen, die niets liever willen dan net zo worden als hij. Dat lijkt me wel een mooie uitdaging voor het nieuwe seizoen, vindt u ook niet? Amen.
 
 


 
 
 
 


 
 

Viering Elthetokerk 14 augustus 2011
Doop van
Nynke, dochter van Dorien Zandvliet en Marco Janse,
Mees, zoon van Linda Huygen en Glenn Post, en
Sabine, dochter van Gerdine en Menno de Vreede-Torn.

Kaars aansteken
tekst (Nelson Mandela) gelezen door Dorien:
Onze diepste angst,
is niet dat we onmachtig zouden zijn.
Onze diepste angst betreft juist
onze niet te meten kracht.
Niet de duisternis, maar het licht in ons
is wat we het meeste vrezen.

We vragen onszelf af:
Wie ben ik wel om mezelf briljant, schitterend, begaafd, geweldig te achten.
Maar waarom zou je dat niet zijn.
Je bent een kind van God.
Je dient de wereld niet
door jezelf klein te houden.
Er wordt geen licht verspreid,
als de mensen om je heen,
hun zekerheid ontlenen aan jouw kleinheid.

We zijn bestemd om te stralen,
zoals kinderen dat doen.
We zijn geboren om de glorie Gods die in ons is
te openbaren.
Die glorie is niet slechts in enkelen,
maar in ieder mens aanwezig.
En als we ons licht laten schijnen,
schept dat voor de ander
de mogelijkheid hetzelfde te doen.

Als we van onze diepste angst bevrijd zijn,
zal alleen al onze nabijheid
anderen bevrijden.

Schriftlezing: Matteüs 15: 21-31
Naar Tyrus en Sidon
En weer vertrok Jezus; hij week uit naar het gebied van Tyrus en Sidon. Plotseling klonk de roep van een Kanaänitische vrouw die uit die streek afkomstig was: ‘Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David! Mijn dochter wordt vreselijk gekweld door een demon.’ Maar hij keurde haar geen woord waardig. Zijn leerlingen kwamen naar hem toe en vroegen hem dringend: ‘Stuur haar toch weg, anders blijft ze maar achter ons aan schreeuwen.’ Hij antwoordde: ‘Ik ben alleen gezonden naar de verloren schapen van het volk van Israël.’ Maar zij kwam dichterbij, wierp zich voor hem neer en zei: ‘Heer, help mij!’ Hij antwoordde: ‘Het is niet goed om de kinderen hun brood af te nemen en het aan de honden te voeren.’ Ze zei: ‘Zeker, Heer, maar de honden eten toch de kruimels op die van de tafel van hun baas vallen.’ Toen antwoordde Jezus haar: ‘U hebt een groot geloof! Wat u verlangt, zal ook gebeuren.’ En vanaf dat moment was haar dochter genezen.
Jezus trok weer verder. Bij het Meer van Galilea ging hij de berg op; daar ging hij zitten. Er kwamen grote mensenmassa’s op hem af. Men had verlamden, blinden, kreupelen, doofstommen en vele anderen meegebracht, die men aan zijn voeten legde, en hij genas hen allen. De mensen zagen vol verwondering hoe doofstommen gingen spreken, kreupelen beter werden, verlamden gingen lopen en blinden weer konden zien, en ze brachten hulde aan de God van Israël.

Tweede lezing: gedicht Geert Boogaard (Linda Huijgen)

Lieve Mees,

Wat ben je nog klein, en wat ben je nog puur.
Mensen zeggen wel eens dat een pasgeboren baby nog het dichtst bij God staat, en iedereen die ooit de geboorte van een kind heeft meegemaakt kan dit denk ik wel beamen. Wat een wonder, wat bijzonder.
Het zo makkelijk om in deze tijd een goddeloos geloof te hebben. Het is zo makkelijk, om zijn bestaan niet te willen zien.

Lieve Mees, wij als jouw papa en mama, wensen dat jij opgroeit met de wetenschap dat er meer is dan wat je met je blote oog kunt zien. Weet dat je je beschermd mag voelen, ook als wij niet bij je in de buurt zijn. Dat je, zonder je omgeving en medemens uit het oog te verliezen, leert om jouw eigen persoonlijke pad te bewandelen.

Ik leen verder graag de woorden van Geert Boogaard, die hier een prachtig gedicht over schreef:

Je bent gedragen, om verlost te worden,
Je bent gekomen om te gaan,
de streng die je bond aan het lichaam van mij, je moeder
moest verbroken worden om je te laten leven.
Dit mogen we nooit vergeten: je bent geen bezit,
we hèbben je niet, maar jij hebt ons
om je te leiden
te beschermen,
te bewaren voor angst
om je te zeggen,
dat wij niet bang zijn als het buiten onweert
en om met je te zingen in de nacht.
We zijn toeschouwers aan de rand van je leven.
We mogen je gadeslaan, terwijl je speelt,
en naar je lachen mogen we
terwijl je verloren bent in wat je ziet en doet.
We zien je langzaam worden wat je bent.
We houden de weg open naar je geluk,
en we zullen trachten te verhinderen
dat je probeert te worden iets wat je niet kunt zijn.

Je hebt veel te vragen.
Als je naar God vraagt
vertellen we van Jezus
als je naar de dood vraagt
vertellen we van het leven
vraag je waar je vandaan komt
dan zullen wij zeggen:
uit de wereld der liefde.

Weet, dat al wat we voor je zullen doen,
voorlopig is.
Je hoeft niet te doen wat wij zelf niet konden
Je moet worden waarheen je zelf wijst:
je eigen wonder.

Preek:

Een mooier begin van het nieuwe seizoen kunnen we ons níet wensen, vinden jullie niet? Een doopdienst, waarbij drie kinderen gedoopt gaan worden, drie baby’s die van nu af aan deel uit zullen maken van deze gemeente. Ze zijn van harte welkom. De doopouders hebben gisteren samen met Ria Zaanen ook het doopvont versierd, een mooie traditie, hier in de Elthetokerk. Drie bloemstukken op de grond, van iedere familie één, verbonden met het doopvont zelf, die lijnen symboliseren de verbondenheid, ieder op zijn of haar eigen manier, met God. Het is prachtig geworden!
Maar voor we gaan dopen, wil ik graag eerst nog even samen met jullie stilstaan bij het bijbelverhaal dat we net gelezen hebben. Een verhaal met in de hoofdrol een vreemdelinge, een niet-joodse die haar plaats opeist, ze laat zich niet aan de kant schuiven, zij heeft dezelfde rechten als ieder ander. Dat is het mooie van de bijbel, het is een oud en vaak moeilijk toegankelijk boek, maar als je dan die verhalen in het nieuwe testament leest dan besef je ineens hoe bepaalde kwesties van alle tijden zijn, en hoe er ook een duidelijk christelijk antwoord gegeven wordt: mensen zijn niet allemaal hetzelfde, kijk maar eens hoeveel verschillen je alleen al hier in zo’n kleine gemeenschap aantreft, en dat is prima. We zijn niet hetzelfde, maar we zijn wel gelijk. Mees, Nynke, Sabine - ze kunnen heel verschillend opgroeien, maar hun waarde verschilt niet. Dat hangt niet af van wat je wel of niet doet, of gaat doen, dat zit er als het ware ingebakken. De doop is daar ook een teken van: zoals het water stroomt, zo stroomt ook de liefde van God naar ieder mens. Het is een teken - meer niet. Het is geen voorwaarde, of bewijs, de liefde van God hoeft niet bewezen te worden, en stelt ook geen voorwaarden. Die is voor ons allemaal, gedoopt of niet gedoopt, christen of moslim of hindoe of ietsist - maar toch is dat geen reden om die doop dan maar over te slaan. Het laat op een symbolische manier zien hoe die stroom van liefde naar ons toekomt - en later, als Mees, Nynke en Sabine groot zijn, kunnen ze zelf bepalen wat hun reactie daarop is. En dat geldt eigenlijk voor ons allemaal. Je kunt naar de kerk gaan, je kunt andere vormen kiezen, je kan ook helemaal niets doen - de liefde van God blijft. Hoogstens merk je er in het laatste geval niets meer van, en dat zou jammer zijn. Maar het blijft jouw keuze. Liefde kan je nooit iemand opleggen. Dat gold in het bijbelverhaal ook. De vrouw, die bij Jezus kwam, kon hem niet verplichten om naar haar te luisteren, laat staan om haar te helpen. Ze heeft niet eens een náám, ja, behalve dan dat ze wordt vergeleken met een hond. Je kan het bijna beschouwen als een spiegelverhaal voor de berichten van de Engelse rellen van de afgelopen week: jongeren met geen enkel respect voor de mensen die ze beroofden, en aan de andere kant een maatschappij die velen van hen aan hun lot over laat. Een complex geheel, maar één ding vind je overal terug: de naastenliefde is ver te zoeken. Geldt dat voor Jezus en de Kanaänitische vrouw ook? Ik wil graag deze preek vervolgen in de vorm van een monoloog, waarbij ik haar zelf aan het woord wil laten. Ik nodig u uit te luisteren naar haar verhaal.

Heb je het gehoord?
Heb je gehoord hoe Jezus me behandelde?
hoe hij me negeerde?
Je gelooft het toch niet?
Ja, dát verhaal doet nu de ronde,
en er wordt bij gelachen:
zie je nu wel, die gekke rabbi.
Doet alsof hij zo anders is dan de rest.
Maar als het erop aankomt,
als het erop aankomt
is hij geen haar beter.
Dan beledigt hij je waar je bij staat:
‘HOND noemde hij haar.
Heb je het gehoord?
Hond!’
Je gelooft het toch niet?

Nou, dat is maar te hopen ook.
Dat je het niet gelooft.
Want het is niet waar.
Jawel, hij liet me roepen en smeken
maar ik had ook zijn teken gezien
het teken van: wacht even, geduld
en hij keek me aan,
recht in mijn ogen,
ik schrok ervan:
maar ik zag de liefde er in
al begreep ik er niets van
ik ging maar gewoon door
met roepen en smeken,
want denk maar niet
dat ze me daar ooit weg kregen:
dit was de enige kans
voor mij en voor mijn kind!
Die genezer, ik had hem nodig!
Wij hadden hem nodig!

Toen begonnen zijn leerlingen zich ermee te bemoeien.
Zij keken bepaald ánders naar me.
Alsof ik niets was, een schurftige hond
die je het liefst een trap zou geven
als je zou durven.
Jezus zag het ook.
‘Stuur haar toch weg!’ Zeiden ze. Korzelig.
En weer kreeg ik die blik.
van hèm. De genezer.
Hij zou me niet wegsturen.
Dat wist ik zeker.
Maar waarom zei hij dat dan,
dat van die ‘schapen van Israel’?
alleen maar gezonden voor hèn?
wat is dat voor onzin,
wat is dat voor een God
de één wel, en de ander niet?!

Ik stond op het punt boos te worden
toen ik weer zo’n blik opving.
Dat gaf me moed.
Ik spróng werkelijk naar voren
zakte op mijn knieën
wrong mijn handen
huilde.
‘Hèlp mij heer, hèlp mij!’
Toen gebeurde het.
Hij keerde zich naar me toe,
alleen wij tweeën bestonden nog
hij, ik, en natuurlijk mijn zieke dochter
waar ik werkelijk alles,
alles voor over zou hebben
om haar weer gezond te zien.
Hij herkende mijn liefde, mijn vastbeslotenheid,
het raakte me zo
we waren elkaar zo nabij
ik kan het niet uitleggen,
ik wist het gewoon.
en ik wist ook dat ik er toe deed,
dat mijn dochter er toe deed
dat hij, ik, wij allemaal
kinderen van God zijn
gelíefde kinderen van God.

Dus hield ik op met huilen.
Keek hem alleen maar aan.
Zijn volgende zin, verraste me volkomen.
Hij keek ook niet meer naar mij,
keek alleen naar zijn leerlingen.
Eén voor één keek hij ze aan
en zei met grote nadruk:
‘het is niet goed
om de kinderen hun brood af te nemen
en het aan de honden te voeren’.
Met de nadruk op dat hónden.
Ze keken naar mij,
ze keken naar Jezus
ze schuifelden wat met hun voeten
en lieten het hoofd hangen.
Ha! Nu werd er wat van mij verwacht!
Ik wist het!
Ik mocht Jezus helpen
om de mensen hier
iedereen hier
hun les te leren
de les die liefde brengt
in plaats van onverschilligheid
de les die laat zien
dat we één zijn,
zelfs ik, een Kanaänitische,
nooit een synagoge van binnen gezien
maar toch: ik ben net zo belangrijk
als al die anderen
net zo belangrijk, net zo geliefd
als Jezus zelf!

Dus stond ik op
met opgeheven hoofd
stond ik voor hem
luid en duidelijk zei ik:
‘Zeker Heer, maar de honden
(met de nadruk op honden)
eten toch de kruimels op
die van de tafel van hun baas
(met de nadruk op báás) vallen.’
Even bleef het doodstil.
Toen schalde de lach
van Jezus over het veld.
Ik lachte met hem mee.
Dacht even één seconde niet aan thuis
maar dat was de verbazing,
verbazing om wat hij toen tegen me zei:
‘U hebt een groot geloof!’
Stel je voor, ík! Een groot geloof!
En hij maakte geen grapje!
Hij wist wie ik was
ik wist wie hij was
we kenden elkaar
we waren vertrouwd
we waren één
Jood en Kanaänitische,
twee mensenkinderen
kinderen van dezelfde God
vol vertrouwen,
vol liefde.

Dus was het geen verrassing
wat toen volgde:
mijn dochter was genezen
toen, op dat moment,
en wij hadden allemaal
onze les geleerd.
Ik was blij,
natuurlijk was ik blij.
Ik dacht ook, dat iedereen
die ik het zou vertellen,
meteen zou begrijpen
hoe het zat
dat deze Jezus
echt een kind van God was
en ik ook
en mijn dochter ook
en jij ook, en jij en jij…
maar dat was niet zo.
Geen happy ending voor iedereen.
De meesten wilden er niet aan.
Zij dachten liever
in termen van ‘honden’ en ‘bazen’.
Ze gaven hun eigen draai
aan het verhaal
Ze veranderden niet.
Ik kan daar weinig aan doen.
Hooguit mijn eigen verhaal blijven vertellen:
hoe het me veranderd heeft
zelfbewust heeft gemaakt,
ik kwam voor mijn dochter
maar uiteindelijk genazen we allebei
van alle demons van deze wereld:
van haat, van onverschilligheid,
van minachting, van trots.
Voortaan wisten we:
Er is maar één God
die leeft in ons allen
Er is maar één Jezus,
maar het is onze broer
en alles wat hij heeft
deelt hij met ons
Dus zijn we gelukkig.
Soms. En soms ook niet.
Het maakt niet uit.
Dat grote geloof
(en zo groot is het helemaal niet)
dat koester ik
dáár gaat het om
Dát is míjn les geweest
op die gedenkwaardige dag
dat ik een geloof heb
en dat dat telt.

Inleiding op de doop:
Vandaag gaan we Nynke, Mees en Sabine dopen. De doop is een teken van verbondenheid, deze kinderen zijn niet alleen op de wereld, ze horen niet alleen bij hun ouders en familie, maar ze horen ook bij de kerk, bij God. Jezus zei, 2000 jaar geleden, tegen zijn leerlingen: ga overal naartoe, vertel iedereen het goede nieuws, dat ik gekomen ben om de mensen bij de hand te nemen en ze de weg naar God te wijzen, zodat ze voortaan mogen leven omringd door zijn liefde. Zij, en hun kinderen, en hun kleinkinderen, en  iedereen die na hen komt.

De namen van Nynke, Mees en Sabine worden straks in één adem uitgesproken met de naam van God. Ze horen erbij, voor altijd. Die doop doen we hier, voor de hele gemeente. Vanaf het moment dat hun namen genoemd zijn, leeft het kind in de gemeente. We kunnen het roepen om het iets te zeggen, te vertellen of te vragen. Tegelijkertijd worden de gemeenteleden herinnerd aan hun eigen doop. Wie gedoopt is wordt geroepen om iets met de doop te doen. De doop is een gave, maar ook een uitnodiging: God verlangt naar een antwoord!
De gave is, dat de naam van God wordt verbonden met de naam van een mens – dat betekent dat God de mens wil begeleiden tijdens het leven en dat de mens zeker mag zijn van Zijn trouw. De uitnodiging houdt in dat je in je leven ruimte schept voor de kracht van God en de boodschap van Jezus.

Bij de doop wordt de naam van God in drie namen, die van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, verbonden met de naam van het kind. De vader, die onze schepper is, de zoon Jezus Christus, die hier op aarde liet zien hoe God en mens als vader en kind met elkaar verbonden zijn, en de Heilige Geest, dat is de kracht die van God uitgaat en mensen in beweging zet. Die drie namen zijn samen het teken van het allerhoogste, van vertrouwen, hoop en liefde. Hoe dieper je dat zelf voelt en ervaart, des te meer zal het teken spreken en werken, voor jullie, voor de kinderen - en voor ons allemaal.

Bij dopen wordt water gebruikt.
Water heeft in dit ritueel twee betekenissen.
Ten eerste is water symbool voor kopje-onder gaan. In het leven komen mensen dat tegen. Zij dreigen dan wel eens ten onder te gaan in wanhoop en verdriet. De doop beeldt uit dat de mens uit de diepte getrokken wordt, en weer getroost verder mag leven.

Ten tweede is water symbool voor reinigen, schoonmaken. Als Nynke, Mees en Sabine in de toekomst ooit iets verkeerds zullen doen, mogen zij weten dat je daar niet in hoeft te blijven hangen. Schoongewassen door het water van de doop betekent, dat je altijd weer een nieuwe start mag maken.

Gedicht (Gerdine) Sytse de Vries - Een kind van het licht
Een kind van het licht, een leven lang!
Te gaan met opgeheven hoofd,
verwachtingsvol
als zonnekind gekoesterd,
gedijend in de warme
stralen van de trouw.
Want niet voor grijze schemer,
niet voor bange nachten
ben jij geroepen tot het leven,
maar in het licht
dat geen vergeten meer verdraagt.

Te gaan als kind van het licht
geeft helder weten, scherper zicht,
als je de stralen volgt,
de zonbeschenen weg.

En zelf altijd het aanzien waard,
is je leven omvat door liefde
groter dan je vragen.
Kind van de Zon blijf jij,
ook als het duister grauwt.
Bestemd ben jij tot bloei
en tot weerkaatsen
van het helder hemels licht
waarmee Hij jou omkleedt.

Doopgebed:

U danken wij goede God,
dat we dit teken van de doop
mogen beleven en zien
geef dat de symboliek van het water
ons zal meevoeren naar u
dat de doop van Noa
tot zegen mag zijn
voor haar
en voor ons allemaal
en wij door uw heilige Geest
van liefde en waarheid
mogen leven.
Amen.

DOOPVRAGEN VOOR
Dorien Zandvliet en Marco Janse,
Linda Huygen en Glenn Post,
Gerdine en Menno de Vreede-Torn.

- Geloven jullie, dat jullie kind een geschenk van God is, waar jullie voor mogen zorgen en van houden, en dat God zijn kinderen nooit in de steek zal laten?

- Geloven jullie, dat deze kinderen, na hun doop, een nieuwe schakel mogen zijn in een lange rij van gedoopte voorouders, deel van de kerk en van de traditie en de geschiede¬nis die God met mensen gaat?

- Beloven jullie te proberen deze doop ook in de toekomst bete¬kenis te geven, door  jullie kind te leren wat vertrouwen is, wat hoop, wat liefde - en daarin zelf het goede voorbeeld te geven?

Zegenwens:
Zegen deze kinderen, Zegen Mees Post, Nynke Janse en Sabine de Vreede,
(met hun broertjes Jesse en Pepijn),
Gezegend jullie mond,
dat die mag lachen
en woorden van liefde mag spreken
gezegend jullie ogen
dat ze tekenen van hoop mogen zien
gezegend jullie oren
dat ze mogen horen de stem van Goddelijke liefde
de stem van jullie hart
gezegend jullie handen
dat ze mogen geven en ontvangen
gezegend jullie voeten
dat ze mogen gaan op wegen van vrede
amen.
 
 
 


 

Viering Elthetokerk 26 juni / avondmaal

Kaars aansteken; tekst: Franciscus van Assisi:
Gelukkig de mens, die zijn naaste in al diens broosheid draagt
zoals hij door hem gedragen wil worden,
als hij in een soortgelijke situatie verkeert.

Eerste schriftlezing: Mattheus 10: 34-42:

Denk niet dat ik gekomen ben om op aarde vrede te brengen. Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard. Want ik kom een wig drijven tussen een man en zijn vader, tussen een dochter en haar moeder en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder; de vijanden van de mensen zijn hun eigen huisgenoten! Wie meer van zijn vader of moeder houdt dan van mij, is mij niet waard, en wie meer houdt van zijn zoon of dochter dan van mij, is mij niet waard. Wie niet zijn kruis op zich neemt en mij volgt, is mij niet waard. Wie zijn leven probeert te behouden zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij, die zal het behouden. Wie jullie ontvangt ontvangt mij, en wie mij ontvangt ontvangt hem die mij gezonden heeft. Wie een profeet ontvangt omdat het een profeet is, zal als een profeet beloond worden, en wie een rechtvaardige ontvangt omdat het een rechtvaardige is, zal als een rechtvaardige beloond worden. En wie een van deze onaanzienlijke mensen een beker fris water te drinken geeft alleen omdat het een leerling van mij is, ik verzeker jullie, die zal zeker beloond worden.”

Tweede schriftlezing: Kolossenzen 3: 12 - 17
Omdat God u heeft uitgekozen, omdat u zijn heiligen bent en hij u liefheeft, moet u zich kleden in innig medeleven, in goedheid, bescheidenheid, zachtmoedigheid en geduld. Verdraag elkaar en vergeef elkaar als iemand een ander iets te verwijten heeft; zoals de Heer u vergeven heeft, moet u elkaar vergeven. En bovenal, kleed u in de liefde, dat is de band die u tot een volmaakte eenheid maakt. Laat in uw hart de vrede van Christus heersen, want daartoe bent u geroepen als de leden van één lichaam. Wees ook dankbaar. Laat Christus’ woorden in al hun rijkdom in u wonen; onderricht en vermaan elkaar in alle wijsheid, zing met heel uw hart psalmen en hymnen voor God en liederen die de Geest u vol genade ingeeft. Doe alles wat u zegt of doet in de naam van de Heer Jezus, terwijl u God, de Vader, dankt door hem.

Preek:
Toen ik op het preekrooster zag, welke tekst er vandaag gelezen moest worden, met woorden als ‘een wig drijven’, ‘huisgenoten die zich ontpoppen als vijanden’, en als klap op de vuurpijl: ‘Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard’… had ik het er even moeilijk mee. Moet het hier nu echt over gaan vandaag? De wereld zit er vol mee, dat wel. We lezen het dagelijks in de krant of zien het op TV. Maar zo ver hoeven we het niet eens te zoeken. Ook dichter bij huis, in onze eigen gemeente, is er momenteel al het nodige aan de hand, en dat hakt er behoorlijk in. U mag best weten dat ik daar wel eens wakker van lig, en ik niet alleen.

Gaandeweg werd het me dan ook steeds duidelijker dat er wel degelijk een goede reden kan zijn om juist deze tekst op deze avondmaalszondag onder de loep te nemen. Want avondmaal, dat gaat toch juist over vrede, over liefdevolle verbinding met elkaar en met God - tenminste, dat roep ik altijd - hoe kunnen we dat vieren als er ondertussen zoveel gebeurt wat daarmee in tegenspraak is? Dat roept in ieder geval om reflectie, ‘onderzoek uzelf’ zoals het oude avondmaalsformulier zegt.

Dus ik wil u vragen om er samen met mij deze ochtend over na te denken. En dan bedoel ik niet, dat ik van u vraag om nu samen met mij eens lekker een paar gemeenteproblemen uit te gaan diepen: allereerst bestaat er zoiets als het ‘ambtsgeheim’, en de tweede reden is, dat er niets ergers is dan een dominee die via de preekstoel haar gelijk wil halen. Die kant wil ik niet op. Het is niet mijn stijl om iemand door middel van een preek de les te lezen, zelfs niet in bedekte termen, dus ik hoop dat u er zo ook niet naar gaat luisteren. Een veel belangrijker vraag is, wat je van problemen kan leren. Ik stel voor om het van die kant te benaderen, en te kijken naar de algemene vragen, die in ieder geval bij mij boven zijn gekomen de afgelopen tijd, vragen die vooral betrekking hebben op het verschil tussen mening en moraal, op het verband tussen betrokkenheid en verantwoordelijkheid, en ten slotte op de voorwaarden voor zo goed mogelijk moreel handelen.

Laten we beginnen bij dat zwaard, dat Jezus belooft. Dat is toch op z’n minst eigenaardig, vindt u niet? Waarom zou het volgen van Jezus zoveel tweespalt met zich meebrengen? Helemaal als vrijzinnig kerklid kun je je daar in eerste instantie niets bij voorstellen. Gun iedereen zijn of haar mening, respecteer elkaar, laat elkaar vrij, op die manier blijf je altijd allemaal goede vrienden. In dit verband zouden we ook allemaal blij moeten zijn met de vrijspraak van Wilders, je moet kunnen zeggen wat je wilt. Toch?

In principe is dat waar, vrijheid staat ook zo ongeveer in de top 3 van de Bijbelse waarden, maar ik weet niet hoe het met u is, bij mij geeft het toch wat gemengde gevoelens. En dat heeft te maken met de moraal. Met normen en waarden. En zo kom ik bij vraag 1:  In hoeverre maken we een duidelijk onderscheid tussen mening en moraal?

Ik bedoel dit. Een eigen mening hebben, daar is niets op tegen. Daar hoeft geen zwaard aan te pas te komen, sterker nog, daar mág geen zwaard aan te pas komen. Maar geldt dat ook voor de moraal? Zijn er bepaalde regels, die algemeen geldend zijn? Zelfs een man als Wilders is bereid zich aan de wet te houden, en dat geldt zeker ook voor vrijzinnig hervormden. Gedachten, meningen, geloofsopvattingen: die zijn vrij, maar gedrag is dat niet. Dat is gebonden aan bepaalde regels, dat zult u allemaal met me eens zijn. En tot die morele categorie, waar bepaalde regels voor gelden, behoren volgens mij ook veel vormen van kritiek. Kritiek die bepaalde normen en waarden vooronderstelt, van waar uit je iets beoordeelt als goed of fout - die valt onder de morele codes. Ik vermoed dat het in ons Bijbelgedeelte vooral om dat morele aspect gaat. Christenen bekeerden zich, en daar hoorde een andere moraal bij. En dat botste. Bij Jezus zelf natuurlijk het hardste, maar ook in het leven van zijn volgelingen. Niets is zo irritant als een vriend of familielid die zich ineens als een ‘heilige’ gaat gedragen, en jou laat zien of zelfs vertelt dat je het niet goed doet. Oordelen over een ander - het is een hachelijke onderneming. Mijn moeder zei vroeger, als ik op school iets gemeen of oneerlijk vond: ‘bemoei je er maar niet mee, want straks ben jíj de gebeten hond’. Je er ondanks dat tóch mee bemoeien, dat is dat zwaard hanteren waar Jezus het over heeft, en mijn ervaring is, dat zo’n zwaard meestal als een soort boemerang bij je terug komt. Ik ben er bang voor.

Ik moet u bekennen: ik ben geen held. Ik ga confrontaties het liefst uit de weg. Ik heb voor mezelf vaak een tamelijk strenge moraal, en op andere terreinen weer een tamelijk losse, maar kijk wel twee keer uit om die aan anderen op te leggen. Dus probeer ik zo lang mogelijk vriendelijk en aardig te blijven, hou me op de vlakte, zogezegd, en denk er ondertussen soms het mijne van. Als ik dat wel eens zwak van mezelf vind, troost ik me met de gedachte dat de meeste mensen zo door het leven gaan, het is wel zo rustig. Confronteren associeer ik met ruzie, met bemoeizucht, met afwijzing, het beter willen weten dan een ander - en vaak draait het daar ook op uit. Dat wil toch niemand?

Maar wat gebeurt er, als je altijd lief en aardig blijft? Dan zweef je als het ware welwillend boven de mensen. Je kan het jezelf ook niet veróorloven om er al te veel bij betrokken te raken, want mét die betrokkenheid komt ook de verantwoordelijkheid om de hoek kijken. Zodra je je mede verantwoordelijk voelt voor anderen, kan je bijna niet anders dan in actie komen, bijvoorbeeld als die de dupe dreigen te worden van een derde die het met de moraal niet zo nauw neemt. Ga maar na, als je kind of je geliefde slecht behandeld wordt, dan hou je je echt niet glimlachend afzijdig, dan is het eerder ´kom hier met dat zwaard´... Maar dat is bij wijze van hoge uitzondering. Als het even kan, houden veel mensen zich afzijdig. Zo nu en dan eens een partijtje lekker schelden op, ik noem maar wat, de verhuftering van deze maatschappij tel ik niet mee, dat is vrije meningsuiting, waar je nooit een buil aan kan vallen. Die builen komen pas, als je de daad bij het woord gaat voegen, en ingrijpt als je op straat iemand in elkaar geslagen of zelfs maar uitgescholden ziet worden. Zo’n houding van ‘laat iedereen maar lekker doen waar die zin in heeft, zolang ik er maar geen last van heb’ lijkt zo tolerant, maar het ís in feite vooral weglopen voor je morele verantwoordelijkheid. Of ben ik nu te snel in mijn oordeel? Hoe is dat voor u? En zo kom ik bij vraag 2: In hoeverre ben je bereid betrokken te zijn bij -  en dus verantwoordelijkheid te dragen voor - de normen en waarden in deze gemeente, in de wereld om je heen? Kan je hier zelfs spreken van een christelijke plicht? Kan je je voorstellen dat er een moment komt dat je opstaat en zegt: dit kan zo niet langer, hier ga ik iets van zeggen, iets aan doen?

Dat is uitstekend, maar dán beginnen de problemen natuurlijk pas echt. Het zwaard van Christus oppakken, betekent namelijk dat je met liefde te werk moet gaan, anders is het gewoon het zoveelste zwaard waarmee mensen hun eigen onlustgevoelens op anderen botvieren. Iedereen die wel eens bewust heeft geprobeerd om christelijke naastenliefde en het zwaard te laten samenvallen zal beamen dat dit verschrikkelijk moeilijk is. Of een geweldige uitdaging, het ligt er maar aan hoe je het bekijkt.

Het vraagt allereerst om grondig zelfonderzoek, liefst met hulp van anderen. Hoe zuiver zijn je motieven? Wat speelt er allemaal nog meer mee? Ben je niet te snel in je oordeel? Welke mogelijkheden zijn er nu? Hoe laat je iedereen zoveel mogelijk in zijn of haar waarde? Iedere situatie is weer anders, en zal weer andere vragen meebrengen. Zo’n zelfonderzoek betreft ook je gevoelens. In hoeverre beïnvloeden die je gedrag? Ik heb zelf wel eens een gesprek gevoerd, waarbij ik er te laat achter kwam dat ik ook behoorlijk boos was. Daarmee is de boodschap harder over gekomen dan nodig, daar had ik later spijt van. Aan de andere kant ben ik te vaak te lang bezig met pappen en nathouden - voornamelijk omdat ik het zo moeilijk kan verdragen als mensen me niet meer áárdig vinden. En dat is inderdaad wel iets waar je tegen moet kunnen. Morele confrontaties leveren zelden een dank-je-wel op. Als je er dan, na al dat zelfonderzoek en overleg met anderen, toch voor kiest om de confrontatie aan te gaan, juist vanuit die betrokkenheid en verantwoordelijkheid - dan sta je voor een serie nieuwe uitdagingen. Red je het, om niet eigenwijs zijn, maar wel zelfvertrouwen te hebben? Weet je wat je waard bent, maar blijf je ook open staan voor kritiek? Lukt het je, vast te houden aan je eigen normen van naastenliefde? Laat je je niet meeslepen in negativiteit? Blijf je eerlijk tegenover jezelf en anderen? Kan je het volhouden en loop je nergens voor weg? Ook hier levert elke situatie weer andere uitdagingen op. Gek genoeg gelden al die vragen ook voor de andere partij: degene die geconfronteerd wórdt. Ik kan het weten, want ik maak het beide mee op het moment. Voor diegene is het misschien nog wel moeilijker, omdat je eerste reactie bij een onverwachte confrontatie er bijna automatisch één is van ontkenning, gevolgd door boosheid en allerlei andere emoties. Wie denkt nog dat het gemakkelijk is, Jezus navolgen? Opkomen voor recht, voor liefde en vrede?

Het is niet gemakkelijk, maar het is te doen. Hoop ik nog steeds. Het kan zelfs zuiverend en verrijkend werken. We zijn geen van allen volmaakt, en daar mogen we met liefde naar kijken. Een ander is niet beter of slechter dan jij, je hebt dus de opdracht om elkaar te blijven respecteren als persoon, en (misschien wel juist daarom) elkaar ook aan te spreken op morele gronden. We maken allemaal fouten, en van die fouten mogen we met elkaar leren en groeien. Zo kunnen we volgens mij wel het avondmaal samen in gaan. Dankbaar, dat er een God is, bereid om ons de goede weg te wijzen, een weg naar meer liefde, meer betrokkenheid, meer verantwoordelijkheid. En weten dat we die God daar hard bij nodig hebben. Amen.

Geloofsbelijdenis:
Wij geloven in God,
de Heer van de gehele schepping
en van alles en allen
die daarin wonen.

Wij geloven in zijn liefde voor alle mensen
die gestalte kreeg in Jezus Christus
in wie en door wie wij kennen
de weg, de waarheid en het leven.

Wij geloven dat God
ons het leven heeft gegeven
als een opdracht
om te leven tot zijn eer
en tot heil en welzijn van de mensen.
Wij geloven dat die opdracht vorm moet krijgen
in het leven van de gemeente naar het Evangelie,

door overal waar mensen wonen
in Christus' naam te dienen,
de gemeenschap te vernieuwen
en de gerechtigheid waar te maken –
door de kracht van de Heilige Geest,
amen.
 
 
 


 
 
 

Viering Elthetokerk Pinksteren 12 juni 2011

Kaars aansteken - tekst: : (Pinksteren 2011, Piet van Veldhuizen)

Pinksteren

Pasen en Pinksteren: dezelfde dag
zevenmaal zeven dagen doorgerijpt
van dat het licht werd, tot mijn ziel begrijpt
dat Christus leeft en dat ik leven mag.
Van angstig ongeloof bij volle maan,
van zwarte velden met een waas van groen,
tot zingend koren in de volle zon,
een hoogopgaande zee van gouden graan.
Pasen is opstaan na een slechte nacht
en nog niet weten welke dag het is
en langzaam wennen aan het nieuwe licht,
loskomen uit het duister en zijn macht
totdat je volstroomt met Gods goede Geest
en weer ervaart dat dit het leven is,
dat wat niet goed was je vergeven is
zevenmaal zevenmaal: het Pinksterfeest.

Gebed (Van Sytze de Vries)

Hoe hebt U, God,
het aangedurfd om uw vertrouwen
in mensen te stellen?

Uw geloof in ons
is groter dan wij durven dromen
en kunnen vermoeden.

Daarom wagen wij het te vragen
soms ondanks onszelf:
zegen ons ook vandaag opnieuw
met het licht van uw ogen.
Vrolijk ons hart op
met de ruimte van uw liefde
Laat uw woorden
in ons branden
als een vuur
voor hart en handen - Amen.

Schriftlezing: Handelingen 2 De komst van de heilige Geest
Toen de dag van het Pinksterfeest aanbrak waren ze allen bij elkaar. Plotseling klonk er uit de hemel een geluid als van een hevige windvlaag, dat het huis waar ze zich bevonden geheel vulde. Er verschenen aan hen een soort vlammen, die zich als vuurtongen verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten, en allen werden vervuld van de heilige Geest en begonnen op luide toon te spreken in vreemde talen, zoals hun door de Geest werd ingegeven.
In Jeruzalem woonden destijds vrome Joden, die afkomstig waren uit ieder volk op aarde. Toen het geluid weerklonk, dromden ze samen en ze raakten geheel in verwarring omdat ieder de apostelen en de andere leerlingen in zijn eigen taal hoorde spreken. Ze waren buiten zichzelf van verbazing en zeiden: ‘Het zijn toch allemaal Galileeërs die daar spreken? Hoe kan het dan dat wij hen allemaal in onze eigen moedertaal horen? Parten, Meden en Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judea en Kappadocië, mensen uit Pontus en Asia,  Frygië en Pamfylië, Egypte en de omgeving van Cyrene in Libië, en ook Joden uit Rome die zich hier gevestigd hebben, Joden en proselieten, mensen uit Kreta en Arabië – wij allen horen hen in onze eigen taal spreken over Gods grote daden.’ Verbijsterd en geheel van hun stuk gebracht vroegen ze aan elkaar: ‘Wat heeft dit toch te betekenen?’ Maar sommigen zeiden spottend: ‘Ze zullen wel dronken zijn.’
Toespraak van Petrus
Daarop trad Petrus naar voren, samen met de elf andere apostelen, verhief zijn stem en sprak de menigte toe: ‘U, Joden en inwoners van Jeruzalem, luister naar mijn woorden en neem ze ter harte. Deze mensen zijn niet dronken, zoals u denkt; het is immers pas het derde uur na zonsopgang. Wat hier nu gebeurt, is aangekondigd door de profeet Joël:
“Aan het einde der tijden, zegt God,
zal ik over alle mensen mijn geest uitgieten.
Dan zullen jullie zonen en dochters profeteren,
jongeren zullen visioenen zien en oude mensen droomgezichten.
Ja, over al mijn dienaren en dienaressen
zal ik in die tijd mijn geest uitgieten,
zodat ze zullen profeteren.
Ik zal wonderen doen verschijnen aan de hemel boven
en tekenen geven op de aarde beneden, bloed en vuur en rook.
De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed voordat de grote, stralende dag van de Heer komt.
Dan zal ieder die de naam van de Heer aanroept worden gered.”
Israëlieten, luister naar wat ik u zeg: Jezus uit Nazaret is door God tot u gezonden, hetgeen gebleken is uit de grote daden en de wonderen en tekenen die God, zoals u bekend is, door zijn toedoen onder u heeft verricht. Deze Jezus, die overeenkomstig Gods bedoeling en voorkennis is uitgeleverd, hebt u door heidenen laten kruisigen en doden. God heeft hem echter tot leven gewekt en de last van de dood van hem afgenomen, want de dood kon zijn macht over hem niet behouden.

Tweede lezing uit de brief aan de Efeziërs, hoofdstuk 3 : 14-21

Ik buig mijn knieën voor de Vader, die de vader is van elke gemeenschap in de hemelsferen en op aarde. Moge hij vanuit zijn rijke luister uw innerlijke wezen kracht en sterkte schenken door zijn Geest, zodat door uw geloof Christus kan gaan wonen in uw hart, en u geworteld en gegrondvest blijft in de liefde. Dan zult u met alle heiligen de lengte en de breedte, de hoogte en de diepte kunnen begrijpen, ja de liefde van Christus kennen die alle kennis te boven gaat, opdat u zult volstromen met Gods volkomenheid.
Aan hem die door de kracht die in ons werkt bij machte is oneindig veel meer te doen dan wij vragen of denken, aan hem komt de eer toe, in de kerk en in Christus Jezus, tot in alle generaties, tot in alle eeuwigheid. Amen.

Preek:
Het gebeurde vroeger regelmatig, dat ik uit school thuis kwam en chaos aantrof. De hele woonkamer, of keuken, of slaapkamer, al naar gelang, stond op z’n kop: er werd schoongemaakt. Mijn moeder, met schort voor en emmer sop binnen handbereik, keek dan naar mijn beteuterde gezicht, en zei schouderophalend: ‘ja, ik kreeg ineens de geest. Trek je jas maar uit, dan kan je helpen’. Dat deed ik dan, tot ik oud genoeg was om een geldig excuus te verzinnen: héél veel huiswerk. Die schoonmaakgeest van haar is helaas niet erfelijk gebleken.

Heeft het iets te maken met die Geest uit het pinksterverhaal? Het is in ieder geval hetzelfde woord. Ik kan me wel voorstellen dat mijn moeder juist die uitdrukking gebruikte, al zou ze zelf nooit de link naar de Bijbelse geest leggen. Maar toch: ze had er ineens zin in, dat kwam ‘over’ haar, als het ware, ze gaf eraan toe, ging enthousiast aan de slag en het resultaat was een glanzende kamer waar het rook naar boenwas en zeep. En een vermoeide, maar voldane moeder, dat ook. Ze kon dan neerzijgen op een stoel en zeggen ‘er is geen geest meer in me’. Dat is een uitdrukking die ze gebruikt als ze heel moe is, maar ook als ze iets te horen krijgt wat haar helemaal van haar stuk brengt.

Zo hebben we dankzij mijn moeder al aardig wat eigenschappen van de geest op een rij: het komt over je, het kan je ineens een heel andere kant opsturen dan je zelf van plan was, het zet aan tot actie, geeft energie. Als je er tenminste vanuit wilt gaan, dat het om diezelfde geest gaat. Dus laten we eerst eens naar het woord zelf kijken. Het nieuwtestamentische Griekse woord voor geest is ‘pneuma’ en dat heeft al een heel scala aan betekenissen. Wind, adem, leven, - en uiteindelijk ook geest. Andere volken, zoals de Grieken, kenden ook een goddelijk pneuma, Plato beschrijft bijvoorbeeld hoe de adem van de god Apollo van hem uitgaat, en bezit neemt van zo’n orakelplaats als Delphi. In een ritueel ontvangt de priesteres de goddelijke geest en spreekt in vervoering vaak onbegrijpelijke orakeltaal. Het is de taak van verstandige priesters, om die orakeltaal om te zetten in begrijpelijke boodschappen. Het is wel interessant, hoe Paulus in zijn brief aan de Korintiërs, Plato navolgt, en zijn lezers vertelt dat die onbegrijpelijke klanktaal mooi en aardig is als teken van vervoering, maar dat het wel vertaald moet worden in ‘gewoon Nederlands’ zouden wij zeggen. Een paar begrijpelijke profetische woorden kunnen heel wat meer waarde  hebben, als anderen ten minste bereid zijn om daarnaar te luisteren en er iets van te leren.
Die profetische woorden waren overigens, daar was Paulus van overtuigd, net als de vervoering en de klanktaal ook ingegeven door diezelfde Geest. Daar was iedereen in Israel wel mee bekend: in het oude testament waren het de profeten, soms een richter of een koning, die deze geest ontvingen, en boodschappen doorgaven aan het volk uit naam van God zelf. De Geest zorgde voor een rechtstreekse verbinding tussen God en mens, God blies als het ware iets van zijn adem, zijn leven, in die bijzondere man of vrouw.

Jezus was ook zo’n buitengewoon profetisch mens, die volgens de verhalen tijdens zijn doop de Heilige Geest ontving. Verder komt die Geest in de evangelieverhalen gek genoeg nauwelijks voor. Maar dat hij er mee samenwerkte, dat was wel helder. Na Pasen raakte men ervan overtuigd, dat Jezus als de opgestane Christus zo hoog was gestegen, dat hij altijd en overal over de Geest kon beschikken. Dat had alles te maken met Pinksteren. Als een donderslag bij heldere hemel daalt de Geest van Christus neer, op allen die in hem geloven. Ze zullen nauwelijks geweten hebben wat hen overkwam, maar Petrus begint in zijn eerste toespraak wel meteen over profetieën en komt meteen tot de kern: dit is er veranderd, en het is een wezenlijke verandering. Dankzij Christus kan iedereen die dat wil, man, vrouw, kind, slaaf - een profeet worden. Rechtstreeks verbonden raken met God, weten dat de Geest voortaan ook leeft in jou.

Daar hoef je niets voor te doen, Paulus zegt het keer op keer, als je er maar in gelooft. In Christus, in de geest van Christus, in God. Dan kan je er op rekenen dat die verbinding tot stand is gebracht. Maar let op: dat geloof alleen met je mond belijden, dat is niet genoeg. Pas uit je daden blijkt of je dat geloof en dus de Heilige Geest in jou ook werkelijk serieus neemt. Dat heeft vaak voor behoorlijk wat verwarring gezorgd, ook bij mij: je hoeft er niets voor te doen, geloof alleen, en vervolgens word je toch weer geacht je uit te sloven en vooral geen steken te laten vallen: eerlijk zijn, rechtvaardig zijn, liefdevol blijven, helpen, vergeven, noem ze allemaal maar op.

Het is een beetje de kwestie van de kip of het ei, alleen is het nu ineens van het allergrootste belang wat eerst komt. Als je vastbesloten bent om voortaan alleen nog maar ‘goed’ te leven, helemaal in de geest van de bijbel, dan kan je er donder op zeggen dat het je niet gaat lukken. Je raakt teleurgesteld, of je raakt in een soort schijnheilige kramp, omdat je je eigen fouten nooit meer durft toe te geven. Met jouw wil, ook al is die nog zo sterk en ook al doe je nog zo je best, red je het niet. Dat is een algemeen menselijke ervaring, niemand ontkomt eraan, zou ik bijna zeggen. Daar begint het dus mee, met het inzicht dat je het in je eentje, met al je goede bedoelingen, toch niet redt om helemaal naar de wil van God te leven. De leerlingen van Jezus hadden die ervaring ook, ze hadden hem allemaal in de steek gelaten, op het moment dat het er echt op aan kwam. En toch werd het Pinksteren. Op het moment dat ze het ’t minst verwachtten, kregen ze de Geest. Zij, doodgewone mannen en vrouwen, niets bijzonders aan, ze hadden zo hun tekortkomingen, maar in het licht van die Geest begrepen ze eindelijk dat het er niet toe deed. Ze werden aanvaard zoals ze waren.

Daar begint het nieuwe leven na Pinksteren mee. Met aanvaard zijn. Je aanvaard weten zoals je bent, als gewoon mens. Dat is het moment dat er een andere wind kan gaan waaien, je hoeft niet meer tegen de storm van het leven op te tornen, want zo voelt het vaak, nee, je krijgt de wind in de rug. God is niet met je verbonden omdat je zo’n volmaakt mens bent, nee, God is juist in liefde in de geest met je verbonden omdat je dat níet bent, en jij en ik en iedereen dus best wat hulp kunnen gebruiken. Er is een liedje van Leonard Cohen, met de beroemde zin ‘there is a crack in everything, that’s how the light gets in’. Overal zit wel een barst of een scheur in, en dat is goed, zo kan het licht naar binnen komen. Jezus kwam niet voor niets allereerst in contact met de tollenaars en de hoeren - die waren zich het meest bewust van hun ‘cracks’, ze beseften dat ze hulp nodig hadden en dus waren zij ook de eersten die het licht konden binnenlaten. Als hun ‘cracks’ onzichtbaar waren geweest, zoals bijvoorbeeld bij de schriftgeleerden, die door Jezus een keer vergeleken worden met  ‘gepleisterde graven’ - fraai van buiten, maar dood van binnen - dan was er waarschijnlijk nooit wat van gekomen.

Het begint dus niet met een sterke wil, en altijd goed je best doen: het begint met het ontdekken en aanvaarden van je ‘cracks’, je menselijkheid die zoveel scheuren en barstjes vertoont, niet alleen die van jou, maar ook die van iedereen om je heen. Geloof is, dat je daardoor niet de moed verliest, maar juist moed krijgt, in het besef dat het niet van jou en van de mensen om je heen afhangt, maar dat er een God is die zegt ‘ik aanvaard jou, zoals je bent, met alle scheuren en barstjes, sterker nog, die gebruik ik om mijn licht doorheen te laten schijnen. Je kunt er van leren, er sterker van worden, vergevingsgezinder naar anderen toe, kortom: alles werkt mee ten goede, want ik ben de wind in je rug, ik ben de Geest die in jou wil wonen en jou wil leiden, ik ben de liefde in hoogsteigen persoon - en ik ben in jou aanwezig. Richt je op mij!

Ik ben een boek aan het lezen van Henri Nouwen, een Nederlandse priester die lang in Amerika heeft gewoond en daar les gaf. Hij zegt een paar keer: ‘ontspan je toch. Je bént al verlost’. Hij heeft natuurlijk gelijk. Daar draait het hele christelijke geloof om. Niet om daarna op je lauweren te gaan rusten, dat zou net zo vreemd zijn als mijn moeder, die op de bank gaat liggen als de schoonmaakgeest over haar komt. Je gaat wel degelijk aan de slag want je kán en wil niet anders, dan doen wat de geest je ingeeft om te doen. Mogelijkheden te over. Werken aan een betere wereld, een dieper inzicht in jezelf, je inzetten voor anderen, alles wat het licht van God helderder laat schijnen in deze wereld en in jezelf. Al die mogelijkheden van de Geest staan op de één of andere manier in verband met die ene overkoepelende leefregel: ‘Heb God lief, en je naaste als jezelf’. Volmaakt zal het nog steeds niet worden, maar elke stap die je doet in overgave aan de Geest van God is er één.

Straks gaan we ter afsluiting luisteren naar het lied waar ik het al over had, van Leonard Cohen. Nu wil ik deze pinksterpreek eindigen met het gedicht waar we deze dienst ook mee begonnen, van collega Piet van Veldhuizen.
Pasen en Pinksteren: dezelfde dag
zevenmaal zeven dagen doorgerijpt
van dat het licht werd, tot mijn ziel begrijpt
dat Christus leeft en dat ik leven mag.
Van angstig ongeloof bij volle maan,
van zwarte velden met een waas van groen,
tot zingend koren in de volle zon,
een hoogopgaande zee van gouden graan.
Pasen is opstaan na een slechte nacht
en nog niet weten welke dag het is
en langzaam wennen aan het nieuwe licht,
loskomen uit het duister en zijn macht
totdat je volstroomt met Gods goede Geest
en weer ervaart dat dit het leven is,
dat wat niet goed was je vergeven is
zevenmaal zevenmaal: het Pinksterfeest.

Zang, CD Leonard Cohen,  "Anthem"
 


 
 

Viering Elthetokerk zondag 29 mei 2011

Gebed: (uit: ‘het rijk alleen’ Sytse de Vries)

Uw genegenheid zoeken wij, God,
omwille van het land
waar troost is voor wie treuren,
waar tranen worden gedroogd,
waar zachtmoedigheid beleid is
en gerechtigheid het brood
dat allen voedt.

Op uw genade vertrouwen wij
omwille van dat land
waar barmhartigheid woont,
waar mensen vrede stichten.
Gelukkig is dat land
waar u regeert: uw Rijk!

Maar nog hier,
in het land van de angst,
van verscheurd leven,
van ontmoediging,
van verlies,
van zoekraken
en niet gevonden worden,

daar woont uw gemeente
als bruggehoofd van dat Rijk
in bezet gebied.
Daar heeft uw Naam
ons aan elkaar vertrouwd,
daar bewaren wij voor elkaar
voor de hoop
en brengen wij zingend
glans op elkaars verwachting,
Opdat uw koninkrijk kome!
Amen.

Eerste Lezing: Johannes 16: 12 - 22
Ik heb jullie nog veel meer te zeggen, maar jullie kunnen het nog niet verdragen. De Geest van de waarheid zal jullie, wanneer hij komt, de weg wijzen naar de volle waarheid. Hij zal niet namens zichzelf spreken, maar hij zal zeggen wat hij hoort en jullie bekendmaken wat komen gaat. Door jullie bekend te maken wat hij van mij heeft, zal hij mij eren. Alles wat van de Vader is, is van mij – daarom heb ik gezegd dat hij alles wat hij jullie bekend zal maken, van mij heeft. Nog een korte tijd en jullie zien me niet meer, maar kort daarna zien jullie me terug.’
17 Daarop zeiden een paar leerlingen tegen elkaar: ‘Wat betekent wat hij nu zegt: “Nog een korte tijd en jullie zien me niet meer, maar kort daarna zien jullie me terug”? En: “Ik ga naar de Vader”? Wat betekent “nog een korte tijd”? Wat bedoelt hij toch?’ Jezus begreep dat ze hem iets wilden vragen. Hij zei: ‘Proberen jullie te begrijpen wat ik bedoelde met “Nog een korte tijd en jullie zien me niet meer, maar kort daarna zien jullie me terug”? Waarachtig, ik verzeker jullie: je zult huilen en weeklagen, terwijl de wereld blij zal zijn. Je zult bedroefd zijn, maar je verdriet zal in vreugde veranderen. Ook een vrouw die baart heeft het zwaar als haar tijd gekomen is, maar wanneer haar kind geboren is, herinnert ze zich de pijn niet meer, omdat ze blij is dat er een mens ter wereld is gekomen. Jullie hebben nu verdriet, maar ik zal jullie terugzien, en dan zul je blij zijn, en niemand zal je je vreugde afnemen.  Dan hoeven jullie mij niets meer te vragen. Maar ik verzeker jullie: wat je de Vader ook vraagt in mijn naam – hij zal het je geven. Tot nu toe hebben jullie niets in mijn naam gevraagd, maar vraag het en je zult het ontvangen. Dan zal je vreugde volmaakt zijn.

Tweede lezing, uit ‘brood voor onderweg’ een dagboek van wijsheid en geloof - Henri Nouwen (2 en 3 juni)
Heel vaak nemen we afstand van Jezus. We zeggen: ‘We kunnen niet weten wat Jezus wist, en wat Jezus deed kunnen wij niet doen.’ Maar Jezus houdt nooit afstand tussen zichzelf en ons. Hij zegt: ‘vrienden noem ik jullie, omdat ik alles wat ik van de Vader heb gehoord, aan jullie bekendgemaakt heb.’ (Joh. 15:15). En: ‘Waarachtig, ik verzeker jullie: wie op mij vertrouwt zal hetzelfde doen als ik, en zelfs meer dan dat’ (Joh. 14:12).
Zo zijn we dus uitgenodigd om te weten wat Jezus wist en te doen wat Jezus deed. Willen we dat, of houden we Jezus liever op een afstand?
We zien Jezus vaak als een bijzonder en buitengewoon mens die lang geleden leefde, iemand wiens leven en woorden ons nog steeds inspireren. Zo komen we er misschien niet toe om echt te beseffen dat Jezus wil dat wij zijn zoals Hij. Jezus zelf blijft herhalen dat Hij, Gods geliefde Zoon, in deze wereld is gekomen om ons te laten zien dat ook wij Gods geliefde kinderen zijn. God houdt van ons met dezelfde onvoorwaardelijke goddelijke liefde.
Johannes schrijft: ‘Bedenk toch hoe groot de liefde is die de Vader ons heeft geschonken! Wij worden kinderen van God genoemd, en dat zijn we ook.’ (1 Joh.3:1) Dat is de uitdaging van het spirituele leven: te willen zijn wie Jezus was, en te kunnen zeggen: ‘Wij zijn de levende Christus in deze wereld.’

Overweging: ‘Dan zal je vreugde volmaakt zijn’… Zo eindigde de lezing net. Dat belooft nogal wat. Volmaakte vreugde. Wij zijn wat dat betreft iets bescheidener, wij beloven vandaag ‘een straaltje zon’, in de vorm van een klein cadeautje. Dubbele vreugde is dat, hopen we: om het te geven, en om het te ontvangen. Ik blijf het een prachtig idee vinden, de diaconie op z’n best. Fijn dat zoveel gemeenteleden daaraan bijdragen. Vreugde alom dus, maar volmáákte vreugde?! Nou nee.

Het zijn trouwens toch al tamelijk verwarrende hoofdstukken, die telkens in de weken voor Pinksteren op het leesrooster te vinden zijn. Johannes 14, 15 en 16, de hoofdstukken waarin Jezus wordt opgevoerd, sprekend met zijn leerlingen, pal voordat hij wordt gevangen genomen en gedood. Hij spreekt daarin vooral over de Heilige Geest, een onderwerp wat verder in de bijbel eigenlijk nauwelijks wordt uitgediept. Maar of we híer nou zoveel wijzer van worden… Zelfs de leerlingen hebben er de grootste moeite mee. Je moet je voorstellen, dat deze teksten pas minstens vijftig jaar later zo werden opgeschreven. Het gaat dus niet om een soort notulen, er was geen man of vrouw die tijdens die laatste bijeenkomst precies elk woord noteerde wat daar gesproken werd. De traditie wil, dat de discipel Johannes, zoon van Zebedeus, het één en ander opgeschreven heeft, toen hij aan het einde van zijn leven in Efeze woonde. Ergens aan het einde van het boek, staat: ‘Het is deze leerling die over dit alles getuigenis aflegt, en het ook heeft opgeschreven. Wij weten dat zijn getuigenis betrouwbaar is’. (21:24). Deze ‘wij’ hebben dus de uiteindelijke uitgave verzorgd, en hebben daar ook hun heel eigen stempel opgedrukt. Dit evangelie is daarmee behoorlijk afwijkend van de rest. Het is al veel meer bezig met theologie, met het zoeken naar de diepere betekenis van al die gebeurtenissen, al die woorden en daden van Jezus.

Zo heeft Johannes ook een eigen versie van het Pinksterverhaal. (20:22) Hier geen vuur, geen sterke wind of een spreken in allerlei talen, nee, als Jezus zich na zijn opstanding voor het eerst laat zien aan zijn leerlingen blaast hij over hen heen en zegt: ‘Ontvang de heilige Geest’. En dat is het dan. Ik kan me herinneren dat ik daar al eens met Pinksteren over gepreekt heb: hoe simpel het eigenlijk is. Even blazen, een ademtocht, dat is al genoeg. Maar als diezelfde Johannes-schrijvers een paar hoofdstukken eerder proberen uit te leggen wat die Heilige Geest dan eigenlijk is, wordt het ineens een heel stuk ingewikkelder. Neem Joh 14, waarin gepraat wordt over de ‘Geest der waarheid’. Daar wordt uitgelegd, dat Jezus niet in persoon bij zijn leerlingen kan blijven, hij zal niet lang meer te zien zijn, aan te raken, lichamelijk aanwezig zijn. Nee, de Heilige Geest zal komen, en in ze wonen, en op die manier zullen ze contact houden. Maar even later staat er: ‘mijn Vader en ik zullen bij hem komen en bij hem wonen’. (14:23).

Wat is het nou, de Heilige Geest, of Jezus, of God de Vader? Ik ben natuurlijk bepaald niet de eerste, die zich daar het hoofd over breekt, de theologie heeft als antwoord daarop de term ‘drie-eenheid’ bedacht. Stelt u zich even een bloem voor. Die bloem vormt een eenheid, maar toch kan je er verschillende onderdelen aan ontdekken. Er is de bloem zelf, de steel, maar ook de geur. Dat is nog maar een oppervlakkig onderscheid, je zou nog veel meer delen kunnen benoemen. De blaadjes, de wortels, noem maar op. Daarom is het misschien wel jammer, dat die term ‘drie-eenheid’ zo ingeburgerd is geraakt, want het werkt gek genoeg ook beperkend. We vergeten verder te kijken dan die drie, terwijl de Goddelijke eenheid ongetwijfeld nog talloos veel meer onderdelen kent. Dan denk ik natuurlijk meteen aan de engelen, die toch ook regelmatig genoemd worden in de bijbel. Of verschijningen, zoals Mozes en Elia die Jezus kwamen opzoeken: mensen die overleden zijn, kunnen blijkbaar heel goed óók deel uitmaken van die Goddelijke werkelijkheid.

Je zou dus kunnen zeggen, dat er volgens de bijbel een Goddelijke werkelijkheid is, die bestaat uit God de Vader, uit Jezus Christus, uit de Heilige Geest, uit engelen, uit zielen van overledenen - en wie weet wat nog allemaal meer. De bijbelschrijvers wisten ook niet alles, dat waren ze zich vooral in dit Johannes-evangelie ook heel goed bewust. Maar ze troostten zich met de gedachte, dat er zoiets als een Goddelijke Geest was, die ze zou helpen om telkens weer wat wijzer te worden. (Daar zitten we nog steeds middenin). En het mooie, en ook heel bijzondere, was natuurlijk dat die helper niet alleen een eenheid vormde met de Goddelijke werkelijkheid, waar Jezus ook deel van uitmaakte, maar ook een eenheid vormt met de mens zelf.

En hier begint het ons dan meestal wat te duizelen. Dat ligt niet aan ons, gelukkig, dat ligt aan het onderwerp. De bijbelschrijvers hadden er ook al last van. Het is gewoon heel moeilijk te begrijpen. Of misschien is het juist zó simpel en voor de hand liggend, dat we het onmogelijk kunnen zien. En dan kom ik weer bij dat blaas-je van Jezus. God zit, als het ware, gewoon in de lucht. Die eenheid strekt zich misschien nog wel veel en veel verder uit dan wij denken. Misschien hoort het er wel allemáál bij: God de vader, Jezus Christus, de Geest, engelen en zielen, de mens, de natuur, de aarde, het heelal… Allemaal onderdelen van de Goddelijke eenheid, allemaal op de één of andere mysterieuze manier met elkaar verbonden, in contact met elkaar.

Ook dat is echt geen originele gedachte van mij, helaas, er zijn heel wat grote filosofen en religieuze denkers geweest, die dit idee tot in de finesses hebben uitgewerkt. Je vindt het ook terug in de mystiek, waar heel veel mensen vertellen dat ze in hun zoektocht naar God ineens ervoeren dat er een eenheid bestaat, ver boven onze gewone menselijke staat en ons begrip, maar tegelijk ook heel dichtbij, in ons eigen hart, zeggen ze dan.

Wie weet, heeft Jezus ook wel geprobeerd om daar iets van uit te drukken, het aan zijn leerlingen uit te leggen in de tijd dat hij met ze rondtrok. Uit alles blijkt, dat hij die eenheid met God altijd wel ervaren heeft, eruit leefde. Die Goddelijke Geest van liefde en wijsheid was voor hem de lucht die hij inademde, iets vanzelfsprekends, deel van hemzelf. Maar zijn volgelingen konden dat onmogelijk zo zien. Voor hen was hij, Jezus, de tussenpersoon, via hem konden ze er iets van begrijpen, iets van beleven, maar zelf - nee, zelf waren ze er mijlenver van verwijderd. Dat beeld vind je ook terug in heel veel Bijbelteksten, en is in het hele christendom vast verankerd geraakt. Zelf zijn we niets, we hebben Jezus nodig om bij God te komen. Maar er zijn ook genoeg teksten en tekenen in de bijbel, die een heel andere kant op wijzen. Jezus die ons broeders en zusters noemt, vrienden, die zegt dat wij echt niet zoveel anders zijn dan hij. Jezus die praat over de verbinding, die we kunnen ervaren tussen onszelf en God, als we er maar in geloven, als we maar bereid zijn op dezelfde manier te werk te gaan als hij, namelijk in overgave en vertrouwen, en met heel veel liefde.
Kies voor het licht - het Johannesevangelie blijft er maar op hameren, kies voor het licht, en niet voor de duisternis. Het licht staat voor het in verbinding leven met God, de duisternis staat voor het niemand en niets zien om je heen, denken dat jij helemaal alleen bent op deze wereld en dat overal de gevaren loeren. De volmaakte vreugde tegenover de angst, de woede en het verdriet.

In de praktijk vormt het bij ons altijd een mengeling, dat was bij Jezus al zo. Geen mens kan puur en alleen in het licht leven, daarvoor krijgen we te veel met de duisternis te maken op deze aarde. Maar toch helpt het, als we ons inzetten voor die lichte kant. Als we die verbondenheid, die eenheid, gewoon simpelweg vorm proberen te geven, al is het maar door een straaltje zon, een bloemetje voor de mensen die het moeilijk hebben. Dan voel je alweer iets van die vreugde, waar Jezus het over heeft. Zo van: ja, het klopt. We zijn niet alleen op deze wereld. We hebben mensen om ons heen die zich met ons verbonden voelen, we kunnen zelf werken aan die verbondenheid met anderen, met de aarde, de natuur, met God. Dan groeit die liefde en die vreugde vanzelf. Amen.
 
 

Viering Elthetokerk 8 mei 2011 (moederdag)
3e zondag van Pasen

Kaars aansteken
tekst: Haiku (klein, drieregelig gedicht afkomstig uit Japan)
van Stefan Waanders, directeur stichting Thomas Moore:

Een vallend blaadje
dat de grond maar niet bereikt -
de eerste vlinder.

Schriftlezing: Johannes 21 : 1-14

Hierna verscheen Jezus weer aan de leerlingen, nu bij het Meer van Tiberias. Dat gebeurde als volgt. Bij het meer waren Simon Petrus en Tomas (dat betekent ‘tweeling’), Natanaël uit Kana in Galilea, de zonen van Zebedeüs en nog twee andere leerlingen. Petrus zei: ‘Ik ga vissen.’ ‘Wij gaan met je mee,’ zeiden de anderen. Ze stapten in de boot, maar de hele nacht vingen ze niets. Toen het al ochtend werd, stond Jezus op de oever, al wisten de leerlingen niet dat het Jezus was. Hij riep: ‘Hebben jullie soms iets te eten?’ ‘Nee,’ antwoordden ze. ‘Gooi het net aan stuurboord uit,’ riep Jezus, ‘dan lukt het wel.’ Ze wierpen het net uit en er zat zo veel vis in dat ze het niet omhoog konden trekken. De leerling van wie Jezus hield zei tegen Petrus: ‘Het is de Heer!’ Zodra Simon Petrus dat hoorde, schortte hij zijn bovenkleed op – meer had hij niet aan – en sprong in het water. De andere leerlingen kwamen met de boot en sleepten het net vol vis achter zich aan. Ze waren niet ver van de oever, ongeveer tweehonderd el. Toen ze aan land kwamen zagen ze een vuurtje met vis erop en brood. Jezus zei: ‘Breng ook wat van de vis die jullie net gevangen hebben.’ Simon Petrus ging weer aan boord en trok het net aan land. Het zat vol grote vissen, welgeteld honderd drieënvijftig, en toch scheurde het niet. Jezus zei tegen hen: ‘Kom, eet iets.’ Geen van de leerlingen durfde hem te vragen wie hij was, ze begrepen dat het de Heer was. Jezus nam het brood en gaf hun ervan, en hij gaf hun ook vis. Dit was al de derde keer dat Jezus aan de leerlingen verscheen nadat hij uit de dood was opgestaan.

Tweede lezing: (Uit: ‘Volzin’ (tijdschrift voor zinvol leven) nr. 8, 15-4-2011, artikel Piet van Veldhuizen, H.I. Ambacht)

Pasen zou je het feest van het licht aan het einde van de tunnel kunnen noemen. Het joodse pesachfeest waarop het christelijke Pasen is geënt, viert de doortocht door de dood van het slavenvolk Israel dat door lijden en doodsangst heen de vrijheid vond.
Wat over Jezus wordt verteld haakt in op dat gegeven. Zijn opstanding betekent dan ook niet dat Jezus is teruggekeerd uit de dood. De exodus is een uittocht, niet een terugkomst. Als hij door de nacht van de dood heen is, bevindt hij zich net als het vroegere slavenvolk Israël op de andere oever. Aan gene zijde.
Alle verhalen duiden aan, dat het om verschijningsmomenten gaat. Jezus de Opgestane is niet permanent aanwezig, hij verschijnt en is weer weg. Die verschijningen betekenen niet alleen dat Jezus leeft, maar ook dat hij aan gene zijde van de dood is, in een andere staat van werkelijkheid. Je kunt aan het eind van zo’n verschijning niet achter hem aanlopen om te kijken waar hij blijft: hij is niet meer te volgen, onnavolgbaar anders.

Volgens enkele verhalen in de evangeliën herkennen de leerlingen hun meester uiteindelijk wel aan zijn manier van doen, maar niet aan zijn uiterlijk, zijn tred of zelfs zijn stem. De leerlingen zijn op het Meer van Tiberias, en Jezus verschijnt aan hen als iemand die vanaf de oever naar hen roept. Vanaf dat moment weten ze dat hij het is, en toch weten ze het niet zeker. Zelfs als ze even later met hem rond het vuur zitten, durft volgens het verhaal niemand hem te vragen: ‘Wie bent u?” Blijkbaar gaat de verteller ervan uit dat de verschijning nog altijd ruimte laat voor die vraag. Het is niet klip en klaar de lijfelijke aanwezigheid van iemand die ze door en door hadden gekend.
De evangelieverhalen zijn pas decennia na dato opgeschreven. Ze zijn niet geschikt als materiaal voor een historische constructie. Wat ze meedelen is, dat Jezus zich na zijn dood heeft gemanifesteerd als iemand die niet wég is, maar leeft - maar ook dat zijn leven door de dood heen van een andere aard en kwaliteit is dan het leven voor de dood. Het valt vooralsnog buiten ons bevattingsvermogen.

Overweging:

In deze zondagen na Pasen is het de gewoonte om de verhalen te lezen over de verschillende verschijningen van Jezus na zijn opstanding. Met Johannes 21 is iets raars aan de hand: eigenlijk was het hele boek keurig afgesloten in het vorige hoofdstuk. Meestal wordt aangenomen, dat dit verhaal er later aan toegevoegd is, en vervolgens kan je je dan afvragen waaróm de schrijver, of andere schrijvers, dat gedaan hebben. Die schrijvers zitten dan al in totaal andere periode, zo’n tachtig jaar na de gebeurtenissen die ze hier beschrijven, midden in de hectische ontwikkelingen van wat zal uitgroeien tot een wereldwijde christelijke kerk. Als je goed kijkt, zie je hoe die kerkelijke ontwikkelingen hier dwars door dit verhaal heen schemeren. Laten we het eens vanaf het begin bekijken. Allereerst wordt duidelijk dat we Jeruzalem verlaten hebben, en in Galilea zijn beland. Het meer van Tiberias. Het gewone leven. Mensen die weliswaar volgelingen van Jezus zijn, maar tegelijk ook gewoon hun brood moeten verdienen, voor zichzelf, voor hun gezin.

Die andere plek is belangrijk. Jeruzalem staat in de oude profetieën symbool voor het nieuwe begin, de verwachting is, dat de Messias vandaar uit ooit de wereld zal regeren. Het ligt dus veel meer in de lijn van de verwachtingen, dat  de volgelingen van de man waarvan zij geloven dat híj die langverwachte Messias is, in Jeruzalem zullen blijven, dicht bij het vuur, zogezegd. En lange tijd is die gemeente in Jeruzalem ook de belangrijkste geweest, totdat zo’n dertig jaar later de tempel met de grond gelijk gemaakt werd. Al die oude verwachtingen, die zekerheden van vroeger, moeten langzaam, één voor één, losgelaten worden. Er is iets nieuws begonnen, zó nieuw dat je het van te voren niet had kunnen bedenken, hooguit vermoeden, zoals die oude profeten dat deden: ze redeneerden door in hun eigen wereldbeeld, raakten daarmee aan de toekomst, maar wie had kunnen voorspellen dat het zo zou gaan? Niemand.

Die macht van de Messias bleek een innerlijke macht te zijn, een Heilige Geest, een verbinding met het Goddelijke die het leven een totaal andere, nieuwe dimensie gaf. Dan maakte het niet uit waar je je bevond, Jeruzalem of Galilea of Alblasserdam. Maar voor dit extra hoofdstuk in het Johannesevangelie was het belangrijk om aan te geven dat Jeruzalem niet meer het middelpunt van de aarde was, het middelpunt was daar, waar God en mens elkaar vonden, naar elkaar luisterden.

En ondertussen ging het oude leven gewoon door. Er moest gewerkt worden, geld verdiend. Dus de vissers gingen vissen. En vangen helemaal niets. Misschien wordt hier wel een beeld gegeven van het leven, waar die eerste gemeentes mee worstelen en wij nu nog steeds: de moeite die we hebben om het bij elkaar te houden. Om je geloof, je inspiratie, in het gewone dagelijkse leven te integreren. De vis is een belangrijk symbool, we kennen het nog steeds van de visjes die sommige mensen achter op hun auto plakken, symbool voor Jezus zelf, in die tijd stond de vis ook symbool voor vruchtbaarheid, leven en onsterfelijkheid. Het beeld van die zwoegende vissers laat zien, dat alleen maar het gewone dagelijkse leven niets oplevert. Er hoort nog iets bij. Een alertheid, voor die stem uit de verte, die aanwijzingen geeft. Dan sta je nog steeds middenin het gewone leven, maar tegelijk sta je open voor verandering. Je kan zomaar ineens, zonder duidelijke reden, je net aan de andere kant in het water gooien, en kijk, het wonder gebeurt, het resultaat is geweldig. Was het Gods stem? Je denkt het, maar zeker weten doe je het nooit. Het is in ieder geval altijd een vorm van samenwerking. Hadden de vissers niet geluisterd, hadden ze het net niet uitgegooid, hadden ze de vissen niet naar de kant gesleept - dan had Jezus zich schor kunnen roepen daar aan de kant, maar dan was er niets gebeurd. Tegelijk hangt het ook weer niet van die samenwerking af. Op het strand was allang een vuurtje gemaakt, met brood en vis er op. Die samenwerking is een uitnodiging van hogerhand, ‘breng ook wat van de vis die júllie gevangen hebben’ zegt Jezus in het verhaal, ‘laten we het sámen doen’.

Mooi hé, hoe in zo’n kort stukje al zulke belangrijke thema’s op een creatieve, verhalende manier duidelijk gemaakt worden. Openstaan voor verandering. Niet vastlopen in ‘zo is het altijd geweest, dus zo hoort het’. De gebeurtenissen in het midden oosten van de laatste tijd, laten zien hoe die verschillende houdingen tot geweldige botsingen kunnen leiden, tot moord, onderdrukking. Het is de combinatie met macht, die het zo explosief maakt. Wie openstaat voor verandering, wil niet koste wat het kost alle touwtjes in handen houden, die is minder bang, leeft meer in vertrouwen op het leven, op God misschien,
op anderen, op zichzelf. Wie dat vertrouwen mist, bang in het leven staat, die verschanst zich achter zelfopgetrokken muren, en doet er alles aan om minstens de controle te houden, maar liever nog zijn of haar macht en controle uit te breiden. In de hoop dat dat veiligheid biedt.

Hoe betrekkelijk die veiligheid is, ondervinden de dictators in het midden oosten, maar eigenlijk ondervinden we dat allemaal vroeg of laat. Er komt een moment dat je moet loslaten. Voor sommigen breekt dat moment pas aan bij hun dood, maar voor de meesten komt het al veel eerder. Alles blijft nu eenmaal niet zoals het is. Ouderen die eigenlijk niet meer zelfstandig kunnen wonen, maar dat weigeren te accepteren totdat ze door de omstandigheden gedwongen worden. Een man in het verpleeghuis zei eens tegen me: ‘mijn leven is de laatste jaren één grote les in loslaten.’ Of mensen die onverwachts een partner verliezen, hun baan kwijtraken, met ziekte te maken krijgen… noem maar op. Je verkeert in de veronderstelling dat je leven een veilige basis kent, en ineens blijkt dat helemaal niet zo te zijn. Daar kan alle macht in de wereld niets aan veranderen, maar wat ons meestal nog harder treft, is, dat de Goddelijke macht er blijkbaar óók niets aan kan veranderen. We kunnen onze veiligheid aardig opkrikken, maar uiteindelijk is ze altijd broos. Erop vertrouwen kan je nooit, alles in je leven onder controle hebben is een fictie.

Maar als macht niet helpt, en als geloof ook niet helpt, wat dan wel?! Dan blijft alleen maar het leven over. Net zoals die vissers, daar in Galilea. Je doet je werk, en je staat open voor die stem aan de rand, sterker nog: je doet je best om er op te vertrouwen, ook al weet je niet zeker of die stem nu wel of niet van God zelf is. Dat heet overgave. Je geeft jezelf, je leven, uit handen, je geeft de controle uit handen, en dat is de enige vorm van vertrouwen die werkt. Het biedt geen veiligheid, geen zekerheden, maar het biedt wel een vorm van rust. Je kunt het vergelijken met een druppel water in de zee. Zolang die druppel water wanhopig bezig is om zijn eigen koers te bepalen, te kijken of ze wel de goede kant uitstroomt, bang is voor van alles en nog wat - zolang zal die druppel een tamelijk beroerd leven leiden. Maar zodra die druppel besluit om zich over te geven, open te staan voor alles, zal ze deel uit gaan maken van de zee, en moeiteloos in alle vrede meestromen met de golven.

Wij zijn allemaal niet meer dan zo’n druppeltje. In je eentje begin je niks, maar je bént ook niet in je eentje. Daar komt bij: zelfs zo’n kleine druppel gaat nooit verloren, het kan hoogstens verdampen, en daarmee onzichtbaar worden voor het menselijke oog, één geworden met de even onzichtbare lucht. Dat was de tweede les uit het Johannesverhaal: de verbinding van God en mens, de wisselwerking die daaruit kan ontstaan, waardoor het zo op het eerste oog normale alledaagse leven toch heel anders ervaren wordt, of er andere keuzes worden gemaakt.
Maakt dat het leven veiliger? Wie dat hoopt komt vroeg of laat bedrogen uit. Het liedje ‘veilig in Jezus’ armen’ beschrijft de situatie na dit aardse leven, niet er ín. Geloof is geen bezwering voor onze angst, het is vertrouwen dat je het ook over een andere boeg kan gooien, dat er een leven mogelijk is in overgave, in alle rust, als deel van het grote geheel, en God mag weten waar dat allemaal goed voor is. Amen.
 


 
 
 

Witte donderdag, 21 april 2011

Drempelgebed:

Liefde zijt Gij – Liefde – zonder spoor van haat.
Licht zijt Gij – Licht – louter licht en leven.
Leven zijt Gij – leven – midden in de dood.

Maar uw liefde is verborgen,
uw licht weet van wachten
en uw leven
sluimert als zaad.

Daarom roepen wij
niet altijd in staat – te geloven
niet altijd bij machte
geduldig te wachten – op U.

Alleen door Hèm
die tot zijn bittere einde
in uw liefde heeft geloofd,
die tot de zoete zon – van Pasen
deelde in onze dood,
om Hem alleen vertrouwen wij
God, op U.

Liefde is Hij,
ons licht
en eeuwig
ons leven. Amen.

Lezing: Joh. 13: 1-15 (voetwassing)

Het was kort voor het pesachfeest. Jezus wist dat zijn tijd gekomen was en dat hij uit de wereld terug zou keren naar de Vader. Hij had de mensen die hem in de wereld toebehoorden lief, en zijn liefde voor hen zou tot het uiterste gaan. Jezus en zijn leerlingen hielden een maaltijd. De duivel had intussen Judas, de zoon van Simon Iskariot, ertoe aangezet Jezus te verraden. Jezus, die wist dat de Vader hem alle macht had gegeven, dat hij van God was gekomen en weer naar God terug zou gaan, stond tijdens de maaltijd op. Hij legde zijn bovenkleed af, sloeg een linnen doek om en goot water in een waskom. Hij begon de voeten van zijn leerlingen te wassen en droogde ze af met de doek die hij omgeslagen had. Toen hij bij Simon Petrus kwam, zei deze: ‘U wilt toch niet mijn voeten wassen, Heer?’ Jezus antwoordde: ‘Wat ik doe, begrijp je nu nog niet, maar later zul je het wel begrijpen.’‘O nee,’ zei Petrus, ‘míjn voeten zult u niet wassen, nooit!’ Maar toen Jezus zei: ‘Als ik ze niet mag wassen, kun je niet bij mij horen,’ antwoordde hij: ‘Heer, dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd!’ Hierop zei Jezus: ‘Wie gebaad heeft hoeft alleen nog zijn voeten te wassen, hij is al helemaal rein. Jullie zijn dus rein – maar niet allemaal.’ Hij wist namelijk wie hem zou verraden, daarom zei hij dat ze niet allemaal rein waren.
Toen hij hun voeten gewassen had, deed hij zijn bovenkleed aan en ging weer naar zijn plaats. ‘Begrijpen jullie wat ik gedaan heb?’ vroeg hij. ‘Jullie zeggen altijd “meester” en “Heer” tegen mij, en terecht, want dat ben ik ook. Als ik, jullie Heer en jullie meester, je voeten gewassen heb, moet je ook elkaars voeten wassen.

OVERWEGING:

Ik zit een beetje te aarzelen wat ik zal doen… Ik heb hier een preek op papier, en die kan ik u voorlezen. Maar eigenlijk ben ik veel meer vol van iets anders. Dat gaat over het lijden, en daarom denk ik: waarom ga ik daar niet over praten…
Mijn dochter is vorige week geopereerd. Het was een operatie van bijna negen uur, negen uur dat er iets mis kan gaan, denk je dan, terwijl je thuis zit te wachten. De operatie is gelukt. Ze kwam er ook best goed uit, alleen kwamen er complicaties, en moest ze gisterenavond met spoed opnieuw geopereerd. Dat heeft iets van twee uur geduurd, en ik hoorde later dat er een vreselijk akelige bange nacht op volgde.
Vanmiddag kwam ik bij haar en lag ze als een zielig hoopje in bed, met een geweldige hoofdpijn. De operatie was wel gelukt, dat dan weer wel, maar ondertussen was het voor mij heel emotioneel, vreselijk om te zien. Ik liep na een paar minuten even naar de gang, en heb daar een poosje staan huilen: dat was ook de spanning van die dagen daarvoor natuurlijk, waarin ik flink had lopen doen en door had lopen werken…
Later ging ik weer naar binnen. Ja, wat DOE je dan. Als we zojuist weer het verhaal horen over die voetwassing, dan denk ik: die vraag komt iedere keer weer terug. Die keus die je  maakt. Want Jezus had natuurlijk ook daar die avond voordat hij ging sterven kunnen gaan zitten bibberen van angst, of kunnen gaan zitten huilen. Maar dat deed hij niet. Juist op zulke momenten is het zo belangrijk welke keus je maakt. Wat doe je op zo’n moment.

Ik ben naast mijn dochter gaan zitten, en ik heb mijn hand op haar hand gelegd, en ze greep  mijn duim stevig vast… en dat was ook wel goed zo. Zo heb ik stil naast haar gezeten. Wat ik toen dacht was ook: je kan natuurlijk niks doen. Er zijn zoveel mensen hier, die daar alles van afweten, want we hebben er natuurlijk allemaal in ons leven mee te maken, en dat is ook waarom deze dagen zo belangrijk zijn, om daar met elkaar een vorm voor te vinden. Wat doe je dan. Ga je mee in de ellende, of probeer je toch of je iets van dat licht kan zijn en iets van dat licht kan doorgeven. Zo heb ik naast haar gezeten en daar heb ik mijn best voor gedaan,  om dat te doen. Ik probeerde zonder woorden nog wat contact met haar te maken en heb haar in gedachten wat gewiegd, en gezegd: ‘het komt allemaal goed’ Ik was niet aan het huilen toen. Ik was vol… Ik heb wel eens getwijfeld, momenten waarop ik mezelf afvroeg ‘houd ik  nou eigenlijk wel genoeg van ze’… want kinderen kunnen ook zo ontzettend lastig zijn en zoveel gezeur geven… Op zo’n moment, juist in al die ellende, weet je weer hoeveel je van mensen houdt. Hoeveel je van je kinderen houdt.

Zo moet Jezus daar ook gezeten hebben. Dat stelletje om zich heen ziende, gedacht hebben: ‘wat houd ik toch veel van jullie. Wat zal ik nou eens laten zien aan jullie, om dat vorm te geven.’ En toen ging hij hun voeten wassen. Dat is zo’n gebaar van liefde ook. Van ‘ik vind jullie de moeite waard. Ik vind jullie zó de moeite waard dat ik niet de baas over jullie wil spelen, maar dat ik jullie wil dienen.’ En dat is waar het in de liefde om gaat, en het enige wat we dan kunnen doen. Proberen op zo’n moment dienend aanwezig te zijn.

Ik heb er een paar uur gezeten vanmiddag, en mijn dochter heeft verder bijna niets gezegd. Op de terugweg stond ik ontzettend in de file, dus moest ik alleen maar heel goed opletten, want ik moest hier nog op tijd zijn. Zeven uur was ik thuis, en toen was Harm er gelukkig om mij even op te vangen. En toen stond er een berichtje op mijn antwoordapparaat van mijn dochter Karin waarin ze zei dat ze een heel stuk opgeknapt was, en blij dat ik geweest was, en kijk… het kunnen natuurlijk de pillen geweest zijn, die ze gekregen had, maar ik geloof natuurlijk liever dat het mijn geweldige invloed is geweest vanmiddag, die haar heeft geholpen om op te knappen..
Op die terugreis in de auto bleef ik maar denken: ‘wat is dat toch moeilijk voor ons, wat is dat toch moeilijk om niet mee te gaan in alleen maar dat verdriet. Het is zo gemakkelijk, dat merk ik nu ook nog, als ik merk hoe hoog het me nog steeds zit, om alleen maar in dat verdriet mee te gaan met mensen, alleen maar in de narigheid. Dat is precies waar we in deze dagen proberen doorheen te gaan om dan aan de andere kant terecht te komen.
Lijden en ellende, we weten het allemaal, het hoort erbij, het hoort bij het leven. En we kunnen het niet uit de weg gaan, en we kunnen ook niet doen alsof het er niet is. Maar we kunnen er wel, en ik denk dat dàt maar steeds de les is, we kunnen er wel met liefde mee omgaan. En dat is het enige wat we kunnen doen. Amen.
 


 

GOEDE VRIJDAG, 22 april 2011

In deze dienst volgen we de laatste uren uit het leven van Jezus. Dat waren zware, emotionele uren. Gisteren begonnen we met het avondmaal, en spraken we over de hoop die daarin tot uitdrukking mag komen. Alleen in dat besef is het mogelijk om nu samen de lijdensgeschiedenis te beleven, en dat herdenken dan zelfs ‘goed’ te noemen. Goede vrijdag. We lezen het verhaal zoals Johannes dat aan ons heeft overgeleverd, en laten het voor zichzelf spreken. Een verhaal van menselijk geweld tegen een onschuldige. Geweld dat toen, en nu nog steeds, een eigen leven lijkt te leiden in deze wereld. Dit verhaal gaat dus niet alleen over Jezus en zijn belagers, het gaat ook over ons, nu, soms slachtoffer, soms dader. Wij willen leren en vertrouwen, dat de macht van het geweld gebroken wordt – dankzij het machtige, liefdevolle geweldloze verzet van Jezus, waarbij hij zelfs bereid is zijn leven te geven. Bevrijding, daar gaat het om. Tot we, door het duister heen, uitkomen bij het licht, het licht van Christus, het licht van God.

Gebed:
God van liefde
liefde waaraan wij ons vast mogen houden
ook als de duisternis ons dreigt te overmeesteren
houd het met ons uit
in de duisternis
in onze twijfel
ons ongeloof
onze boosheid, soms ook.
Vergeef ons, waar wij tekort schieten
waar wij duisternis versterken
in plaats van licht brengen
waar wij onze schouders ophalen
in plaats van de strijd aangaan.
Blijf bij ons, in het donker
blijf bij ons, en leer ons vertrouwen
door alles heen
op nieuw leven
Amen.

Lezing lijdensgeschiedenis – Johannes 18 en 19.
 
 


 

Paasnacht, 23 april 2011

*  Zingen, zanggroep: Gij (Hilde Vanderlinden, uit ‘Aangeraakt’)

Gij die geen oren hebt
maar hoort mijn zuchten
als storm raast door mijn land,
Gij die geen ogen hebt
maar nog mij weervindt
een korrel in het zand,
Gij die geen benen hebt
en naast mij loopt
en wijkt niet van mijn zij,
Gij die geen longen hebt
maar vult met lucht ’t heelal
en ademt diep in mij,
Gij die geen stem hebt
en toch wiens roep mij wekt
in ’t diepste van mijn wezen,
Gij die geen armen hebt
draag mij
voorbij de grens van’t vrezen.

Licht, o licht,
licht in mij op.
Geboren uit mijn duisternis
schept gij een nieuwe dageraad.
Maak zacht wat nog hard is,
maak helder wat verward is,
vernieuw wat te oud is,
verwarm wat nog koud is.
Licht o licht,
licht in ons op.

Gebed:
Geef ons God, het vuur
dat zijn gloed de duisternis verjaagt
dat zijn warmte de kille haat verdrijft
dat zijn glans de doffe pijn verzacht
dat zijn licht de ogen helpt te zien
dat zijn beweging verlamming doorbreekt
dat zijn aanstekelijkheid
ons een lied in de mond legt.
Geef ons God, het vuur
bron van leven, bron van licht.

Om niet te vergeten… Vraag & antwoord:

Waarom is deze nacht anders dan alle andere nachten?

Dit is de nacht van de opstanding.

De nacht van duisternis naar licht,
de nacht van dode rots naar levend water,
de nacht van angst en dan ademhalen.

Deze nacht beleven wij onze opstanding.
De nacht van de Israëlieten die wegtrekken uit het slavenhuis.
De nacht van de Tunesiërs, de Egyptenaren en de Libiërs,
die moed vatten, het juk van onderdrukking afschudden
en een eigen leven beginnen.
Hadden wij dat ooit gedacht?
De nacht van de bejaarde die zichzelf steeds meer verliest,
maar zin vindt in het waken aan het doodsbed van een vriend.
Wij zijn de broeders en zusters van Jezus,
die met hem door het water van de dood heen moeten
om opnieuw te worden geboren.

Deze nacht van crisis is de nacht van God.

Gebed:
Grote God -
Hier zitten we dan
een groepje mensen
in uw huis
en samen vieren we de hoop.
Trouwe God, zoals de kleine kaarsvlam
uw licht kan vertegenwoordigen
laat zo ook onze kleine kaarsjes
die samen nog zóveel licht en warmte kunnen geven
een teken zijn van uw licht in ons
een kleine vlam van geloof
dat de wereld verlicht en verwarmt.
Sta op in onze harten
en schenk ons het licht van uw Geest.
Spoel het duistere, levenloze stof weg
met het water van de doop
laat ons leven in U
door Jezus Christus die ons is voorgegaan
Amen.

Lezing: Jesaja 60 : 1-3
Sta op en schitter, je licht is gekomen,
over jou schijnt de luister van de Eeuwige.
Duisternis bedekt de aarde
en donkerte de naties,
maar over jou schijnt de Eeuwige,
zijn luister is boven jou zichtbaar.
Volken laten zich leiden door jouw licht,
koningen door de glans van je schijnsel.

Marcus 16: 1-8
Het lege graf
Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria uit Magdala en Maria de moeder van Jakobus, en Salome geurige olie om hem te balsemen. Op de eerste dag van de week gingen ze heel vroeg in de ochtend, vlak na zonsopgang, naar het graf. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Wie zal voor ons de steen voor de ingang van het graf wegrollen?’ Maar toen ze opkeken, zagen ze dat de steen al was weggerold; het was een heel grote steen. Toen ze het graf binnengingen, zagen ze rechts een in het wit geklede jongeman zitten. Ze schrokken vreselijk. Maar hij zei tegen hen: ‘Wees niet bang. U zoekt Jezus, de man uit Nazaret die gekruisigd is. Hij is opgewekt uit de dood, hij is niet hier; kijk, dat is de plaats waar hij was neergelegd. Ga terug en zeg tegen zijn leerlingen en tegen Petrus: “Hij gaat jullie voor naar Galilea, daar zullen jullie hem zien, zoals hij jullie heeft gezegd.”’
Ze gingen naar buiten en vluchtten bij het graf vandaan, want ze waren bevangen door angst en schrik. Ze waren zo erg geschrokken dat ze tegen niemand iets zeiden.

Overweging:
Lieve mensen, het is eindelijk zo ver. De paasnacht. Ik heb er naar uitgekeken. Donderdag vierden we het laatste avondmaal mee, met Jezus en zijn leerlingen. Ik hield een persoonlijk, emotioneel verhaal over mijn zieke dochter - met wie het overigens nog steeds de goede kant opgaat - en die ervaring zal ik nooit vergeten. Ik zag namelijk al uw gezichten. Hoe er meegeleefd werd, met mijn verhaal, maar wat ik ook zo duidelijk zag, was hoe u, hoe wij allemaal, onze eigen lijdensgeschiedenissen hebben. We kennen het allemaal zo goed, verdriet, pijn, ieder mens maakt het mee, en ieder mens moet weer opnieuw leren hoe je daar mee om kan gaan. Ik vertelde over Jezus, die op het moment dat de dreiging het grootst was, een paar uur voor zijn dood, samen met dat groepje mannen en vrouwen die allemaal zaten te bibberen van angst, hoe hij toen niet meeging in al die emoties, niet ging schelden, niet ging huilen, nee, hij ging hun voeten wassen. Hij waste als het ware al het aardse vuil van hun voeten, hielp ze om zich weer helemaal schoon te voelen, want dat is namelijk ook een deel van ons: ergens diep van binnen bevindt zich onze ziel, die niet aangetast wordt door al dat geweld van buitenaf, al dat aardse vuil. Het doet denken aan de doop: er wordt altijd gezegd dat Jezus nooit mensen gedoopt heeft, maar eigenlijk is deze voetwassing ook een soort doop geweest. De symboliek is hetzelfde. Daarom is het zo mooi dat we straks langs het doopvont mogen gaan, en iets van dat reinigende water op ons eigen voorhoofd mogen voelen, of misschien alleen op een paar vingers, dat maakt allemaal niet uit, we maken alleen zichtbaar hoe ook wij niet dat verdriet zijn, niet de pijn, nee, dat valt allemaal af te wassen. Dat zijn we niet. Wij, ons echte ik, bevindt zich daaronder, schoon en krachtig en ja, zelfs goddelijk. Dat is wat Jezus ons wil laten ontdekken, waar hij ons bij wil helpen, waarin hij ons is voorgegaan. Het licht, dat in de duisternis kan schijnen.

Het licht van Christus. En vergis je niet: dat aarzelende kleine lichtje is niet alléén maar van Christus. Het is ook jouw eigen licht. En al die lichten zijn met elkaar verbonden, en hoe duidelijker jij jouw licht kan laten schijnen, des te helderder wordt het. Kijk maar, naar dit blok hiervoor. En stel je voor, hoe dat is op een nog veel groter en hoger niveau. Dat wat wij ‘God’ noemen, een licht zo geweldig en zo allesomvattend, dat we ons er helemaal geen voorstelling meer van kunnen maken. Maar het IS er wel, niet alleen daar, maar ook hier, in ieder van ons. En al is het nòg zo’n minimaal vonkje, dan nog is het krachtiger dan alle duisternis, geloof dat maar. Jezus geloofde er in. Wij, mensen, zo geslagen, zo misvormd vaak, door wat ons is overkomen, zijn geneigd de moed op te geven. Of, nog erger, zich er dan maar aan over te geven, en ook te gaan haten, zich te verliezen in negativiteit. De Goddelijke vonk van liefde en licht dood te verklaren. Maar kijk. Dan wordt het Pasen. Dan steken we dat licht weer aan, en vragen Jezus om de hulp die hij ons beloofd heeft. “licht van Christus, help ons’ en het staat op, we ontdekken het weer, in ons hart. En samen gaan we verder, de weg van het licht. Heer, wij danken U. Amen.

Gebed voor de doopgedachtenis:
Zegen, God het water
dat het ons raakt in de diepte van ons bestaan
dat het onze handen zuivert
dat het onze blik verheldert
dat het ons leven laat stromen en vloeien
dat het de dorst lest, van ons, van anderen,
dat het klatert, de muziek van uw eindeloze liefde.
Zegen, God, het water, bron van leven.

Gebeden - eindigend met ‘Onze Vader’
Jij, in wiens hand mijn adem is,
en die het spoor bent voor mijn voeten:
Jij bent mijn God! Hoe woon ik
in de weelde van jouw zegen!

Jij, die jouw oog op mij laat rusten,
jij die mij hoort wanneer ik roep -
en die van al mijn wegen weet, -
die mij geteld heeft en gewogen,
die mijn gemis heeft liefgehad
en het gekroond heeft met tegoed, -

Jij, in wiens hand mijn adem is,
nooit blijft mijn leven ongetroost.
Jij bent mijn God! Hoe woon ik
in de weelde van jouw Zegen!
 

Viering Pasen 24 april 2011

Paul Verbruggen "IK HEB DE HELE WINTER NIET GEWETEN" uit Zoek de zonkant, Heideland, Hasselt 1968. Gebundeld door Anton van Wilderode "En het woord was bij God" Vijfhonderd religieuze gedichten uit de Nederlandse Letterkun¬de Lanno/Tielt/Amsterdam 1979.

Ik heb de hele winter niet geweten
dat er van U,
diep in dit dode woud,
ergens wat goud
bedolven lag.
Met lege hand en hart
en tot geen offeranden klaar
trad ik in't bos en vond
Uw eerste krokus in de zon.
Hij stond zo schitterend
op het donkergroene mos,
zo enig licht
tussen het koude naakte hout,
en iets
wat ik de ganse winter was vergeten
ging weer aan't smeulen
met een teedre gloed.
Zo stond ik lang
gelukkig en verenigd
met die kleine krokus in de zon,
en wist opeens
hoe diep de kleinste dingen leven
en zei heel simpel: God, hoe mooi.

Het is vandaag Pasen.
Geloofd zij de God en vader van Jezus Christus, die ons in zijn grote barmhartigheid opnieuw geboren laat worden tot een leven vol hoop. Wij mogen vandaag gedenken, dat we voortaan  dood en duisternis niet meer hoeven te vrezen; ieder van ons is geboren voor het licht en mag zichzelf een broer of zuster van Jezus Christus, en dus een kind van de eeuwige God noemen.
 

Schriftlezing: Johannes 20 : 1- 18

Opstanding
Vroeg op de eerste dag van de week, toen het nog donker was, kwam Maria uit Magdala bij het graf. Ze zag dat de steen van de opening van het graf was weggehaald. Ze liep snel terug naar Simon Petrus en de andere leerling, van wie Jezus veel hield, en zei: ‘Ze hebben de Heer uit het graf weggehaald en we weten niet waar ze hem nu neergelegd hebben.’ Petrus en de andere leerling gingen op weg naar het graf. Ze liepen beiden snel, maar de andere leerling rende vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als eerste bij het graf. Hij boog zich voorover en zag de linnen doeken liggen, maar hij ging niet naar binnen. Even later kwam Simon Petrus en hij ging het graf wel in. Ook hij zag de linnen doeken, en hij zag dat de doek die Jezus’ gezicht bedekt had niet bij de andere doeken lag, maar apart opgerold op een andere plek. Toen ging ook de andere leerling, die het eerst bij het graf gekomen was, het graf in. Hij zag het en geloofde. Want ze hadden uit de Schrift nog niet begrepen dat hij uit de dood moest opstaan. De leerlingen gingen terug naar huis.
Maria stond nog bij het graf en huilde. Huilend boog ze zich naar het graf, en daar zag ze twee engelen in witte kleren zitten, een bij het hoofdeind en een bij het voeteneind van de plek waar het lichaam van Jezus had gelegen. ‘Waarom huil je?’ vroegen ze haar. Ze zei: ‘Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze hem naartoe gebracht hebben.’ Na deze woorden keek ze om en zag ze Jezus staan, maar ze wist niet dat het Jezus was. ‘Waarom huil je?’ vroeg Jezus. ‘Wie zoek je?’ Maria dacht dat het de tuinman was en zei: ‘Als u hem hebt weggehaald, vertel me dan waar u hem hebt neergelegd, dan kan ik hem meenemen.’ Jezus zei tegen haar: ‘Maria!’ Ze draaide zich om en zei: ‘Rabboeni!’ (Dat betekent ‘meester’.) ‘Houd me niet vast,’ zei Jezus. ‘Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Ga naar mijn broeders en zusters en zeg tegen hen dat ik opstijg naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is.’ Maria uit Magdala ging naar de leerlingen en zei tegen hen: ‘Ik heb de Heer gezien!’ En ze vertelde alles wat hij tegen haar gezegd had.

Tweede lezing: ‘Opgestaan’  Ati van Gent

Wij waakten. Drie bange dagen en nachten
zoals de profeet in de buik van de vis.
Met flarden gedachten en woorden van Hem.
Mijn meester. Dood.

Ze hebben zijn lichaam in doeken gewikkeld
– als bij een nieuwgeboren kind – en legden
Hem in der aarde schoot. Zijn toen gegaan,
de sabbat brak aan. Bij Hem, de wachten.

Wij braken het brood en dronken de wijn,
wij zongen de psalmen, wij baden en treurden.
O bergen en heuvels, val neer en bedek ons.
Maar nee: de hemelen scheurden en kusten de Zoon.
Mijn ogen, blind van tranen, zien Hem niet staan.
Tot Hij mij roept. Een stem in doffe oren.
Een open graf. Een nieuwe naam.

Overweging:

Ja, hoe zullen we eens beginnen met deze Paaspreek. Het moet natuurlijk de mooiste preek van het jaar worden, want Pasen is ten slotte het grootste féést van het jaar. Maar ja, ik moet bekennen dat ik er meestal toch wat zuchtend aan begin. Er waren al zóveel diensten voor te bereiden, donderdagavond, vrijdag, zaterdag…. en dan deze nog. Maar als ik eenmaal weer bezig ben, word ik ook altijd weer blij. Want ieder jaar opnieuw weer nadenken over Pasen, betekent ook dat het ieder jaar weer wat helderder wordt, wat dieper gaat. Jullie hebben de pech, dat je alleen maar hoeft te luisteren deze tien minuten, dit uur, en dan weer over kan gaan tot de orde van de dag. Dan loop je de kans dat de hele Paasgeschiedenis toch min of meer aan je voorbijgaat. Pasen gaat pas iets betekenen, als het iets voor JOU betekent. Als dat níet zo is, wordt het een geschiedenis, een verhaal, waarvan sommigen zeggen dat het echt gebeurd is, en anderen dat je het vooral symbolisch  moet opvatten. Maar wat maakt dat uit, het één of het ander, als het vervolgens niet iets voor je BETEKENT? Dáár gaat het om. Dus alvast maar een goede tip: ga, als u, als jij, straks thuis bent en een uurtje niks te doen hebt, eens voor jezelf nadenken over die vraag. ‘Wat betekent Pasen nu eigenlijk voor míj’

De meesten van ons kennen allerlei oude woorden, die dan naar boven zullen komen: bij mij komt dan toch als eerste naar boven ‘gestorven voor onze zonden’. Dat heeft me behoorlijk lang bezig gehouden. Het idee dat God zó boos was vanwege onze, vanwege mijn zonden, dat hij het nodig vond, om zijn eniggeboren zoon Jezus Christus aan het kruis te laten sterven, bij wijze van boetedoening - ik kan me er niets bij voorstellen. Het past voor mijn gevoel gewoon niet bij een God, die liefde is. Wat ik wèl weer kan begrijpen, is de moeilijkheid van de oude bijbelschrijvers, om een totaal nieuwe ervaring te beschrijven, de ervaring dat een mens ineens in een andere relatie met God kwam te staan, veel dichterbij, veel meer eigen - en dat het naar hun idee met het einde van Jezus te maken had, dat helemáál geen einde bleek te zijn, maar een geweldig nieuw begin. Om dat over te brengen grepen ze terug op oude beelden, beelden uit hun eigen offercultuur in de tempel bijvoorbeeld, want was het niet altijd het doel van die offers geweest, om het contact met God te vernieuwen? Dan is de vergelijking met Jezus als offerlam snel gemaakt. En zo kunnen latere theologen met dit soort beelden aan de haal gaan. Zo kan je de schuldgevoelens van mensen intensiveren en de indruk wekken dat een mens toch echt niets waard is. Zo houd je mensen klein, bang en gehoorzaam. Daar waren ze waarschijnlijk niet bewust op uit, ze waren zelf ook zo.

Toch is het jammer om het kind met het badwater weg te gooien. Ze wilden wel degelijk iets belangrijks overbrengen, die bijbelschrijvers met hun uitgebreide lijdensgeschiedenissen en Paasverhaal. Misschien kan je het ook zo uitleggen. Misschien heeft het te maken met het leven, het gewone, dagelijkse, aardse leven. We doen met z’n allen redelijk ons best, genieten ervan, lijden er aan, denken er over na. We maken keuzes, maken ook fouten – maken vuile handen. Niemand houdt zijn handen schoon, zelfs Pilatus niet, die ze daar zo demonstratief stond te wassen, nadat hij Jezus veroordeeld had tot het kruis. Er kleeft van alles aan. Verdriet, wat we soms anderen aandoen, gewild of ongewild. Noem maar op. Door die vuile handen kunnen we niet meer zó maar het heil, het leven dat God ons wil geven, een leven in oneindige liefde en met talloze mogelijkheden, aanpakken. We krijgen er geen verbinding mee. Maar er was er één die daar wél rechtstreeks mee verbonden was, omdat hij volstrekt schone handen heeft gehouden, altijd. Daar gaan ten slotte al die verhalen over, die we het hele jaar door in de kerk lezen. En toen bleek, bij Jezus, dat zelfs de dood, en de angst en de haat van mensen die tot die dood leidde, hem niet kon scheiden van dat heil, van dat leven. Zijn leven begon opnieuw, maar nu op een hoger plan, niet langer aards, maar aards en hemels tegelijk. En dát was een ommekeer in de geschiedenis. Dát was de reden, waarom de leerlingen riepen dat nu onze zonden vergeven waren – zij, zo overduidelijk ook met een paar vuile handen – zij ervoeren vanaf dat moment dat ze, verbonden met Jezus Christus, daardoor tegelijk verbonden waren met het heil, met het nieuwe leven, een leven in liefde, een leven met talloze en eindeloze mogelijkheden. En daarin mogen wíj delen, tot op de dag van vandaag. En daarom mogen wíj nóg steeds blij Pasen vieren, en is het zo belangrijk om te beseffen wát de boodschap van Pasen voor ons, ieder persoonlijk, betekent.

We hebben het niet over simpele dingen. Zo’n uitleg, over wat het nu betekent, die dood en opstanding, vertelt altijd maar een fractie van de hele waarheid, daarom drong ik er ook zo op aan om er zélf eens uitgebreid over na te denken. Want voor u kan juist een heel ánder aspect wel weer heel belangrijk zijn. Dat eeuwige leven bijvoorbeeld, of de keuzes die Jezus maakte, en zo zal er vast nog wel veel meer zijn. Je kan bijvoorbeeld ook heel concreet eens nadenken over een wederopstanding van iets in je eigen leven, wat misschien in de loop van de jaren verdwenen is. Misschien was je vroeger vrolijk, en is dat nu nog maar zelden het geval. Waar ligt dat aan, en wordt het niet eens tijd om daar wat aan te doen? Of misschien was je vroeger veel vaker bereid om het goede in mensen te zien, en realiseer je je dat je steeds cynischer wordt: waar ligt dat aan, en wordt het niet eens tijd om daar wat aan te doen? En hoe zit het met onze creativiteit? Ik ga ineens op ‘onze’ over, omdat zo’n paaservaring ook op de Elthetokerk kan slaan. Ik hoor zo vaak oude verhalen uit de tijd dat deze kerk er nog maar net stond: hoe enthousiast iedereen toen was, hoe het gonsde van de activiteiten, mensen andere mensen meetroonden, het jeugdwerk bloeide… Die tijden zullen niet terugkeren, dat begrijpt iedereen. In ieder geval niet op dezelfde manier. Maar we zouden misschien wel ons enthousiasme een wederopstanding kunnen laten beleven. Dan komen de creativiteit en de nieuwe plannen vanzelf.

Persoonlijk, kerkelijk, misschien ook op het niveau van je werk, op al die terreinen loont het de moeite om na te gaan of er niet iets in de loop der jaren ongemerkt verdwenen is, waardoor het leven minder de moeite waard is geworden. Het licht zwakker is, zeg maar. Waar ligt dat aan, en valt er iets aan te doen? Vaak wel. Het lijkt misschien minimaal, naast die grote verhalen van een leeg graf, een opgestane Heer… maar vergis je niet. Ook dat grote verhaal begint met een vrouw, die in het donker op weg gaat, een eerste stap zet. Het is niet voor niets, dat Pasen het feest van de hoop genoemd wordt. Hoop is het tegenovergestelde van berusten. Het is opstaan, en geloven in een nieuw leven, een leven in het licht. Amen.
 
 


 

Viering Elthetokerk zondag 10 april 2011,
vijfde zondag Veertigdagentijd JUDICA / DOE MIJ RECHT

Kaars aansteken, tekst: OPDRACHT (Toon Tellegen)

Langzamer gaan, steeds langzamer

doof zijn voor aanvuringen en hoongelach,
de weloverwogenheid in eigen persoon

slakken flitsen voorbij,
wijnslakken, koninginneslakken

en nog langzamer nog,
zo langzaam
dat zelfs de neutraalste waarnemers
geen voortgang meer kunnen constateren

en dan toch nog iets langzamer

tot er een stem klinkt uit het publiek:
‘ik houd van jou,
ik houd zoveel van jou…’

Eerste schriftlezing: Ezechiël 37: 1-14:

[37] 1 Ik werd opnieuw door de hand van de EEUWIGE gegrepen. Zijn geest voerde mij mee en hij zette mij neer in een dal vol beenderen. 2 Ik moest er aan alle kanten omheen lopen, en zo zag ik dat er verspreid over het dal heel veel beenderen lagen, die helemaal waren uitgedroogd. 3 De EEUWIGE vroeg mij: ‘Mensenkind, kunnen deze beenderen weer tot leven komen?’ Ik antwoordde: ‘HEER, mijn God, dat weet u alleen.’ 4 Toen zei hij: ‘Profeteer, en zeg tegen deze beenderen: “Dorre beenderen, luister naar de woorden van de EEUWIGE! 5 Dit zegt God, de HEER: Beenderen, ik ga jullie adem geven zodat jullie tot leven komen. 6 Ik zal jullie pezen geven, vlees op jullie laten groeien en jullie met huid overtrekken. Ik zal jullie adem geven zodat jullie tot leven komen, en jullie zullen beseffen dat ik de HEER ben.”’
7 Ik profeteerde zoals mij was opgedragen. Zodra ik dat deed hoorde ik een geluid, er klonk een geruis van botten die naar elkaar toe bewogen en zich aaneen voegden. 8 Ik zag pezen zich aanhechten en vlees groeien, ik zag hoe er huid over de botten heen trok, maar ademen deden ze nog niet. 9 Toen zei hij tegen mij: ‘Profeteer tegen de wind, profeteer, mensenkind, en zeg tegen de wind: “Dit zegt God, de EEUWIGE: Kom uit de vier windstreken, wind, en blaas in deze doden, zodat ze weer gaan leven.”’ 10 Ik profeteerde zoals hij mij gezegd had, en de lichamen werden met adem gevuld. Ze kwamen tot leven en gingen op hun voeten staan: een onafzienbare menigte.
11 En hij zei tegen mij: ‘Mensenkind, deze beenderen zijn het volk van Israël. Het zegt: “Onze botten zijn verdord, onze hoop is vervlogen, onze levensdraad is afgesneden.” 12 Profeteer daarom en zeg tegen hen: “Dit zegt God, de HEER: Mijn volk, ik zal jullie graven openen, ik laat jullie uit je graven komen en ik zal jullie naar het land van Israël terugbrengen. 13 Jullie zijn mijn volk, en jullie zullen beseffen dat ik de HEER ben als ik je graven open en jullie uit je graven laat komen. 14 Ik zal jullie mijn adem geven zodat jullie weer tot leven komen, ik zal jullie terugbrengen naar je land, en jullie zullen beseffen dat ik de HEER ben. Wat ik gezegd heb, zal ik doen – zo spreekt de EEUWIGE.”’

Tweede schriftlezing: Johannes 11 : 1-44
[11] 1 Er was iemand ziek, een zekere Lazarus uit Betanië, het dorp waar Maria en haar zuster Marta woonden 2 – dat was de Maria die Jezus met olie gezalfd heeft en zijn voeten met haar haar heeft afgedroogd; de zieke Lazarus was haar broer. 3 De zusters stuurden iemand naar Jezus met de boodschap: ‘Heer, uw vriend is ziek.’ 4 Toen Jezus dit hoorde zei hij: ‘Deze ziekte loopt niet uit op de dood, maar op de eer van God, zodat de Zoon van God geëerd zal worden.’ 5 Jezus hield veel van Marta en haar zuster, en van Lazarus. 6 Maar toen hij gehoord had dat Lazarus ziek was, bleef hij toch nog twee dagen waar hij was. 7 Daarna zei hij tegen zijn leerlingen: ‘Laten we teruggaan naar Judea.’ 8 ‘Maar rabbi,’ protesteerden de leerlingen, ‘de Joden wilden u stenigen, en nu wilt u daar toch weer naartoe?’ 9 Jezus zei: ‘Telt een dag niet twaalf uren? Wie overdag loopt, struikelt niet, want hij ziet het licht van deze wereld, 10 maar wie ’s nachts loopt, struikelt doordat hij geen licht heeft.’ 11 Nadat hij dat gezegd had zei hij: ‘Onze vriend Lazarus is ingeslapen, ik ga hem wakker maken.’ 12 De leerlingen zeiden: ‘Als hij slaapt, zal hij wel beter worden, Heer.’ 13 Zij dachten dat hij het over slapen had, terwijl Jezus bedoelde dat hij gestorven was. 14 Toen zei hij hun ronduit: ‘Lazarus is gestorven, 15 en om jullie ben ik blij dat ik er niet bij was: nu kunnen jullie tot geloof komen. Laten we dan nu naar hem toe gaan.’ 16 Tomas (dat betekent ‘tweeling’) zei tegen de anderen: ‘Laten ook wij maar gaan, om met hem te sterven.’
17 Toen Jezus daar aankwam, hoorde hij dat Lazarus al vier dagen in het graf lag. 18 Betanië lag dicht bij Jeruzalem, op een afstand van ongeveer vijftien stadie, 19 en er waren dan ook veel Joden naar Marta en Maria gekomen om hen te troosten nu hun broer gestorven was. 20 Toen Marta hoorde dat Jezus onderweg was ging ze hem tegemoet, terwijl Maria thuisbleef. 21 Marta zei tegen Jezus: ‘Als u hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn. 22 Maar zelfs nu weet ik dat God u alles zal geven wat u vraagt.’ 23 Jezus zei: ‘Je broer zal uit de dood opstaan.’ 24 ‘Ja,’ zei Marta, ‘ik weet dat hij bij de opstanding op de laatste dag zal opstaan.’ 25 Maar Jezus zei: ‘Ik ben de opstanding en het leven. Wie in mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft, 26 en ieder die leeft en in mij gelooft zal nooit sterven. Geloof je dat?’ 27 ‘Ja Heer,’ zei ze, ‘ik geloof dat u de messias bent, de Zoon van God die naar de wereld zou komen.’
28 Na deze woorden ging ze terug, ze nam haar zuster Maria apart en zei: ‘De meester is er, en hij vraagt naar je.’ 29 Zodra Maria dit hoorde ging ze naar Jezus toe, 30 die nog niet in het dorp was, maar op de plek waar Marta hem tegemoet was gekomen. 31 Toen de Joden die bij haar in huis waren om haar te troosten, Maria zo haastig zagen weggaan, liepen ze achter haar aan, want ze dachten dat ze naar het graf ging om daar te weeklagen.
32 Zodra Maria op de plek kwam waar Jezus was en hem zag, viel ze aan zijn voeten neer. Ze zei: ‘Als u hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn!’ 33 Jezus zag hoe zij en de Joden die bij haar waren weeklaagden, en dat ergerde hem. Diep bewogen 34 vroeg hij: ‘Waar hebben jullie hem neergelegd?’ Ze zeiden: ‘Kom maar kijken, Heer.’ 35 Jezus begon ook te huilen, 36 en de Joden zeiden: ‘Wat heeft hij veel van hem gehouden!’ 37 Maar er werd ook gezegd: ‘Hij heeft de ogen van een blinde geopend, hij had nu toch ook de dood van Lazarus kunnen voorkomen?’ 38 Ook dit ergerde Jezus. Hij liep naar het graf, een spelonk met een steen voor de opening. 39 Hij zei: ‘Haal de steen weg.’ Marta, de zuster van de dode, zei: ‘Maar Heer, de stank! Hij ligt er al vier dagen!’ 40 Jezus zei tegen haar: ‘Ik heb je toch gezegd dat je Gods grootheid zult zien als je gelooft?’ 41 Toen haalden ze de steen weg. Daarop keek hij omhoog en zei: ‘Vader, ik dank u dat u mij hebt verhoord. 42 U verhoort mij altijd, dat weet ik, maar ik zeg dit ter wille van al die mensen hier, opdat ze zullen geloven dat u mij gezonden hebt.’ 43 Daarna riep hij: ‘Lazarus, kom naar buiten!’ 44 De dode kwam te voorschijn, zijn handen en voeten in linnen gewikkeld, en zijn gezicht bedekt door een doek. Jezus zei tegen de omstanders: ‘Maak de doeken los, en laat hem gaan.’

Overweging:
Dat waren lange verhalen vandaag, vond u niet. Vreemde verhalen ook. Zo’n visioen van Ezechiël, een dal vol dorre doodsbeenderen… en dan zo’n vraag: denk je dat die weer tot leven kunnen komen? Ik weet wel dat ik kort zou zijn: nee, natuurlijk niet. Ezechiël pakt het diplomatieker aan: ‘Heer, mijn God, dat weet U alleen’. En dan voltrekt zich langzaam maar zeker het wonder. In het visioen dan. Maar de werkelijkheid is anders.  Als in Mexico een massagraf wordt gevonden met 59 lichamen, zoals afgelopen vrijdag in de krant stond, zomaar gedood door een stelletje drugshandelaren, dan verwacht echt niemand dat die weer tot leven kunnen komen. En zaterdag werden we hard geconfronteerd met het vreselijke leed in Alphen aan den Rijn... We vertellen elkaar mooie verhalen in de kerk, over hoop en nieuw leven, over liefde en zorg voor elkaar, en voor de rest van de week lezen we de krant, kijken we naar de TV en zien we precies het tegenovergestelde. Haatcampagnes tegen homo’s in Afrika, waarbij zelfs doden vallen, en de kerkleiders doen er nog aan mee ook. Of die dominee uit de VS, die het nodig vindt om een boek dat zoveel mensen heilig is in het openbaar te verbranden. Het goede nieuws daarbij was wel, dat de media aanvankelijk heel terughoudend waren -  maar ja. Haat roept, als je niet heel erg oppast, haat op, en ook hier kostte het uiteindelijk mensenlevens. Daar ben ík niet verantwoordelijk voor, zegt de dominee dan, en dat is natuurlijk waar. Ieder mens is verantwoordelijk voor zijn of haar eigen daden, voor de manier waarop je reageert, de keuzes die je maakt. Maar ik ben toch blij, dat we hier in Nederland een wet hebben, die het zaaien van haat strafbaar stelt. Daarmee wordt een duidelijke grens aangegeven waar de vrijheid van meningsuiting ophoudt: vrijheid kan alleen maar vrijheid voor iedereen zijn, als je je houdt aan een bepaalde moraal, de moraal die we uit de bijbel kunnen leren: heb je naaste lief als jezelf. Of, wat zwakker met een mooie ouderwetse spreuk: ‘wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat dan ook een ander niet.’

En zo zijn we dan, met een lange omweg, toch weer uitgekomen bij de bijbel. Over twee weken is het Pasen, en ik hoop dat we dan met elkaar die hele gang gemaakt hebben, van donderdag tot zondag, de gang van het lijden naar de vreugde, van de kou naar de warmte. Want het is niet alleen de wereldgeschiedenis, het zijn niet alleen de anderen, het zit allemaal ook in onszelf en we krijgen er ook allemaal in het leven onze portie van. Jaren geleden kwam er eens een vaste kerkganger naar me toe, die een ernstige klacht had. ‘Jij praat’, zei hij, ‘altijd alleen maar over de liefde en de vreugde, waar is de andere kant van het verhaal?’ Na wat doorvragen bleek dat hij vooral doelde op de boze kant van God, de God van de profeten in het Oude Testament zeg maar, maar ook het Paasverhaal zoals dat nu nog steeds in veel kerken geleerd wordt, waar een wrekende God zijn eigen zoon doodt voor het tot vergeving kan komen.

Ik geloof daar niet in. Ik geloof dat zo’n God vooral een projectie is: daar stond van de week, donderdag was het, ook nog een extreem voorbeeld van in de krant: een lachende jonge vrouw (want ja, ze komt wel in de krant) met twee grote borden in haar armen bij een demonstratie tijdens een herdenkingsdienst voor een onlangs overleden zwarte, vrijzinnige homo-dominee: op de één stond ‘you’re going to hell’ en op de ander ‘God hates you’. ‘Jij gaat naar de hel - en God haat je’. En in het artikel zegt deze Sarah uit Kansas: ‘het is gewoon fijn om Gods werk te doen. Maar 99,9 procent van de mensen doet dat niet en die haat hij’. Je zou er subiet elk geloof bij verliezen. Totdat je bedenkt, dat het hier gaat om mensen die hun eigen God verzinnen, een God die precies denkt en voelt als zij, maar dan met meer autoriteit.

En daar heeft iedereen natuurlijk wel een handje van. Zelfs in de bijbel zijn daar genoeg sporen van te vinden. Er zijn massa’s mensen die geloven dat alles wat er over God te zeggen valt, verzonnen is door mensen. Nee, wordt er dan gezegd, God heeft ons niet geschapen naar zijn beeld, wij hebben God geschapen naar óns beeld. En dan is de conclusie gauw getrokken: geloven heeft geen enkele zin. Daar komt alleen maar ellende van. God bestaat niet.

Ik kan me zo’n reactie vaak heel goed voorstellen, vooral als daar ook nog allerlei persoonlijke teleurstellingen bij komen: momenten waarop je bijvoorbeeld om hulp bad, en die hulp uitbleef. Ik zie ook vaak genoeg om me heen mensen, die duidelijk aangeven dat ze niet in God geloven, of daar gewoon niet in geïnteresseerd zijn, maar wel degelijk in hogere waarden geloven, zoals we die net al noemden: heb je naaste lief als jezelf en ‘wat gij niet wilt…’ Daar zetten ze zich voor in, daar zijn ze op aanspreekbaar. Die waarden noemen we ‘hoger’ omdat ze het gewone, dagelijkse eigenbelang overstijgen, het gaat om het belang van iederéén en daar wil je desnoods ook wel je nek voor uitsteken. Sarah uit Kansas zou eens naar ze moeten luisteren, en een voorbeeld aan ze nemen. Er zullen hier ook mensen in de kerk zitten, die dáárom komen, die willen extra gestimuleerd worden in een leven volgens die hogere waarden, een leven dat zich, zoals de bijbel dat zo beeldend zegt, richt op het ‘Licht’. Het is prachtig, dat er een plek is, waar dat kán. De wereld heeft het nodig, als tegenwicht, als middel om weer in evenwicht te komen, te beseffen waar het in het leven om draait, wat werkelijk geluk brengt. Wat er ook in de bijbel staat, wat er ook gezegd wordt over God, uiteindelijk is dit de hoofdzaak, dat waar het werkelijk om gaat; dat we leren hiernaar te leven, iedere dag opnieuw.

Maar. Er is, wat mij betreft, een duidelijke máár. Het Bijbelse gebod waar het allemaal om draait, kent net een paar woordjes meer. Er staat niet ‘heb je naaste lief als jezelf’ maar er staat: ‘heb God lief, en je naaste als jezelf’. Voor mij is dat een essentiële toevoeging. Dat hele liefdesgebod, dat is namelijk nogal moeilijk. Het lukt niet altijd, zacht gezegd. Denk maar weer even aan die krantenberichten, maar in het persoonlijke leven gaat het natuurlijk ook op. En dan is het heel troostend, om te weten dat ik het niet alleen hoef te doen. Dat er een liefde, ja zelfs een liefdevolle aanwezigheid is, die groter is dan ik zelf ben. Want als ik er alleen voor stond, dan zou er uiteindelijk alleen maar een graf zijn met een steen er op, ik zeg het maar even heel direct. Het doet me meteen denken aan dat wrange grapje over een huisvrouw, die op haar grafsteen liet zetten: ‘haar levenlang vocht zij tegen het stof, nu heeft ze toch nog verloren’. Waar doe je het allemaal voor.

En hier komen de verhalen, het visioen van Ezechiël, en de opstanding van Lazarus, weer naar boven. Hoe onwaarschijnlijk het ook allemaal klinkt, bij God is alles mogelijk. Dat is de boodschap, bij God is alles mogelijk. Jezus is in het verhaal ook al op weg naar het einde, de leerlingen begrijpen niet hoe hij het in zijn hoofd haalt om weer terug te keren naar het gebied waar hij gevaar loopt. Maar Jezus wimpelt het weg. Ach, zegt hij, als je maar zorgt dat je in het licht blijft lopen, is er niets aan de hand. Pas als het donker wordt, dán ga je struikelen. Jezus is zich altijd bewust van het licht, hij wandelt met God, zogezegd. Dat kan geen mens voor hem in de war schoppen. Daar zit hij dus niet over in. Dat is niet alleen een les voor de leerlingen, maar ook voor ons: als je er bewust voor kiest om ‘in het licht te wandelen’, of, anders gezegd, te leven naar die hogere waarde waar we het net over hadden, dan is daarmee niet alles opgelost, kijk maar naar Jezus, die zich heus wel bewust was van de gevaren. Het weerhield hem niet. Hij wist waar hij het allemaal voor deed, waar het goed voor was. Het ging hem, zegt Johannes, om de eer van God. Hoe kan je die God beter eren, dan erop te vertrouwen dat ieder mens hem dierbaar is, en er dus geen mens, geen ziel verloren zal gaan. Johannes komt niet voor niets nú met dit verhaal, het is een inleiding op Pasen. De man die door Jezus geroepen wordt om uit zijn donkere graf te komen, en levend en wel in het licht te komen staan - die man heet Lazarus. ‘God helpt’, betekent dat. En de plaats, Bethanië, waar hij vandaan komt, heet ‘plaats van lijden’. En hij komt. En straks is het Pasen. Amen.
 
 


 
 

Viering Elthetokerk 3e zondag 40-dagen, zondag OCULI
zondag 27 maart 2011

Kaars aansteken - tekst:
Laten we drinken uit de bron die vriendschap heet,
dat we ons geven aan elkaar,
zoals een bron zich geeft.
Laten we drinken uit de bron die wijsheid heet,
dat we de waarheid proeven
die ons vrijmaakt.
Laten we drinken uit de bron die troost heet,
dat we weerbaar blijven
als het leven ons pijn doet.
Laten we drinken uit de bron die vreugde heet,
dat we leren genieten
met lijf en leden, met hart en ziel.
Laten we drinken uit de bron die stilte heet,
dat we aandachtig zijn
voor het geheim in dingen en mensen,
voor het geheim van God.

Gebed 'Leer ons als het water zijn'

God, leer ons als het water zijn,
dat in de rivieren klatert,
en door het oerwoud stroomt,
dat velden vruchtbaar maakt
en overal leven brengt.
Leer ons als het water zijn,
dat al wat vies is, wast,
dat iedere mens, hoe die ook heet
en heling en bevrijding zoekt,
weer hoop op toekomst geeft.
Leer ons als het water zijn,
dat alle boten draagt,
vol mensen en hun lasten,
om voor hen allemaal
hun lasten te verlichten.
Leer ons als het water zijn,
de bron van alle leven,
dat alle mensen samenbrengt,
om samen, overal vandaan,
het lief en leed te delen.
God, Leer ons als het water zijn,
dat in uw richting stroomt,
om in de wereld, overal,
uw opdracht waar te maken:
meer mens te zijn voor iedereen.
Amen.

Schriftlezing: Johannes 4,1-26
Gesprek met een Samaritaanse vrouw
[4] 1 Toen Jezus hoorde dat aan de Farizeeën verteld werd dat hij meer leerlingen maakte en er ook meer doopte dan Johannes 2 – Jezus doopte overigens niet zelf, zijn leerlingen deden dat –, 3 verliet hij Judea en ging weer naar Galilea. 4 Daarvoor moest hij door Samaria heen. 5 Zo kwam hij bij de Samaritaanse stad Sichar, dicht bij het stuk grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef gegeven had, 6 waar de Jakobsbron is. Jezus was vermoeid van de reis en ging bij de bron zitten; het was rond het middaguur. 7 Toen kwam er een Samaritaanse vrouw water putten. Jezus zei tegen haar: ‘Geef mij wat te drinken.’ 8 Zijn leerlingen waren namelijk naar de stad gegaan om eten te kopen. 9 De vrouw antwoordde: ‘Hoe kunt u, als Jood, mij om drinken vragen? Ik ben immers een Samaritaanse!’ Joden gaan namelijk niet met Samaritanen om. 10 Jezus zei tegen haar: ‘Als u wist wat God wil geven, en wie het is die u om water vraagt, zou u hém erom vragen en dan zou hij u levend water geven.’ 11 ‘Maar heer,’ zei de vrouw, ‘u hebt geen emmer, en de put is diep – waar wilt u dan levend water vandaan halen? 12 U kunt toch niet meer dan Jakob, onze voorvader? Hij heeft ons die put gegeven en er zelf nog uit gedronken, en ook zijn zonen en zijn vee.’ 13 ‘Iedereen die dit water drinkt zal weer dorst krijgen,’ zei Jezus, 14 ‘maar wie het water drinkt dat ik hem geef, zal nooit meer dorst krijgen. Het water dat ik geef, zal in hem een bron worden waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft.’ 15 ‘Geef mij dat water, heer,’ zei de vrouw, ‘dan zal ik geen dorst meer hebben en hoef ik ook niet meer hierheen te komen om water te putten.’ 16 Toen zei Jezus tegen haar: ‘Ga uw man eens roepen en kom dan weer terug.’ 17 ‘Ik heb geen man,’ zei de vrouw. ‘U hebt gelijk als u zegt dat u geen man hebt,’ zei Jezus, 18 ‘u hebt vijf mannen gehad, en degene die u nu hebt is uw man niet. Wat u zegt is waar.’ 19 Daarop zei de vrouw: ‘Nu begrijp ik, heer, dat u een profeet bent! 20 Onze voorouders vereerden God op deze berg, en bij u zegt men dat in Jeruzalem de plek is waar God vereerd moet worden.’ 21 ‘Geloof me,’ zei Jezus, ‘er komt een tijd dat jullie noch op deze berg, noch in Jeruzalem de Vader zullen aanbidden. 22 Jullie weten niet wat je vereert, maar wij weten dat wel; de redding komt immers van de Joden. 23 Maar er komt een tijd, en die tijd is nu gekomen, dat wie de Vader echt aanbidt, hem aanbidt in Geest en in waarheid. De Vader zoekt mensen die hem zo aanbidden, 24 want God is Geest, dus wie hem aanbidt, moet dat doen in Geest en in waarheid.’ 25 De vrouw zei: ‘Ik weet wel dat de Messias zal komen’ (dat betekent ‘gezalfde’), ‘wanneer hij komt zal hij ons alles vertellen.’ 26 Jezus zei tegen haar: ‘Dat ben ik, die met u spreekt.’

Monoloog: 'de vrouw bij de bron' (Chris Kinsly en Drew Francis - vertaling door mij)

Ik ben een vrouw zonder status
onbelangrijk
ik ben een vrouw zonder reputatie
behalve dan een slechte.

Je fluistert als ik langsloop en je bekijk, snel probeer in te schatten
alhoewel je niet echt de tijd neemt om naar míj te kijken
laat staan me te leren kennen

Want kennen is liefhebben
en liefhebben is kennen
wat zou anders het nut zijn
om voor één van beide je best te doen?

Ik wil gekend worden.

Ik wil dat iemand naar mijn gezicht kijkt
en niet alleen twee ogen ziet, een neus
een mond en twee oren
maar alles ziet wat ik ben en kan zijn
al mijn hoop, liefde en angst.

Maar dat is te veel om op te hopen
te veel om te wensen
te veel om voor te bidden
dus dat doe ik niet, niet meer.

Nu houd ik het voor mezelf
en daarmee bedoel ik de pijn
die me gevangen houdt
de pijn die me hier bracht
midden op de dag, bij deze bron.

Te drinken vragen is geen enorm verzoek
maar om het míj te vragen?
Een vrouw die zich schaamt
gebruikt is en beschadigd
een buitenstaander, mislukkeling
een teleurstelling, een zondaar.

Geen water uit mijn handen, komend
naar jouw lippen kan verfrissend zijn
alleen veroordelend, zoals jij me nu zeker veroordeelt
maar dat doe je niet.

Je bent een man zonder status
maar van het allergrootste belang.
Een man zonder reputatie, tenminste tot nu.

Je fluistert en vertelt me midden in mijn gezicht
wat al die blikken te betekenen hadden en
en je neemt de tijd om echt naar me te kijken.
Maar je hoeft me niet te leren kennen

want kennen is liefhebben
en liefhebben is kennen

En jij kent me
jij kent me echt
mij helemaal en alles van mij
elke gedachte in mijn hoofd en elke haar erbovenop;

elke pijn, opgeslagen, elke hoop, elke angst.

Mijn verleden en mijn toekomst, alles wat ik ben en kan zijn
jij vertelt me alles
jij vertelt me over mij!

Werd het door een ander gezegd
dan zou het haat en oordeel brengen

maar uit jouw mond geeft het liefde, vrede,
troost, hoop en redding.

Ik heb gehoord dat er iemand zou komen
die ons zou kunnen redden
en hier, waar ik bij sta, zeg je
dat ben ik.

Kennen is liefhebben
en liefhebben is kennen.

Ik heb je net ontmoet
maar ik houd al van je
ik ken je niet
maar daar verlang ik naar.

Laat me rennen naar de stad
dit is te veel voor mij alleen
daar zijn anderen: broers,
zusters, geliefden, vijanden.

De goeden en kwaden, zondaren en heiligen
die moeten horen wat jij me vertelde
zien wat jij me toonde
proeven wat jij me gaf
voelen hoe jij me vergaf.

Want kennen is liefhebben
en liefhebben is kennen
en dat hebben zij ook nodig
wij allemaal, we
hebben het zo nodig

Overweging:
Lieve mensen, we zitten nog steeds in de voorbereidingstijd naar Pasen. De derde zondag al weer, zondag ‘oculi’ heet dat officieel, en die ‘oculi’ ‘mijn ogen’ verwijzen naar psalm 25, waarin gezegd wordt
‘Ik houd mijn oog gericht op de HEER,
hij bevrijdt mijn voeten uit het net.’
Een prachtig beeld, alhoewel de situatie allesbehalve prachtig is: je zit vast, vast in oude gewoontes misschien, of een akelige toestand, een verdriet, een pijn, en je beseft: hier kom ik in mijn eentje niet uit. En dan besluit je van jezelf weg - en  omhoog te kijken, niet één tel, of de duur van een kort gebedje, nee, je ‘houdt je oog gericht op de Heer’. Ervan overtuigd dat daar de bevrijding in zit. Vaak is dat ook zo. Als je het gevoel hebt, vast te zitten, helpt het om je perspectief te veranderen, er eens vanuit een andere invalshoek naar te kijken. Vorige keer hadden we het daar nog over, herinnert u het zich? Of je de moeilijkheden, die je overkomen, ziet als, ik noem maar wat, een straf van God, of  iets dat je door een ander wordt aangedaan - of je ziet het als een uitdaging, waar je iets van kan leren. Dat maakt nogal wat uit. Een moderne versie van die psalmregels zou kunnen zijn: ‘bij problemen blijf ik positief, dat helpt me weer verder’. Maar daar kan je meestal wel wat hulp bij gebruiken, en over het verlangen naar die hulp in donkere tijden gaat het vooral in de psalm, en ook in de veertigdagentijd. Het nieuwe testament levert er een bijzonder verhaal bij, het verhaal van Jezus en de vrouw bij de bron. Want als je wilt uitleggen wat verlangen is, dan is dorst zo ongeveer het eerste wat bij je opkomt. Iedereen heeft wel eens erge dorst. Een groot lichamelijk verlangen naar water. We zongen het ook al, psalm 42, het hert dat naar water smacht. Zo, zegt de psalm, zo verlangt onze ziel naar God.

Nu geldt dat misschien voor de psalmdichter, dat wil natuurlijk nog niet zeggen dat het ook voor u en voor mij geldt. Kent u zo’n heftig verlangen naar God? Ik niet zo, eerlijk gezegd. Ik moet wel heel diep gaan graven in mijn innerlijk, om sporen van een dergelijk verlangen te vinden. Ze zíjn er wel, die sporen. Een vaag gevoel van onrust. Dat het leven best mooi en aardig is, maar dat er misschien mogelijkheden blijven liggen, dat het vlakker is dan nodig, dat er misschien iets mist, dat er nauwelijks nog beweging in zit: nou, vult u het zelf maar in. Het kost meestal weinig moeite om eroverheen te leven, maar wie er even bewust bij stil staat zal deze gevoelens bij zichzelf ontdekken. Jezus zou zeggen: een dorst naar levend water. Naar contact met de eeuwig stromende bron. Verlangen naar Pasen, kunnen we ook zeggen. Een nieuw begin, met de belofte dat je nooit meer dorst hoeft te hebben, want je bent één geworden met de bron, je stroomt.

Maar zover is het nog niet. Voorlopig is de vrouw nog dorstig en wel in de hitte op weg naar de bron, en daar aangekomen ziet ze Jezus. In de monoloog die we lazen staat zo mooi ‘hij fluisterde’, en ik ben benieuwd wat wíj zouden doen in zo’n situatie. In gesprek gaan? Negeren? Zou ik regelrecht op de bron zijn afgestapt, en gedacht hebben ‘daar heb ik Jezus niet bij nodig’? Het gekke van het geval was ook, dat hij háár nodig had. Hij begon, en hij vroeg zelf om water. Misschien zou je kunnen concluderen, dat Jezus ook zo zijn verlangens kent, verlangen naar contact, naar mensen die bereid zijn naar hem te luisteren, of, zoals de monoloog zegt, hem ‘te kennen, en dat is liefhebben’. Als we dit op onszelf betrekken, wordt het natuurlijk wel gelijk héél zweverig. Maar ik kan me voorstellen, dat je het ook vrij rationeel kan bekijken: je kan ook, met je verlangen, gaan ontdekken wat de Jezus uit de bijbel voor ideeën had, voor goede adviezen, en door die na te volgen Jezus steeds beter te leren kennen, en dat is liefhebben. Voor anderen kan het meer een gevoelskwestie zijn, een idee dat de Christus als de opgestane nog altijd contact zoekt en wil helpen, zich wil laten kennen, en dat is liefhebben. Ik ben nooit zo van de keuzes voor het één of het ander, zou graag zien dat het beide waar is. Maar uiteindelijk is Jezus alleen degene die bemiddelt, de tussenpersoon zeg maar, uiteindelijk gaat het om het levende water en de eeuwig stromende bron.

Geen idee wat dat inhoudt. Of toch wel. Laten we weer even teruggaan naar het begin, naar een mens die het verlangen in zichzelf ontdekt. Er ontbreekt iets. Je bent niet echt gelukkig, je voelt je niet echt energiek, enthousiast, zo klein kan het zijn, maar misschien is het wel veel groter, en voel je je gewoon beroerd. Leeg. Alleen. Je bent een lege kruik, en eigenlijk heb je iemand nodig die de kruik vult met verfrissend, levend water.
En zowaar, soms lukt dat nog ook, maar telkens weer raakt je kruik leeg, en het vullen kost, vooral naar mate je ouder wordt, steeds meer moeite.

En dan beweert de bijbel, Jezus, dat er ook nog een andere mogelijkheid is. Dat er ‘levend water’ bestaat dat nooit opraakt. Het enige wat je maar hoeft te doen, is ‘je ogen op te slaan naar de Heer’, oftewel de bron diep in jezelf te ontdekken, de bron die direct in contact staat met de eeuwige stroom. Het klinkt als abacadabra, want wat betekent dat dan concreet, zo’n eeuwige bron van levend water in jezelf. Dat is ook weer het leuke van het bijbelverhaal, dat het gaat spelen met die fraaie beelden tegenover de naakte werkelijkheid, waarin je mooi maar weer elke keer dorst krijgt en de kruik leeg raakt.

Beelden zeggen alleen iets, als je ze herkent. Of als ze je raken, dus onbewust herkent als belangrijk. Jezus heeft het niet over gewoon water, hij trekt een vergelijking, het gaat hem om iets veel diepers, om een remedie voor een algemeen menselijk gevoel van leegte en gemis, een leven waarin je het gevoel hebt dat je het zonder God moet doen. En hier is God niet zozeer een persoon, maar ‘geest’ zegt Jezus verderop in het verhaal, en die goddelijke geest is deel van jou. Dat is de remedie. Dat doorkrijgen. Niet dat je zelf God bent, of zoiets doms, maar dat de Goddelijke bron in jou zelf te vinden is, en dat je er dus altijd al bovenop zit, als het ware. Alleen keken we meestal de andere kant op, dachten we, dat als we ‘onze ogen richtten op de Here’, dat we dan van onszelf weg moesten kijken, de hemel in of zo, of zoals de Sameritaanse dacht, richting heilige berg, of misschien toch Jeruzalem. Het is veel dichterbij. Het is zelfs deel van onszelf. Jezus had dat ontdekt, en wist daarmee dat hij nooit meer bang hoefde te zijn, zich nooit meer leeg en eenzaam hoefde te voelen. Om toegang tot God, tot die bron te krijgen, was vertrouwen in zichzelf en in de God in hem genoeg. Hij hoefde het alleen maar te laten stromen, te laten gebeuren, zich er aan over te geven. Op die manier ontdekte hij dat die stroom niet alleen tot hem beperkt bleef, maar veel en veel groter was, alomvattend misschien wel. Later, aan het kruis, roept hij voor het eerst en het laatst in zijn leven ‘ik heb dorst’. Er wordt wel gezegd, dat hij in die uren het contact met de Goddelijke bron kwijt is geweest, en dat dát vooral het grootste lijden voor hem was. Dat zou zomaar kunnen. Daarmee beleefde hij dan wat zoveel mensen een leven lang meemaken, namelijk een grote eenzaamheid, het gevoel dat je er alleen voor staat.

De bron en de stroom staan voor iets dat het ‘normale’ aardse gewoonlijk overstijgt. Het staat voor beweging, voor vernieuwing, iedere keer maar weer, voor het bruisende, het enthousiaste, het antwoord op ons verlangen, kortom voor alles waar wij aan denken als we het woord ‘God’ gebruiken. Maar tegelijk hebben we het over allerlei herkenbare dingen die je ook als gewoon menselijk zou kunnen beschouwen, en velen doen dat ook. Waarom die ingewikkelde omweg, waarom God als een bron in de mens, waarom zou je het dan niet puur bij de mens zelf houden? Het is al heel wat, als je ontdekt wat jouw eigen bronnen van inspiratie zijn, en daar aandacht aan gaat besteden. Of is er toch meer aan de hand?

Ik denk dat het antwoord ligt in het verhaal, waarin Jezus en de vrouw elkaar nodig hebben. En zij beiden de bron nodig hebben. Verlangen kan alleen bestaan bij de gratie van het andere. Verlangen is, wat ons uiteindelijk altijd weer in beweging brengt, over onze eigen grenzen heen, en dat is de enige manier om onszelf, de ander en God steeds beter leren kennen. En kennen is liefhebben. Amen.
 
 


 

Viering Elthetokerk Eerste zondag 40-dagentijd 13 maart 2011

Kaars aansteken - tekst: Huston Smith (the religions of man, 1958)

‘Alle godsdiensten zijn de verschillende talen, waarin God tot het mensenhart heeft gesproken. ‘De waarheid is één: de wijzen geven haar verschillende namen.’ De berg van het leven heeft vele hellingen, waarlangs hij beklommen kan worden, maar op de top komen al die wegen samen. Zolang religies in het heuvelland van theologie, ritueel of kerkelijke organisatie verwijlen, zijn zij misschien ver van elkaar verwijderd… het doe echter dat hun voor ogen staat, de top die zij willen bereiken, is voor alle hetzelfde.’

Een (ontregelend) Zen-verhaaltje:
Er was eens een jongen die vele jaren lang oefende met een mooie grote ouderwetse pijl en boog, totdat hij zo goed als volmaakt geworden was in het schieten. Op een dag ging hij samen met zijn meester een wandeling maken, de berg op, zijn pijl en boog nam hij natuurlijk mee. Toen ze boven waren, op een plateau dat uitzicht bood op zee, wilde de jongen met de pijl en boog zijn meester deze keer ook eens iets leren. Hij zocht tegen de bergwand ver weg een tak uit, richtte zijn boog heel zorgvuldig en raakte de tak precies in het midden, zodat hij afbrak. Toen gaf hij de boog aan zijn meester, en zei hem ook eens een poging te wagen. De leraar pakte met een vriendelijk knikje de boog aan, en concentreerde zich toen volledig op zijn taak: hij legde de pijl op de boog, spande zo ver als hij kon, richtte heel nauwkeurig en schoot. De pijl kwam met een fraaie boog terecht… in de zee. De jongen keek verbijsterd, maar zijn meester gaf geen krimp. Hij zei alleen maar: ‘Geweldig! Midden in de roos!’

Eerste schriftlezing: psalm 91
Wie in de beschutting van de Allerhoogste woont
en overnacht in de schaduw van de Ontzagwekkende,
zegt tegen de HEER: ‘Mijn toevlucht, mijn vesting,
mijn God, op u vertrouw ik.’

Hij bevrijdt je uit het net van de vogelvanger
en redt je van de dodelijke pest,
hij zal je beschermen met zijn vleugels,
onder zijn wieken vind je een toevlucht,
zijn trouw is een veilig schild.

De verschrikking van de nacht hoef je niet te vrezen,
ook de pijl niet die overdag op je afvliegt,
noch de pest die rondwaart in het donker,
noch de plaag die toeslaat midden op de dag.

Al vallen er duizend aan je linkerzijde
en tienduizend aan je rechterhand,
jou zal niets overkomen.
Open je ogen en zie
hoe wie kwaad doen worden gestraft.

U bent mijn toevlucht, HEER.
Als je mag wonen bij de Allerhoogste,
zal het kwaad je niet bereiken,
geen plaag je tent ooit treffen.

Hij vertrouwt je toe aan zijn engelen,
die over je waken waar je ook gaat.
Hun handen zullen je dragen,
je voet zul je niet stoten aan een steen.
Leeuw en adder zul je vertrappen,
roofdier en slang vermorzelen.

‘Ik zal bevrijden wie mij liefheeft
en beschermen wie met mijn naam vertrouwd is.
Roep je mij aan, ik geef antwoord,
in de nood zal ik bij je zijn,
je bevrijden en met roem overladen,
je overvloed geven van dagen.
Ik zal je redding zijn.’

Tweede schriftlezing: Jezus in de woestijn
Daarna werd Jezus door de Geest meegevoerd naar de woestijn om door de duivel op de proef gesteld te worden. Nadat hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, had hij grote honger. Nu kwam de beproever naar hem toe en zei: ‘Als u de Zoon van God bent, beveel dan die stenen in broden te veranderen.’ Maar Jezus gaf hem ten antwoord: ‘Er staat geschreven: “De mens leeft niet van brood alleen, maar van ieder woord dat klinkt uit de mond van God.”’ Vervolgens nam de duivel hem mee naar de heilige stad en zette hem op het hoogste punt van de tempel. Hij zei tegen hem: ‘Als u de Zoon van God bent, spring dan naar beneden. Want er staat geschreven: “Zijn engelen zal hij opdracht geven om u op hun handen te dragen, zodat u uw voet niet zult stoten aan een steen.”’ Jezus antwoordde: ‘Er staat ook geschreven: “Stel de Heer, uw God, niet op de proef.”’ De duivel nam hem opnieuw mee, nu naar een zeer hoge berg. Hij toonde hem alle koninkrijken van de wereld in al hun pracht en zei: ‘Dit alles zal ik u geven als u voor mij neervalt en mij aanbidt.’  Daarop zei Jezus tegen hem: ‘Ga weg, Satan! Want er staat geschreven: “Aanbid de Heer, uw God, vereer alleen hem.”’ Daarna liet de duivel hem met rust, en meteen kwamen er engelen om voor hem te zorgen.

Overweging:

Een leven zonder problemen bestaat niet. Ten minste, ik kan me zo’n leven niet voorstellen, u wel? Sommige mensen zoeken die problemen juist op, en noemen het ‘uitdagingen’. Soms maken ze daar zelfs geweldige TV-programma’s van. Het is alweer even geleden, maar misschien hebt u begin dit jaar ook een aantal afleveringen gezien van de Amsterdamse rapper van Marokkaanse origine, Ali B. ‘Ali B. op volle toeren’ heette het. De uitdaging was, dat de rapper met één van zijn maten naar een oude Nederlandse volkszanger ging, en ze een liedje ruilden. Zo moest Willeke Alberti bijvoorbeeld een rapliedje omzetten naar haar stijl, en Ali B ging aan de slag met ‘spiegelbeeld’. Het geweldige en inspirerende van dat programma was de manier waarop de meesten heel serieus hun best deden om positief open te staan voor een totaal vreemde wereld, en hoe dat uiteindelijk leidde tot prachtige scènes waarin ze ontroerd naar elkaars liedjes luisterden. In die afleveringen werd iedere keer duidelijk hoe inspirerend het kan zijn, als je totaal verschillende culturen niet langer ziet als een probleem, maar als een uitdaging, iets wat je kan verrijken.

Jaren geleden ging een vriendin van mij, ze was toen een jaar of vijftig en haar laatste kind was net het huis uit - voor een paar maanden naar Australië, rondtrekken, met alleen een grote rugzak en een beetje geld, en verder niets. Ze vertelde later hoe ze de eerste de beste avond al helemaal in paniek raakte, toen bleek dat het hostel, waar ze zou logeren, vol zat. Op dat moment had ze zichzelf tot de orde geroepen, en besloot ze voortaan alles wat mis ging als een uitdaging te zien, en vrolijk te verwelkomen, vol vertrouwen op een goede afloop. Dat lukte natuurlijk niet altijd, maar heel vaak wel, en ze heeft uiteindelijk een fantastische tijd gehad, daar in Australië.
Ik ben het nooit vergeten, omdat het zo duidelijk laat zien dat het niet eens zozeer de problemen zijn, die maken dat je wel of niet een gelukkig mens bent, maar veel meer de manier waarop je ermee omgaat.

En dan is er natuurlijk ook verschil of je die uitdaging zelf opzoekt, of dat het je overkomt. Iemand die ineens ernstig ziek wordt, zal niet handenwrijvend zeggen ‘ha, mooi, een uitdaging’, die voelt zich om te beginnen hulpeloos, slachtoffer van de omstandigheden. Maar dan nóg verandert er iets op het moment dat je dat machteloze gevoel omkeert, en zegt: dit overkomt me, ik wil het zien als een uitdaging, er wordt nu een beroep gedaan op allerlei onvermoede kanten van mijn karakter: hoe ga ik om met deze ziekte, met dingen loslaten, met de invloed van pijn, noem maar op. Problemen kunnen je kapot maken, maar zie diezelfde problemen als uitdagingen en ze zullen je sterker maken, wijzer ook. Dat vraagt om te beginnen om een bepaalde vorm van acceptatie, de situatie nemen zoals die is. Het is niet de keuze tussen a) je passief neerleggen bij dat wat je overkomt en b) ertegen vechten tot je erbij neervalt: er is nog een derde weg, de weg van de acceptatie, en de uitdaging aangaan. Een uitdaging die voor ieder karakter, voor ieder probleem, weer anders zal uitpakken omdat we allemaal verschillend zijn.

In dit verband is het verhaal van Jezus in de woestijn zo bijzonder boeiend. Hij is net gedoopt, zijn bijzondere missie begint zich te ontvouwen, een nieuw leven gaat beginnen. De uitdaging is helder: zal het hem lukken om radicaal te leven naar Gods wil? Kan hij zich daaraan overgeven, ook als het lijkt alsof het tegen zijn eigen belang in gaat? En is die wil van God dan altijd zo duidelijk, of liggen er allerlei misverstanden op de loer? Welke verleidingen komen er op zijn pad? Dus hij is nog niet gedoopt, of de grote verleider staat al voor zijn neus. De duivel zelf. U weet zo langzamerhand wel dat ik nooit zo geïnteresseerd ben in de vraag of iets wel of niet ooit echt gebeurd is, maar hier ben ik toch wel geneigd om te denken dat het wel wáár is, maar niet waar-gebeurd. Het hele verhaal is namelijk zo prachtig en nauwkeurig afgestemd op de oude, overbekende Torah-geschiedenis van het joodse volk in de woestijn, dat kan geen toeval zijn.

Er is een verhalende vorm gecreëerd voor dat, wat ongetwijfeld waar is: dat er in het leven van ieder mens, dus ook in het leven van Jezus, moeilijke tijden aanbreken. Een tijd waarin je helemaal op jezelf teruggeworpen lijkt te zijn, je idealen en overtuigingen op de tocht staan, beproefd worden. Veertig dagen (veertig is het getal van de voorbereiding) zonder eten in de woestijn is daar een prachtig beeld voor. We kunnen het ook maar beter niet letterlijk navolgen, 40 dagen zonder eten en drinken, dat redt een mens niet. Maar van oudsher kent de kerk wel de vastentijd, veertig dagen lang, tot aan Pasen. Een tijd bedoeld voor zelfonderzoek, om eens een stapje terug te doen en naar je leven te kijken: doe ik de juiste dingen om de juiste redenen? Is dit wat God van me wil? Wat zijn míjn valkuilen? Veertig dagen, zegt het verhaal, trekt Jezus rond in de woestijn, vastend en biddend, hij blijft zich bewust van de Heilige Geest, die voor hem uittrekt en de weg wijst, zoals de wolkkolom dat deed, vroeger, in het oude Israël-in-de-woestijn verhaal. En zoals het volk Israel beproefd werd, wordt nu ook Jezus beproefd. De ideeën zijn ondertussen wel wat veranderd: het oude woestijnverhaal kent geen duivelse beproever, het kwam nog gewoon van binnenuit, uit de mens zelf, alle twijfel, alle weerstand. Het woestijnverhaal van Jezus is daar wat dubbel in. Aan de ene kant is het de Heilige Geest die hem de woestijn instuurt, zo bekeken is God zelf de beproever, maar dan verschijnt de duivelse figuur om er nog eens een schepje bovenop te doen, en blijft de vraag open: is er een duivel die jou van het pad af wil brengen, of doe je het uiteindelijk allemaal zelf?

Eén ding is zeker: we worden allemaal beïnvloed, ten goede en ten kwade, daar ontkomt niemand aan. Het is de grote uitdaging om dat te leren doorzien, en je eigen positie te bepalen, je eigen keuzes te maken. Dat is ook het mooie van een verhaal: dat je iets waar ieder mens dagelijks mee te maken krijgt een bepaalde vorm kan geven, in dit geval de vorm van een duivel, die je probeert te verleiden maar uiteindelijk niets kan zonder jouw medewerking. En voor dat foute doel worden dan ook nog Bijbelteksten ingezet, want ja, als het in de bijbel staat, wie ben je dan als gewoon mens om het beter te weten?
Luister je naar anderen, laat je je zonder er verder bij na te denken overtuigen door bepaalde autoriteiten, of is er een andere, interne basis, laat je je leiden door de Heilige Geest, die in je woont?

En dan komen in het verhaal de beproevingen. Jezus ervaart het als de leiding van de Heilige Geest, die hem ertoe brengt om in de woestijn te gaan vasten. Resultaat: vreselijke honger. Dat als de uitdaging zien. Het accepteren. Niet op eigen houtje de situatie willen veranderen. Dit is Gods wil, ik doe het ermee. De duivel krijgt geen voet tussen de deur, met zijn voorstel om zelf in te grijpen en desnoods stenen in brood te veranderen: Jezus is vastbesloten, hij vertrouwt volledig op God.

Prompt wordt dat vertrouwen de volgende uitdaging: laat je maar vallen. Je hoeft zelf helemaal niets te doen, complete passiviteit, God doet alles. Jezus trapt er niet in. ‘Gods wil doen’ is iets anders dan helemaal niets doen.

Het gaat om de juiste afstemming, en dus ligt de laatste beproeving op dit terrein: wie of wat geef je de macht over je leven. Jezelf? Dan valt er van alles te winnen, dat weten we allemaal. Maar ja, wat baat het een mens om de hele wereld te winnen, als je schade leidt aan je ziel. Het is niet voor niets de derde en zwaarste beproeving: macht is een geweldige verleiding voor ieder mens. Stel je voor, dat Jezus hier ‘ja’ gezegd had. Hij had alle oorlog kunnen verbieden, elke gekke dictator de laan uit kunnen sturen, mensen kunnen dwingen tot eerlijk delen… hij had precies kunnen doen wat tot op de dag van vandaag veel mensen God verwijten dat hij dat juist nalaat: ingrijpen. Een betere wereld creëren. Een kleine buiging richting duivel was voldoende geweest, wat stelt dat nou voor. Een mens moet compromissen kunnen sluiten, nietwaar, ten behoeve van een groter doel. Maar macht is uiteindelijk niet de weg. Liefde is de weg, en je kunt mensen nu eenmaal niet dwingen tot een leven in liefde. Hoogstens zelf het goede voorbeeld geven.

En dan gebeurt er nog iets bijzonders in het verhaal: Jezus beveelt de duivel om weg te gaan. Op het moment dat hij de beproevingen heeft doorstaan, weet wat hij wil, hoe hij het wil en waarom, heeft hij blijkbaar de macht om zich aan de negatieve invloeden te onttrekken, en komen onmiddellijk de engelen om hem te dienen, oftewel: komt hij helemaal in het licht van de liefde te staan en krijgt hij alle steun die hij nodig heeft. Ik wil u zometeen een lied laten horen, gezongen door Deva Premal en haar partner Miten, die juist dat moment prachtig op muziek hebben gezet. Het zijn eigenlijk twee liederen in één, het eerste in het engels, bezingt de mensheid gezien in het licht van de liefde, het tweede lied in het sanskriet is een bede om genezing. Dit is de tekst:
*In the light of love we are home  (in het licht van de liefde zijn wij thuis)
In the light of love we heal and sing (in het licht van de liefde helen we en zingen we)
Thy will be done (uw wil geschiede).
Amen.

*CD Deva Premal & Miten in concert - In the light of love
 

Viering Elthetokerk zondag 27 februari 2011

Tekst bij het aansteken van de kaars:
van: Nisargadatta Maharaj (uit: ‘de weg naar verandering’ van Wayne W. Dyer)

Wijsheid is weten dat ik niets ben,
liefde is weten dat ik alles ben,
en tussen die twee speelt mijn leven zich af.
 

Schriftlezing Lucas 17: 1-10
Tegen zijn leerlingen zei Jezus: “Het is onvermijdelijk dat er mensen ten val worden gebracht, alleen: wee degene die daarvoor verantwoordelijk is! Het zou beter voor hem zijn als hij met een molensteen om zijn hals in zee werd geworpen dan dat hij ook maar één van deze kleingelovigen ten val zou brengen. Let dus goed op jezelf! Indien je broeder zondigt, spreek hem dan ernstig toe; en als hij berouw heeft, vergeef hem. En als hij zevenmaal op een dag tegen je zondigt en zevenmaal naar je terugkeert en zegt: “Ik heb berouw,” dan moet je hem vergeven.”
Toen zeiden de apostelen tegen Jezus: “Geef ons meer geloof!” Hij zei: “Als jullie geloof hebben als een mosterdzaadje, zouden jullie tegen die moerbeiboom zeggen: “Ontwortel je en plant je in de zee!,” en hij zou jullie gehoorzamen.
Als iemand van jullie een knecht heeft die ploegt of de kudden weidt, zal hij toch niet tegen hem zeggen, wanneer hij thuiskomt van het land: “Ga maar meteen aan tafel”; zal hij niet veel eerder tegen hem zeggen: “Maak iets te eten voor me klaar, omgord je en bedien me terwijl ik eet en drink, en daarna kun je zelf eten en drinken”? Hij bedankt de knecht toch niet omdat die gedaan heeft wat hem is opgedragen? Hetzelfde geldt voor jullie; wanneer jullie alles gedaan hebben wat jullie is opgedragen, zeg dan: “We zijn alleen maar dienstknechten, we hebben gedaan wat we verplicht zijn te doen.”
 

Overweging:

Lieve mensen, het was even zoeken naar een geschikte datum, maar vanmorgen mogen we dan samen het avondmaal vieren. We gaan zichtbaar en tastbaar iets delen, brood en wijn, en dat is niet zomaar een hapje en een drankje, daar zit een betekenis achter. Hoe diep die betekenis is, dat kan ik met mijn verstand niet helemaal peilen. Dat is gelukkig geen domheid van míj, dat hoort gewoon zo, daarom is het ook een symbool. Symboliek reikt altijd verder dan je verstand, verder dan woorden kunnen reiken. Dat is voor mij ook de reden, waarom ik altijd weer een beetje aarzel om bij het avondmaal de eeuwenoude inzettingswoorden te vervangen door wat mo-dernere taal. Ik doe het meestal wel, maar het blijft behelpen, alsof je met elke verduidelijking ook iets kwijt raakt, iets van het weerbarstige, iets van het mysterie. Ik ben zelf opgegroeid met die geheimzinnige zinnen ‘het brood, dat wij breken, is de gemeenschap met het lichaam van Christus. Neemt, eet, gedenkt en gelooft, dat het lichaam van onze Here Jezus Christus gegeven is tot een volkomen verzoening van al onze zonden’. Dat laatste deel is afkomstig uit de reformatie, het eerste, ‘het brood dat wij breken is de gemeenschap met’ is gebaseerd op een uitspraak van Paulus in de brief aan de Korintiërs: daarin zegt hij (in de nieuwe vertaling) ‘Maakt de beker waarvoor wij God loven en danken ons niet één met het bloed van Christus? Maakt het brood dat wij breken ons niet één met het lichaam van Christus? 17 Omdat het één brood is zijn wij, hoewel met velen, één lichaam, want wij hebben allen deel aan dat ene brood.’

Mooi, hoe Paulus daarin de vragende vorm gebruikt. En, opval-lend, helemaal niet praat over verzoening van onze zonden, het gaat hem om de éénheid, of, in die mooie oude term, om de ‘gemeenschap’. De drie evangelisten weiden ook maar een paar zinnen aan de instelling van het avondmaal. En praten nergens over ‘verzoening’. Lucas zegt bijvoorbeeld:

En hij nam een brood, sprak het dankgebed uit, brak het brood, deelde het uit en zei: ‘Dit is mijn lichaam dat voor jullie gegeven wordt. Doe dit, telkens opnieuw, om mij te gedenken.’ Zo nam hij na de maaltijd ook de beker, en zei: ‘Deze beker, die voor jullie wordt uitgegoten, is het nieuwe verbond dat door mijn bloed gesloten wordt.

Ze zijn het wel eens over de symboliek van het brood dat ge-deeld wordt, en verwijst naar het lichaam van Jezus, en de wijn, die verwijst naar zijn bloed. Dat bloed klinkt (of klonk ons vroeger) altijd wel erg dramatisch in de oren, maar we moeten niet vergeten dat in die tijd het bloed gold als de levensdrager: bloed is dus synoniem aan het leven. Daarom wordt die wijn, symbool van het leven, ook aan het nieuwe verbond gekoppeld: het leven wordt doorgegeven, het zal niet stoppen met de dood, het gaat hier om een eeuwig verbond tussen God en mens. Ten slotte is het alleen Matteüs die alles uit laat lopen, niet op ‘verzoening’, maar op de ‘vergeving van zonden’. Het wordt niet uitgelegd. Misschien wil Matteüs vooral benadrukken dat we niet bang hoeven te zijn dat er ook maar iets in de weg zal blijven staan, we mogen de verbinding telkens opnieuw vie-ren, elke avondmaalsviering is er een teken van.

Ik wil graag, samen met u, straks de oeroude woorden van Lu-cas herhalen, in het besef dat we het niet helemaal begrijpen.  Dat die gemeenschap met elkaar, met Christus, die vergevende eenheid waar wij deel van uit mogen maken, boven ons verstand, boven onszelf, uitstijgt, en dat dat ook de bedoeling is. Het helpt ons om te blijven zoeken. Te groeien, in die liefdes-eenheid, waar we een vaag vermoeden van hebben, waar we tekenen van te zien krijgen, zoals hier het teken van het avondmaal.

Het is altijd weer een bijzonder moment, zo’n viering. Daar staan we dan, om die tafel, zoveel verschillende mensen, met bijna even zoveel verschillende ideeën, overtuigingen, achter-gronden..... om de eenheid te vieren. Wat brengt ons hier nou eigenlijk bij elkaar? Ik denk, dat er wel iets is, wat we met elkaar delen, wat ons tot een eenheid maakt. Allereerst God, die liefde is. Dat is de basis, de grond waarop we staan. De liefde is de gemeenschappelijke grond - het zoeken naar Waarheid, en dan bedoel ik “Waarheid” met een hoofdletter,  brengt ons bij elkaar in een "eenheid in verscheidenheid". Samen zoeken. Samen bezig zijn, met de vragen van het leven, de vragen rond geloof, samen vieren, dát we er weet van hebben, van wat boven ons is, ook al weten we niet alles..... we kunnen het wel ervaren, elkaar verder helpen......

Kortom, kerk is een mooi iets. Deze kerkgemeenschap, deze “eenheid in verscheidenheid”, probeert het dan toch maar, en we maken het onszelf niet gemakkelijk. Waar vind je een gemeente met zoveel verschillen, waar tóch naar elkaar geluisterd wordt, waar iedereen er mag zijn, serieus genomen wordt? Soms denk ik bijna dat het gewoon is, maar dat is het niet. Regelmatig krijgen kerkmensen een kerkelijke leer voorgeschreven onder het motto: ”zo is het, en niet anders, en als je het daar niet mee eens bent, dan hoor je er niet bij”. Dat is een ander soort eenheid, een eenheid gebaseerd op één kerkelijke leer, of belijdenis, die je allemaal deelt. Toch krijgen steeds meer mensen oog voor de vele verschillende wegen, die God met mensen gaat, en respecteren we elkaar daarin, we vinden elkaar in het zoeken, en ook in het weten dat ons dóel uiteindelijk hetzelfde is. Toen we het laatst in een groep hadden over de vele verschillende manieren, waarop we Jezus zagen, zei iemand: ik vind het altijd een heel rustgevend idee, dat Jezus Christus gewoon IS en blijft wie hij is – wát wij daar ook over zeggen, en hoe we daar ook over van mening verschillen...

Jezus Christus, God – ze zijn en blijven wie ze zijn. Dat is gelukkig niet van ons -, onze ideeën en onze theologie afhankelijk. Wij zijn alleen maar op zoek, op weg, en wee degene die een ander op die weg ten val brengt: tenminste, dat zegt Lucas, in het stuk dat we gelezen hebben. Dat betekent: niet roe-pen dat de ander het niet snapt, nog niet ‘zo ver’ is, maar luisteren, en samen proberen een stapje verder te komen. Want samen vormen we één gemeenschap, allen verschillende leden van één lichaam, zoals Paulus dat zo mooi omschrijft. Heel ver-schillend, maar ze hebben elkaar nodig om één lichaam te vormen.

Ik zei het al: dat is niet gemakkelijk. Vóórdat zo’n lichaamsdeel - een oog bijvoorbeeld, snapt hoe een grote teen in elkaar zit – en toe wil geven dat ze een éénheid vormen! De leerlingen verzuchten al tegen Jezus: Heer, geef ons meer geloof! Wat nou, meer geloof, zegt Jezus, geloof zo klein als een mosterdzaadje is al voldoende! Eerlijk gezegd heb ik deze tekst altijd verkeerd begrepen. Ik dacht, dat hier bedoeld werd, dat we helemaal geen geloof hebben, want hadden we maar een heel klein beetje, dán...
Maar dat staat er dus helemaal niet. De leerlingen vragen om méér geloof! Ze geloven dus wel degelijk, maar ze denken zelf dat het niet genoeg is, dat er nog iets bij moet.... en dát ontkent Jezus. Het piepkleinste beetje is al genoeg, daar zit al genoeg kracht in om het meest onmogelijke mogelijk te maken.

Die enorme kracht in dat piepkleine spreekt me wel aan. Wij geloven dat ook maar niet zo, één twee drie. We geloven hoogstens, dat die kracht zou kunnen groeien, als we meer geloof krijgen, meer leden, meer geld, meer van alles, eigenlijk. En ik ben daar natuurlijk helemaal vóór. Maar soms zit je ineens in een fase waarin alles alleen maar kleiner lijkt te worden. Dan is het helemáál belangrijk om te weten dat het dáár niet van af-hangt. De kracht ís en blijft. Zelfs in het piep-kleinste beetje geloof, in een klein groepje mensen dat avondmaal viert, vastbesloten om te blijven geloven, te blijven vertrouwen… zit blijk-baar al een enorme kracht verborgen, een kracht die onvoorstelbare mogelijkheden biedt.

Straks is het zo ver. We eten een stukje brood – en drinken een slokje wijn. Dit is mijn lichaam, zegt Jezus dan, dit is mijn bloed. Daar mogen wij in delen. We zijn niet zó maar een groepje mensen, we vormen een eenheid, met elkaar, met Christus – in zijn kracht - en de onze. Amen.
 
 
 
 


 
 

Viering Elthetokerk zondag 13 februari 2011
Doop Joanne Bodewes

Kaars aansteken, tekst: (door Marianne Veldhoen, moeder van Joanne)
Joanne, Je hebt al een naam,
maar je krijgt er één bij op dit feest,
want jij wordt gedoopt in
de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Verbonden met vader en moeder,
natuurlijk het meest met die twee,
maar ook met de andere mensen,
vier jij hier dit feest met ons mee.

Je bent al een tijdje bij mensen,
je naam is bij ons al vertrouwd,
en dus is het tijd om te vieren,
dat God die je kent van je houdt.

Nu mag je gaan leven met mensen,
verbonden in liefde en trouw,
omdat zij vandaag bij dit dopen
Gods Naam leggen naast die van jou.

Eerste lezing: (uit ‘over liefde’ Krishnamurti, blz. 48 / Bombay, 12/3/1950
(Het Engelse woord ‘mind’ hier vertaald met ‘geest’ heeft ook de bredere betekenis van verstand, emotie)

Liefde is absoluut niet iets van de geest. Omdat ons hart vol is van de dingen van de geest, kennen wij geen liefde. De dingen van de geest zijn jaloezie, afgunst, ambitie, het verlangen iemand te worden, succes te hebben. Van deze dingen is uw hart vervuld en dan zegt u dat u liefhebt. Maar hoe kunt u liefhebben als al deze storende zaken in uzelf aanwezig zijn? Als er rook is, hoe kan er dan zuiver vuur zijn? Liefde is niet iets van de geest en liefde is de enige oplossing voor onze problemen. Liefde is niet van de geest, en de mens die geld of kennis vergaart, kan de liefde niet leren kennen, want hij leeft met de dingen van het verstand; zijn handelen komt voort uit zijn denken en bij alles wat hij aanraakt, schept hij problemen, wanorde en ellende.
Wat wíj liefde noemen, is dus iets van de geest. Sla uzelf gade en u zult zien dat wat ik zeg overduidelijk de waarheid is, anders zou uw leven, uw huwelijk, uw relatie er geheel anders uitzien - we zouden een nieuwe samenleving hebben. Liefde brengt niet bij elkaar, past niet aan; zij is persoonlijk noch onpersoonlijk. Liefde is een zijnstoestand. Wie ernaar verlangt op te gaan in iets groters, wie zichzelf wil verenigen met een ander, probeert ellende en verwarring te ontlopen - zijn geest is nog steeds afgescheiden, nog steeds ontaard. Liefde kent geen samengaan en ook geen uiteenvallen; zij is niet persoonlijk en niet onpersoonlijk. Liefde is een zijnstoestand die door de geest onmogelijk gekend kan worden -  de geest kan beschrijven, benoemen, maar het woord, de beschrijving, is niet de liefde.
Alleen wanneer de geest stil is, kan hij de liefde leren kennen en die toestand van stilte is niet iets dat u kunt cultiveren. Cultivering is nog steeds een daad van de geest; discipline is nog steeds een product van het denken en een geest die gedisciplineerd is, beheerst, onderworpen, een geest die weerstand biedt, die verklaringen geeft, kan geen liefde kennen. U kunt erover lezen, of luisteren naar wat er over liefde wordt gezegd, maar dat is geen liefde. Alleen wanneer u de dingen van de geest aan de kant zet, is er liefde. Dan zult u weten wat het wil zeggen lief te hebben zonder uit te sluiten, zonder afstand te scheppen, zonder tijd, zonder angst - en dat is niet het voorrecht van de enkeling. Liefde kent geen hiërarchie; er is alleen liefde. Wanneer u liefhebt, bestaat er geen ‘u’ en ‘ik’. In die toestand is er alleen vuur, zonder rook.

Tweede schriftlezing: De liefde 1 Corinthiërs 13
Al sprak ik de talen van alle mensen en die van de engelen –
had ik de liefde niet, ik zou niet meer zijn dan een dreunende gong of een schelle cimbaal.
Al had ik de gave om te profeteren en doorgrondde ik alle geheimen,
al bezat ik alle kennis en had ik het geloof dat bergen kan verplaatsen
had ik de liefde niet, ik zou niets zijn.
Al verkocht ik mijn bezittingen omdat ik voedsel aan de armen wilde geven,
al gaf ik mijn lichaam prijs en kon ik daar trots op zijn –
had ik de liefde niet, het zou mij niet baten.
De liefde is geduldig en vol goedheid.
De liefde kent geen afgunst,
geen ijdel vertoon
en geen zelfgenoegzaamheid.
Ze is niet grof en niet zelfzuchtig,
ze laat zich niet boos maken
en rekent het kwaad niet aan,
ze verheugt zich niet over het onrecht
maar vindt vreugde in de waarheid.
Alles verdraagt ze, alles gelooft ze, alles hoopt ze, in alles volhardt ze.
De liefde zal nooit vergaan.
Profetieën zullen verdwijnen,
klanktaal zal verstommen,
kennis verloren gaan –
want ons kennen schiet tekort en ons profeteren is beperkt.
Wanneer het volmaakte komt zal wat beperkt is verdwijnen.
Toen ik nog een kind was sprak ik als een kind,
dacht ik als een kind,
redeneerde ik als een kind.
Nu ik volwassen ben heb ik al het kinderlijke achter me gelaten.
Nu kijken we nog in een wazige spiegel,
maar straks staan we oog in oog.
Nu is mijn kennen nog beperkt,
maar straks zal ik volledig kennen,
zoals ik zelf gekend ben.
Zo blijven dan geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan is de liefde.

Overweging:
‘Zo blijven dan geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan is de liefde.’ Dit wordt straks de dooptekst voor Joanne, en is tegelijk ook het thema van deze preek. Een thema waarin wij allemaal, stuk voor stuk, onze eigen expert zijn, dat maakt het wat lastig. Geloof, dat vul je op je eigen manier in. Ik denk niet dat er twee mensen te vinden zijn, die op exact dezelfde manier geloven - zeker niet in Nederland, en nóg zekerder niet in de Alblasserwaard. Maar dan praten we over de vorm, over de overtuigingen, en als we Krishnamurti moeten geloven, gaat het daar uiteindelijk niet om. Het gaat, zegt hij, om een ‘zijnstoestand’: het Griekse woord voor ‘geloven’, ik zeg het nog maar een keer, stamt af van het woord ‘vertrouwen’ en bij vertrouwen kan je je ook beter voorstellen wat er met zo’n ‘zijnstoestand’ bedoeld wordt. Een leven in vertrouwen.

Nu kan je niet zomaar op een dag wakker worden en besluiten dat je voortaan in vertrouwen gaat leven. Vertrouwen is niet los verkrijgbaar, er hangt van alles omheen. Hoop bijvoorbeeld. Hoop is vertrouwen op de toekomst. Ja, je kan natuurlijk op allerlei onzinnige manieren hoop koesteren, zo hoop ik iedere maand dat ik nu toch wel een keer de hoofdprijs in de staatsloterij zal winnen - maar in werkelijkheid vertoont zo’n prijs meer overeenkomst met die plak ontbijtkoek uit de reclame, die steeds net buiten je bereik blijft hangen. Ik weet dat ik in de maling genomen word, en toch blijf ik blijmoedig meedoen. Dat is dus geen hoop, dat is een spelletje spelen met je dromen. Waar niks op tegen is. Maar de ‘hoop’ waar het in de bijbel over gaat, is een ander soort hoop. Het is een onderdeel van die zijnstoestand, onderdeel van het vertrouwen, maar dan vertrouwen op de toekomst - en die twee samen vormen weer een onderdeel van dat alles overkoepelende  geheel: de liefde.

De liefde. Volgens Krishnamurti kunnen we er eindeloos over blijven praten, en ondertussen nog geen flauwe notie hebben van wat het eigenlijk is. Ik denk dat hij op dat terrein een beetje overdrijft. We hebben allemaal wel een - meer of minder vage - notie van wat liefde is. Maar - en daar ben ik het met Krishnamurti eens - ik denk ook dat er niet zo veel mensen zijn die vaak ervaren wat zuivere liefde is, en de mensen die daarover vertellen zeggen er altijd bij dat het maar heel kort geduurd heeft. Een minuutje. Een kwartier misschien. Ze verliezen op zo’n moment ieder besef van tijd, ze stijgen als het ware boven hun aardse zelf uit. Ze noemen het een godservaring, of een verlichtingservaring, en zijn het erover eens dat er geen woorden voor zijn om het te beschrijven. Dat komt, omdat je gewone verstand even in de wachtstand komt te staan. Zodra dat weer mee gaat doen, is het gedaan met de zuiverheid, en komen er weer allerlei vragen, oude beelden, oude frustraties zelfs, doorheen wandelen, die allemaal aandacht en energie vragen. Waar rook is kan geen vuur zijn. Op dat hoogste niveau van de liefde is er ook altijd sprake van eenheid. Je bent niet meer gescheiden, niet meer alleen, je bent verbonden met alles, je wéét alles. Deze ervaringen vormen eigenlijk telkens weer de basis van de godsdienst: hier komen al die lessen terug in het gewone leven, maar helaas, hier raken ze ook vermengd met al die aardse tekortkomingen, lees er dat hoofdstuk uit de eerste brief aan de Korintiërs nog maar eens op na, waar Paulus zo poëtisch zijn best doet om uit te leggen wáár het allemaal fout kan gaan in de liefde, wat het allemaal níet is, maar ook wat het dan wèl is.

Ondertussen zullen we het met die beperkte, aardse liefde moeten doen. Het biedt nog genoeg uitdagingen, dat is het mooie aan die beperktheid. Groeien in de liefde is iets wat je een leven lang kan blijven doen. Er zit ook een bepaalde golfbeweging in: als kind kon je het vaak beter dan als volwassene. Krishnamurti, maar ook een man als Eckhart Tolle, wijt dat aan de groeiende invloed van ons denken, de akelige ervaringen die in zich in de loop van ons leven in ons geheugen hebben vastgezet, en die ons ertoe brengen om muurtjes om onze ziel te bouwen, we willen niet dat anderen ons nog pijn doen, heel begrijpelijk, maar met die muurtjes sluit je jezelf ook op, kan je niet echt meer in liefde verbonden zijn met anderen. En met die liefde, verdwijnen ook de hoop en het vertrouwen. Let maar eens op, hoeveel mensen om je heen altijd maar aan het mopperen zijn, op de regering, de toestand van de wereld, de buren, het weer - het máákt niet uit - of zich heel serieus en betrokken grote zorgen maken, of bijna doorlopend bezig zijn met alle narigheid die henzelf of anderen overkomt. In plaats van te groeien in de liefde ga je de andere kant op, en groei je in wantrouwen en in hopeloosheid. En daar wordt een mens niet gelukkig van.

Stel dat je dat door hebt, en dat je besluit dit proces te keren. Je te bekeren, zou de bijbel zeggen. Hoe pak je dat dan aan? Krishnamurti heeft een simpel antwoord. Zo simpel, dat we niet geloven en zelfs niet begrijpen hoe dat waar zou kunnen zijn. Laat je geest helemaal stil worden, zegt hij, en dan kom je vanzelf in die zijnstoestand van de liefde. Hij promoot geen methode, ook geen vorm van godsdienst trouwens, want dat is allemaal nog steeds het werk van een actieve geest. Pas als de geest helemaal stil wordt, kan de hogere werkelijkheid zich aandienen. Groeien in de liefde is dan om te beginnen groeien in de liefde voor jezelf, voor alles wat er in jou leeft. Zolang je strijd voert in jezelf kan het daar onmogelijk stil worden.

De bijbel voegt hier een extra dimensie aan toe. Groeien in de liefde, zegt Jezus, doe je niet alleen. Daar helpt God bij. Mensen kunnen elkaar opzoeken in religieuze verbanden, en ook elkaar daarbij helpen. Er zijn rituelen, die op een bepaalde manier vorm geven aan die groei, laten zien waar het naar toe gaat: naar verbondenheid die boven het aardse uitreikt tot in de eeuwigheid. Zo’n ritueel is bijvoorbeeld de doop. Joanne heeft dat misschien niet helemaal bewust, maar toch goed gezien. Ze besloot dat ze gedoopt wilde worden tijdens een ander ritueel, namelijk bij de gedachtenisdienst, waarbij we voor iedere overledene een kaars aansteken. De kinderen brachten om de beurt een bloem naar voren. Op dat moment besefte ze dat we allemaal met elkaar verbonden zijn, levend of gestorven, in liefde, in God. En een teken van dat grote liefdesverbond is de doop. Eerlijk gezegd geloof ik niet dat ik Joanne op het gebied van de liefde veel moet leren - maar ik geloof zeker dat we op dat terrein van háár veel kunnen leren. Ze houdt er geen ingewikkelde theologieën op na, ze laat zich simpelweg leiden door drie dingen. Geloof, hoop en liefde. Deze drie, maar de grootste daarvan is de liefde. Amen.

Inleiding op de doop, speciaal voor de negenjarige Joanne:

Vandaag gaan we Joanne dopen. De doop is een teken van liefde: je bent niet alleen op de wereld, je hoort niet alleen bij je ouders en familie en vrienden, maar je hoort ook bij de kerk, en bij God.

Bij de doop wordt de naam van God in drie namen, die van ‘vader’ ‘zoon’ en ‘heilige geest’ verbonden met jouw naam. Die eerste, ‘vader’, hoort bij God. We noemen hem vader, omdat we alles aan hem te danken hebben, en omdat God als een vader van ons houdt en voor ons wil zorgen en wil helpen als we bang zijn. Met de ‘zoon’ bedoelen we Jezus Christus, die hier op aarde lang geleden liet zien hoe mensen en God bij elkaar horen. De ‘heilige geest’ kan je misschien wel vergelijken met een soort telefoonlijn, met jou aan de ene kant en God aan de andere. Die telefoonlijn zorgt dan voor een goede verbinding.

Bij de doop gebruiken we water. Daarmee doen we net alsof we je een beetje wassen, alsof alles wat naar en moeilijk is met dat water wegstroomt en je weer helemaal schoon en vrolijk kan zijn, omdat je nu nog beter weet dat jij bij God hoort, en dat God altijd van je zal houden en je nooit in de steek zal laten.

 
Viering Elthetokerk 30 januari 2011

Tekst bij het aansteken van de kaars:
Wie als volwassene alle fantasieën die hij in zijn jeugd over het geluk heeft gekoesterd wil behouden, wordt nooit een wijs en tevreden mens. Werkelijk leven wil zeggen: bewust verwezenlijken en bewust ergens van afzien, veroveren en afscheid nemen, geluk ervaren en lijden. (Philipp Metman)

Eerste schriftlezing: Exodus 2:1-10
Een man uit de stam Levi trouwde met een vrouw uit diezelfde stam. Zij werd zwanger en bracht een zoon ter wereld. Het was een mooi kind en ze hield het verborgen, drie maanden lang. Toen ze geen kans zag haar zoon nog langer verborgen te houden, nam ze een mand van papyrus, bestreek die met pek en teer, legde het kind erin en zette de mand tussen het riet langs de oever van de Nijl. De zuster van het kind ging een eind verderop staan, om te zien wat er met hem zou gebeuren. Even later kwam de dochter van de farao naar de Nijl om te baden, terwijl haar dienaressen langs de rivier heen en weer liepen. Zij ontdekte de mand tussen het riet en liet die door één van haar slavinnen halen. Ze maakte de mand open en zag daarin het kind. Het jongetje huilde, en vol medelijden zei ze: ‘Dat moet een Hebreeuws kind zijn.’ Toen kwam de zuster van het kind haar vragen: ‘Zal ik bij de Hebreeuwse vrouwen een voedster gaan zoeken om het kind voor u te voeden?’ ‘Ja, doe dat,’ antwoordde de dochter van de farao, waarop het meisje de moeder van het kind ging halen. De dochter van de farao zei tegen de vrouw: ‘Neem dit kind mee en voed het voor me. Ik zal u ervoor betalen.’ De vrouw nam het kind mee en voedde het. Toen het groot genoeg was, bracht ze het naar de dochter van de farao. Deze nam het kind aan als haar eigen zoon. Ze noemde hem Mozes, ‘want,’ zei ze, ‘ik heb hem uit het water gehaald.’

Tweede schriftlezing Marcus 2 : 1-12
Toen Jezus enkele dagen later terugkwam in Kapernaüm, werd bekend dat hij weer thuis was. Er kwamen zoveel mensen toestromen dat er zelfs voor de deur geen plaats meer was, en hij verkondigde hun de heilsboodschap. Er werd ook een verlamde naar hem toe gebracht, die door vier mensen gedragen werd. Omdat ze zich niet door de menigte konden wringen, haalden ze een stuk van het dak weg boven de plaats waar Jezus zat, en toen ze een opening hadden gemaakt, lieten ze de verlamde op zijn draagbed naar beneden zakken. Bij het zien van hun geloof zei Jezus tegen de verlamde: ‘vriend, je zonden zijn je vergeven.’
Er zaten ook een paar schriftgeleerden tussen de mensen, en die dachten bij zichzelf: ‘Hoe durft hij dat te zeggen? Hij slaat godslasterlijke taal uit: alleen God kan immers zonden vergeven!’ Jezus had meteen door wat ze dachten en dus zei hij: ‘waarom denkt u zoiets? Wat is gemakkelijker, tegen een verlamde zeggen: ‘je zonden zijn je vergeven’, of: ‘sta op, pak je bed en loop’? Ik zal u laten zien dat de Mensenzoon volmacht heeft om op aarde zonden te vergeven’ – en toen zei hij tegen de verlamde: ‘Ik zeg je, sta op, pak je bed en ga naar huis.’ Meteen stond hij op, pakte zijn bed en ging weg; allen die dit zagen, stonden versteld en loofden God. ‘Zoiets hebben we nog nooit gezien,’ zeiden ze.

Overweging:
Op deze zondagen tussen kerst en de voorbereiding op Pasen, is het al eeuwenlang de gewoonte om stil te staan bij de gebeurtenissen rond het allereerste optreden van Jezus. Daar horen ook vaak de verhalen uit Exodus bij, verhalen over de voorbereiding op de bevrijding van het volk Israël, net zoals het begin van het evangelie een voorbereiding vormt. Daar, in het oude Israël, was het Mozes, die het volk zou gaan leiden, nu is het Jezus. De mensen stromen toe om zijn woorden te horen, het huis is te klein, ze staan te dringen voor de deur –  wat vinden ze daar eigenlijk, bij Jezus, wat hópen ze te vinden, en, als het gaat om bevrijding, wáár willen deze mensen dan van bevrijd worden, en, om die vraag nog maar even door te trekken – wáár willen wíj eigenlijk van bevrijd worden, hier, in de kerk van vandaag?

Nu is het met die oude bevrijding uit Egypte tenminste nog allemaal lekker concreet – van het biezen mandje dat uit de Nijl wordt gevist tot aan het beloofde land Israël – de bevrijding die Jezus verkondigt is een stuk moeilijker te pakken. We moeten het maar opmaken uit de verhalen van toen, of uit onze eigen ervaringen nu – het gaat, blijkbaar, veel meer om een innerlijke bevrijding, en die is misschien wel net zo gevarieerd als er mensen zijn – we hebben allemáál zo onze eigen gevangenissen. En bij zo’n ínnerlijke bevrijding loop je ook nog altijd het gevaar dat ánderen gaan dicteren waar jíj van bevrijd zou moeten worden – héél gevaarlijk is dat. Hier, in het Bijbelse verhaal, wordt de bevrijding gelukkig weer eens concreet zichtbaar gemaakt. Het gaat om vijf vrienden, waarvan er één verlamd is. De andere vier brengen hem naar Jezus – en Jezus, staat er dan, heeft oog voor hun geloof. Dit is dus, volgens Jezus, geloof – en dat geloof heb je nodig, anders komt die bevrijding er nooit - laten we dat even goed in de gaten houden – dit is geloof, dat je niet berust, je niet laat beheersen door welke verlamming dan ook, er niet hoofdschuddend bij gaan zitten omdat er toch niks aan te doen is – nee, geloof is: hoop, vertrouwen, en in beweging komen, richting bevrijding gaan. Iets DOEN. En deze vier mannen hoefden geen plan te bedenken om alle verlamden van de wereld weer op de been te krijgen – nee, ze deden gewoon wat zij, op dat moment, in hun situatie, kónden doen. En ze lieten zich niet uit het veld slaan door al die mensen die niet van hun plaats te krijgen waren, ze zochten hun eigen weg, hun eigen oplossing. Heel leerzaam vind ik dat. Vooral in deze tijd, waarin we met alle spanningen in de wereld toch ook weer extra geneigd zijn om in een soort verlamming te raken – want wat kunnen we er aan doen? We kunnen het toch alleen maar lijdzaam over ons heen laten komen, en hoogstens hopen dat het weer goed komt?

Ik wil eigenlijk niet geloven, dat daarmee alles gezegd is. Ik geloof eerder, dat iedere daad van mensenliefde, hoe klein ook, ten slotte toch bijdraagt aan de wereldvrede, aan bevrijding. Ieder mens kan íets doen, al lijkt het ook nog zo minimaal. Al is het maar, zoals die verlamde in het verhaal, die zijn vier vrienden wist te inspireren om hem met zijn matje op te pakken en bij Jezus te brengen.

Ze kwamen over het dak, die mannen, maakten een gat en lieten hun vriend naar beneden zakken. Ik kan me daar eerlijk gezegd niet zo veel bij voorstellen. Ik bedoel – dat mérk je toch, als er een gat in het plafond wordt gemaakt?? Of heeft Jezus een seintje gegeven aan de mensen om hem heen, dat ze zich even niets aan moesten trekken, van die slopers daar boven hun hoofd? Of wil Marcus nog iets ánders benadrukken, moeten we het meer in de symboliek zoeken, is die richting belangrijk, van boven naar beneden, voor de voeten van Jezus? Dat zou wel passen bij die andere vraag, die door dit verhaal speelt, de vraag van de schriftgeleerden. Hier, voor hun neus, staat een man van vlees en bloed, zo aards als maar kan, die praat over bevrijding, over de tijd van God, die is aangebroken, en die dan zomaar zegt ‘vriend, je zonden zijn vergeven’. Zo beginnen ‘boven’ en ‘beneden’ wel heel gevaarlijk door elkaar te lopen! Een méns die zonden vergeeft – Dat is natuurlijk ongehoord, dan doe je alsof je God zelf bent! Je zou nu verwachten, dat Jezus hun opwinding begrijpt -  het ís ook ongehoord wat hij doet! - dat hij misschien iets gaat zeggen over zijn status, over hoe hij niet alleen mens maar ook zoon van God is – maar dat gebeurt helemaal niet, dat is waarschijnlijk meer de kerkse theologie dan de zijne. Het enige wat hij zegt is: ‘ik zal u laten zien dat de MENSENZOON volmacht heeft om op aarde zonden te vergeven’.

Mensenzoon. Hij legt er dus juist extra de nadruk op, hoe hij, een mensenkind, deze macht ontvangen heeft. Marcus gebruikt die term ‘mensenzoon’ pas veel later heel regelmatig, als het gaat om het lijden van Jezus, lijden dat hij als mens moest ondergaan. Maar hier gaat het om de mácht, die hij als mens heeft meegekregen. De macht om te bevrijden, te helen, te genezen, lichamelijk én geestelijk, hij, de mensenzoon, mens, net als wij, vriend en broeder van ons allemaal. De beweging van die verlamde, van het dak naar beneden, naar de aarde, voor de voeten van de mensenzoon, om gered te worden uit zijn verlamming, benadrukt datzelfde thema nog eens. Het moet voor iedereen compleet nieuw en verrassend zijn geweest – en voor de meesten van hen waarschijnlijk ook compleet onbegrijpelijk. Zeker voor de schriftgeleerden, die zo gewend waren om juist de andere richting te gaan: opkijken naar de hemel, bidden tot God, je áfkeren van de geneugten des levens, vasten, lezen in de Tora…

We hebben het er zelf, de hele christelijke geschiedenis door, ook moeilijk mee gehad. We kregen de ‘twee naturenleer’ : Jezus is volledig God en volledig mens. Mooi gezegd, maar in de praktijk blijkt, dat er toch al gauw een keuze gemaakt wordt. De één gelooft dat Jezus Gods zoon was, de ander dat Jezus een gewoon mens is geweest. Dat het allebei waar zou kunnen zijn, kunnen we ons niet echt voorstellen. En zelfs voor degene die aan alle twee recht probeert te doen, en zegt dat Jezus, Gods zoon, als mens op aarde is gekomen – zelfs voor zo iemand ligt het gevaar op de loer dat hij van Jezus toch een totaal ánder mens maakt dan hij of zij zelf is, of ooit zou kunnen zijn.

Ik weet niet hoe dat voor u is, maar ik herken dat beeld van die niet-gewoon-menselijke, vergoddelijkte Jezus tenminste wel in mezelf. Dat beeld is bepaald door de plaatjes, vroeger, in de kinderbijbels, door de kunst, door films – Jezus als een mooie, zachte, jongeman, die als het ware 2 centimeter boven de aarde zweeft, altijd kalm en ontspannen, met van die golvende gewaden – hoe echt menselijk ís dat beeld eigenlijk? Waar hebben we de uitbundigheid van Jezus gelaten, de levenslust, z’n hartstocht, z’n lef?! Die moet hij toch zeker gehad hebben, zelfs in die gestileerde bijbelverhalen zijn daar genoeg sporen van terug te vinden! Het blijft blijkbaar toch moeilijk om Jezus als een gewoon mens te zien, een mens zoals u en ik. Het zou heel goed zo kunnen zijn, dat we in de kerk die aardse kant van Jezus, en in het verlengde daarvan onszelf en ons eigen aardse bestaan, veel te veel ondergewaardeerd hebben. Terwijl we toch weten dat de hele aarde met alles wat daarop leeft, van God is – en Gód zag dat het goed was!! Waarom zien wíj het dan zo weinig?

‘Geniet van het leven, voluit, met alle hoogten en diepten die er zijn’ - het mag bijna niet gezegd worden in de kerk. Alsof we God vooral eren door het aardse leven zo beroerd mogelijk af te schilderen. Is er dan niet veel ellende? Jawel, natuurlijk wel. Maar het wordt er niet beter van, als je daar moedeloos en hulpeloos in blijft hángen. Het leven, deze aarde, het is een geweldig geschenk van God, waar we een leven lang van mogen genieten, en dankbaar voor mogen zorgen, met oog en hart voor alle ellende en alle kwaad, en de moed om daar iets aan te doen voor zover dat in ons vermogen ligt - of te aanvaarden wat je niet kan veranderen. Bevrijding, dat is níet het ontkennen of het veroordelen van alles wat bij ons, mensen, hoort, bevrijding is juist álles aan het licht laten komen, is volledig méns leren zijn!  Als Jezus mensen in actie ziet komen, zegt hij: kijk! Dat is nou geloof! óp naar een heel, vol leven, zonder verlammingen! Hier, nu, op aarde! Ik help jullie! Amen.

Dankgebed:
God,
geef ons open ogen
om uw licht te zien
vlak om ons heen:
in een klein gebaar,
een arm om een schouder,
een helpende hand,
in een mens die aandacht heeft.

Geef ons open ogen
om uw licht te zien
in een wereld
vol donkere plekken:
waar gewerkt wordt aan vrede,
waar honger wordt weggenomen,
waar muren tussen mensen verdwijnen.

Dank u voor lichtstralen
in de duisternis,
voor lichtpuntjes
in sombere dagen.
Help ons om zelf
licht te verspreiden
voor anderen om ons heen,
om licht te zijn
voor elkaar.

 



 
 

Viering Elthetokerk 16 januari 2011

Tekst bij kaars aansteken:
Uit de: Tao Te Ching: Het boek Tao Te Ching is een van de belangrijkste geschriften van het taoïsme. Het boek stamt uit de 6e eeuw v.Chr. De teksten zijn eerst mondeling overgeleverd en rond 300 voor Christus opgeschreven. Alhoewel het niet duidelijk is of het werk afkomstig is van één of meerdere auteurs, wordt Laozi (meester Lao' of 'oude meester') meestal beschouwd als de schrijver.

We verbinden spaken tot een wiel
maar het gat in het midden
laat de wagen rijden.

We vormen van klei een pot,
maar de leegte binnenin
houdt alles vast wat we willen.

We timmeren van hout een huis,
maar de innerlijke ruimte
maakt het leefbaar.

Haal daarom voordeel uit wat is,
maar zie het nut van wat niet is.

Eerste lezing: deel uit lezing over 'het Heilige' Ger Groot, Hardinxveld-Giessendam, 13-1-2011

Het idee van een zelfstandig, soevereine ‘ik’ is in onze cultuur wijd verbreid geraakt. Dat heeft ons veel moois opgeleverd (vrijheid, zelfstandigheid, emancipatie en wat al niet), maar ook opgezadeld met een moeilijk probleem. Want naar wat voor waarden richt ik mij eigenlijk, wanneer ik zeg dat de waarden die mijn leven oriënteren geheel en al afhankelijk zijn van mijn eigen keuze?
 Ik zeg niets anders dat mijn leven de richting heeft die ik eraan geef. En daarmee zeg ik eigenlijk strikt genomen niets – althans: niets anders dan dat alles open ligt voor mijn eigen willekeur. Maar als ik een ‘waarde’ erken, dan moet dat nu juist niet iets zijn dat alleen maar van mijn willekeur afhankelijk is. Het moet die overstijgen, want anders draai ik in een kringetje rond en zeg ik niets anders dan: ‘mijn ultieme waarde is mijn ultieme waarde’
 Ieder die op enige bestaanservaring kan bogen weet dat het er zo in werkelijkheid allerminst aan toegaat. Als er iets is dat zin of richting aan het leven geeft, dan heeft dat nu juist de vorm van een ‘extra’ dat mij toevalt – en niet van iets dat ik alleen maar zelf heb geproduceerd. Het ouderschap is daar misschien wel een uitgelezen voorbeeld van.
 In het antwoord op de vraag ‘Waartoe ben ik…?’, ‘Wat is de ultieme zin of betekenis of richting van mijn leven?’ is er dus altijd iets in het spel dat over mijn eigen autonomie heenreikt. Het komt altijd mede van buiten of van elders: van iets waarvan ik afhankelijk ben en wat mij mede maakt en richting geeft. Het leven krijgt zin wanneer het op die manier ‘in orde’ is, of daarin althans zich een ‘orde’ ontplooit die mij mijn plaats daarin geeft.
Richting en oriëntatie in mijn leven ontdek ik dus pas wanneer er een soort stramien in het bestaan is gegeven waarbinnen ik mijzelf kan plaatsen. Zonder zo’n fundamentele matrix is er immers überhaupt geen plaats of richting. Er moet een heel rudimentaire orde en regelmaat zijn waarop ik mijzelf kan plaatsen om te weten waar ik ben (zoals er, om een ander voorbeeld te gebruiken, in de taal een grammatica moet zijn voordat ik gearticuleerde zinnen kan uitspreken). Dat is de voorwaarde voor de zinvolheid van mijn leven: een heel simpele scandering die mijn leven maat, regelmaat geeft.
  Daarbij hoef je helemaal niet te denken aan zeer verheven of hemelse zaken. Het eenvoudige ritme van de dagen van de week is er al een goed voorbeeld van. Zo zijn er talloze andere alledaagse zaken die ons op het rechte spoor houden: die hebben we niet zelf bedacht, maar door ons ernaar te richten krijgt ons leven structuur en dus zin.
 

Tweede schriftlezing: JOHANNES 2: 1-12 Bruiloft in Kana
1 Op de derde dag was er een bruiloft in Kana, in Galilea. De moeder van Jezus was er, 2 en ook Jezus en zijn leerlingen waren op de bruiloft uitgenodigd. 3 Toen de wijn bijna op was, zei de moeder van Jezus tegen hem: ‘Ze hebben geen wijn meer.’ 4 ‘Wat wilt u van me?’ zei Jezus. ‘Mijn tijd is nog niet gekomen.’ 5 Daarop sprak zijn moeder de bedienden aan: ‘Doe maar wat hij jullie zegt, wat het ook is.’ 6 Nu stonden daar voor het Joodse reinigingsritueel zes stenen watervaten, elk met een inhoud van twee à drie metrete. 7 Jezus zei tegen de bedienden: ‘Vul de vaten met water.’ Ze vulden ze tot de rand. 8 Toen zei hij: ‘Schep er nu wat uit, en breng dat naar de ceremoniemeester.’ Dat deden ze. 9 En toen de ceremoniemeester het water dat wijn geworden was, proefde – hij wist niet waar die vandaan kwam, maar de bedienden die het water geschept hadden wisten het wel – riep hij de bruidegom 10 en zei tegen hem: ‘Iedereen zet zijn gasten eerst de goede wijn voor en als ze dronken zijn de minder goede. Maar u hebt de beste wijn tot nu bewaard!’ 11 Dit heeft Jezus in Kana, in Galilea, gedaan als eerste wonderteken; hij toonde zo zijn grootheid en zijn leerlingen geloofden in hem.
12 Daarna ging hij naar Kafarnaüm, met zijn moeder, zijn broers en zijn leerlingen, en daar bleven ze een paar dagen.

Overweging:

Vandaag wordt, in kerken over de hele wereld het verhaal van de bruiloft te Kana gelezen. Ieder jaar opnieuw, op de vierde zondag na kerst, dus ik neem aan dat de meesten van u het wel zo ongeveer uit hun hoofd kennen. Tijdens een bruiloft, waar Jezus met een paar gloednieuwe leerlingen en zijn moeder is uitgenodigd, verandert water in wijn. Ik kan me zo voorstellen, dat een vreemde die zomaar eens binnenloopt en dan dit verhaal te horen krijgt, meteen weer rechtsomkeert maakt. 'Lieve help, gelóven ze dát in de kerk? Dat water zomaar wijn kan worden?' De andere evangelisten, Matteüs, Marcus, Lucas, hebben het ook niet in hun evangelie opgenomen. Maar voor Johannes is het belangrijk genoeg om er zo ongeveer mee te beginnen, en dat belang is in de kerk ook altijd erkend. Want wonder of niet, het geeft heel beeldend weer waar Jezus voor staat. Wat het belang is, van zijn boodschap. Alles zit er in.

Die bruiloft zou je als symbool kunnen zien van het leven. Wij zijn dus de bruiloftsgasten. Op zich is dat al iets om over na te denken. Meestal zien we het leven niet bepaald als één groot feest, toch? Zeker niet in sombere wintermaanden als deze, waarin je dan ook nog te maken krijgt met allerlei alarmerende berichten, zoals die ramp bij Moerdijk, om maar eens wat te noemen, of de vreselijke overstromingen in Australië, Brazilië, Sri Lanka, de Filippijnen. Of dichterbij, zoveel mensen die tobben met hun gezondheid. Maar toch. Toch is en blijft er ook heel veel om dankbaar voor te zijn, blij mee te zijn. Dat wordt gesymboliseerd door dat bruidspaar, die zich met elkaar verbinden, elkaar trouw beloven, en dat wel een feest waard vinden.

En dan zijn er die grote vaten. Zes stuks maar liefs. Gigantisch groot, er gaan honderden liters water in. Bedoeld om te reinigen. Wie moeten er gereinigd worden? Wij? In eerste instantie blijkbaar wel, maar dan geeft Jezus er een heel eigen draai aan. Zijn tijd is dan misschien nog wel niet gekomen, maar toch laat hij al zien welke kant het uit zal gaan: het reinigingsritueel heeft zijn langste tijd gehad. We hoeven niet meer te denken dat we niet schoon, niet goed genoeg zijn, dat er eerst van alles moet gebeuren, voor we er ook bij mogen horen. Daar schuilt het echte wonder. Die oude vaten worden tot de rand gevuld met wijn, en wij hoeven daar alleen maar van te drinken, en elkaar te vertellen hoe excellent deze wijn wel niet is.

Ook dat kan je, denk ik, maar beter niet letterlijk opvatten. Een glaasje wijn is lekker, maar een heel vat vol zou toch wel te gortig worden. Wijn is dus ook een symbool. We kennen dat natuurlijk vooral van de avondmaalsviering, waar de wijn symbool staat voor de verbinding met Jezus zelf. Johannes vertelt later, aan het einde van zijn evangelie, dat Jezus zichzelf benoemt als de wijnstok, waarvan wij, mensen, de ranken zijn. Een nauwere verbinding kan je je bijna niet voorstellen, behalve dan misschien met dat beeld van wijn, die je drinkt, in je opneemt, als het ware. Misschien heet het daarom wel ‘heilig avondmaal’, het beeldt uit hoe we verbonden zijn met het heilige.

Hier komt onze eerste lezing in beeld, het verhaal van Ger Groot. Hij is, als filosoof maar ook als theoloog, in gesprek met de denkers van deze tijd. Bij deze mannen van de ratio hoef je niet aan te komen met zweverige praat, met wonderen of een God of een leven in verbinding met Jezus, alsof die nu nog steeds aanwezig zou zijn, levend en wel. Sterker nog, hij gelooft er zelf niet meer in. Toch geeft Ger Groot het gesprek niet op, blijft hij op zoek naar het Heilige, neemt hij geen genoegen met alleen maar een slok rationeel water, maar gelooft hij wel degelijk ook in de wijn. Een mens leeft niet bij water alleen, niet alleen bij het redelijke, dat wat je in alle nuchterheid kan beredeneren. Er is méér.

We kunnen als mens niet leven, zegt hij, met alleen maar ons verstand. Natuurlijk hebben we geleerd om onze eigen keuzes te maken, denken we na over onze normen en waarden, wie we willen zijn, en waarom. Ik denk dat meneer van de Wateren die vorige week overleed daar een prachtig voorbeeld van is. Hij wilde, samen met zijn vrouw, iets betekenen voor anderen, en dat heeft hem gemaakt tot de warme, liefdevolle man die we allemaal gekend hebben. Maar als je het hem nog kon vragen, zou hij het idee dat hij die waarden waar hij zijn leven aan gewijd heeft zelf bedacht zou hebben, verontwaardigd van de hand wijzen. We maken keuzes, maar we geloven ook allemaal in bepaalde waarden die het individu overstijgen, die groter zijn dan je zelf bent. Daar schuilt, als ik Ger Groot goed begrepen heb, het Heilige. ‘Er is’, om het nog eens met zijn eigen woorden te zeggen, ‘dus altijd iets in het spel dat over mijn eigen autonomie heen reikt. Het komt altijd mede van buiten of van elders: van iets waarvan ik afhankelijk ben en wat mij mede maakt en richting geeft.’ Dat geheimzinnige ‘iets’, dat is niet meer volledig rationeel te verklaren. Maar het ís er wel, heel dichtbij, heel aards. Sterker nog: het is bepalend voor ons bestaan, ons welbevinden als mens, omdat het leven daarmee een bepaalde zin krijgt, een orde biedt waarin we onze eigen plek kunnen innemen.

Die orde is belangrijk. Ger Groot vergelijkt het met de taal: zonder de orde van de grammatica, zouden we geen zinnige zin kunnen uitspreken. Het leven heeft dus ook een bepaalde orde nodig, om beheersbaar, leefbaar te zijn. Die behoefte voelen we zeker in zware, donkere tijden, wanneer het leven ons dreigt te overweldigen. Dan kunnen oude vertrouwde rituelen ons helpen om weer verbinding te maken met die orde, en ons weer veiliger en beter te voelen. Als voorbeelden van dergelijke rituelen, noemt Ger Groot Sinterklaas, en kerst, in de koude donkere decembermaand. Die rituelen verbinden ons weer met waarden als saamhorigheid, vrede, noem maar op, op een moment dat het gevaar groot is dat we daarvan dreigen los te raken.

In die zin is ook het naar-de-kerk-gaan een belangrijk ritueel, nog even los van alles wat daar gezegd wordt, of welke geloofsovertuigingen daar weer allemaal achter zitten. Juist al die mensen die daar helemaal niet zo over nadenken, die gewoon gaan omdat ze dat nou eenmaal gewend zijn, die zijn eigenlijk het belangrijkste, zij houden met elkaar het ritueel, en dus de orde in stand. En daarmee geven ze het Heilige haar aardse vorm. We scheppen water uit de aardse vaten, en het blijkt te veranderen in wijn, zonder dat we precies uit kunnen leggen hoe dat in z’n werk is gegaan. Maar we weten dat het gebeurt, want we zouden dat ritueel niet willen missen, dan zou er iets aan ons leven ontbreken, iets wezenlijks, iets heiligs.

'Het heilige', en ik citeer weer Ger Groot, is ‘aardser dan aards, maar juist daarin geeft het zich te kennen als iets ‘hemels’ - dat uiteindelijk ontsnapt aan alles: aan onze redelijkheid, aan onze zeggenschap. Het ritueel vormt de ring die het centrum schept. Misschien is dat alleen maar een ‘leegte’, maar dan wel een leegte waaraan iedere afzonderlijke betekenis of zinvolheid ontspringen kan.
Het heilige ‘is’ misschien niets, maar doet alles: het is het geheime antwoord op de ogenschijnlijk onbeantwoordbare vraag waarom er überhaupt iets is, en niet niets. Het is het diepste, maar toont zich in het oppervlakkigste: in de handeling, in het ritme - en in een verklede man met een baard, een versierde boom of een kerststal.
Het heilige bestaat als het mysterie van het aardse, en werkt door domme materie heen. Het stelt uiteindelijk in de dubbele zin van het woord ‘niets voor’. Het is wat het is, verwijst niet en is bijna belachelijk schamel. Maar juist daarin schuilt het werkelijke mysterie: op grond van deze onaanzienlijkheid bestaan wij als zinvolle wezens, herkennen wij de plaats die wij mogen innemen in een onherbergzaam universum en weten we ons bezield van (en verplicht aan) de hoogste waarden die zich voor ons hebben ontplooid - en die wij zelf nooit helemaal weten te doorgronden of verantwoorden.’

Johannes wilde ons duidelijk maken wat Jezus zijn missie was: hij kon het niet zomaar onder woorden brengen. Alleen maar met een verhaal, een beeld: water dat in wijn verandert. Het gewone bergt het bijzondere in zich. Dat is ZO simpel, dat het weer ingewikkeld wordt, je kijkt er zó overheen. Het Heilige is verweven met ons leven van iedere dag, zoveel is zeker. Veel meer dan we ons bewust zijn. Dus is het misschien niet zo’n gek idee om steeds maar weer goed te proeven: het feest is nog aan de gang, je dacht misschien dat je een slok water nam, maar het ís wijn, de beste wijn nog wel. Amen.
 

 

Naar vorige blz: preken 2010                                                                               .    Naar volgende blz: preken 2012