www.RiniRikkert.nl 

N I E U W S

Boek bestellen


 

Start

Kennismaken

Gastenboek

Links

Columns 2010
Columns 2011a
Columns 2011b

Dominee:

Inleiding
Kerkdiensten-data
Persoonlijke  begeleiding
Lezingen

Activiteiten:
- Spirituele oefengroep
- meditatie voor jongeren
- meditatie-uren
- engelenworkshop
 

Schrijfster:

Inleiding
boek 'Contact met God'
Column-info

Uitgeverij Philomena
Informatie
recensies en artikelen

Uit: 'Contact met God'
(een korte paragraaf uit 
 alle 15 hoofdstukken en 
 2 hoofdstukken compleet)

TEKSTEN/PREKEN:
Kerk en geloof:
de bijbel: leesadvies
Wat  is waarheid?
Sterven, en dan?
Columns over liturgie

Preken 2010
Preken 2011
Preken 2012

Laatste preek

 

PREKEN 2012:
           (klik op het plaatje)

15 januari 2012  - wederkomst van Christus Jesaja 11, 2 Petrus 3
29 januari 2012 - Groei & verandering Marcus 1:16-20, Kolossenzen 1\
            (mmv koor La Confiance)
12 februari 2012 - Over het hiernamaals 2 koningen 5:1-15, 1 Corinthiërs 15:35-49
            (avondmaal)
26 februari 2012 - Eenzaamheid Marcus 1: 12 t/m 15, ged. boek Henri Nouwen
           'Open uw hart - de weg naar onszelf, de andere en God'  (1e zondag veertigdagentijd)
11 maart 2012 - God - 1 Kon.14 (Elia) en tekst (pseudo-)Dionysius de Areopagiet (3e zondag)
25 maart 2012 - In het zonnetje - Johannes 12 (bevestiging Inge en Cokkie)
Paasweek april 2012
22 en 29 april 2012 - aardse en hogere werkelijkheid - Joh. 10:11-18 / Handelingen 5:12-25

 
Kerkdienst Witte Donderdag, 5 april 2012 Alblasserdam

Drempelgebed (Sytse de Vries):
Liefde zijt Gij – Liefde – zonder spoor van haat.
Licht zijt Gij – Licht – louter licht en leven.
Leven zijt Gij – leven – midden in de dood.

Als wij verdwalen op het uur
dat licht verbleekt, dat alle vuur
door as bedekt moet doven,
blijf dan in ons geloven!

Gij houdt de hand aan onze tijd
en vlecht die in uw eeuwigheid.
Aanvaard ook onze dagen,
gezuiverd en voldragen.
Amen.

Preek:
Is het u wel eens opgevallen hoe verschillend de beschrijvingen zijn, die gegeven worden van het laatste avondmaal van Jezus met zijn leerlingen? Bij de drie anderen ligt de nadruk op het verraad van Judas, en op de zogenaamde “instellingswoorden”, de woorden die in de kerken nog altijd klinken bij het uitdelen van brood en wijn. Johannes heeft een heel ander verhaal. Hij vertelt als enige hoe Jezus, de eerbiedwaardige meester, zich bij het laatste avondmaal verkleedt als slaaf, en de voeten van zijn leerlingen gaat wassen. Die er overigens weinig raad mee wisten. Dit ging hun begripsvermogen totaal te boven, en nog steeds heeft het overgrote deel van de kerk geen idee van het belang van dit verhaal. In de tijd dat Johannes dit schreef, was het avondmaal in de gemeentes allang een vaste gewoonte geworden. Maar beseften mensen ook werkelijk wat de essentie daarvan was? Johannes had daar waarschijnlijk bladzijden over vol kunnen schrijven, maar hij geeft de voorkeur aan een ver-haal. Het verhaal van de hoogste autoriteit die dient – en door zijn dienende handelen de anderen schoonwast. Alleen diegene, die dat echt begrijpt en toepast, zegt Jezus, heeft daarmee deel aan hem.

Begrijpen wíj het echt? Het begrip “dienen” is in de loop der eeuwen tamelijk besmet geraakt. Het is vooral gebruikt door mensen die uit waren op macht – en zo’n dienende houding goed uitkwam. Van anderen dan, welteverstaan. Het is dus heel moeilijk om er opnieuw onbevangen naar te kijken, en te zien wat Jezus eigenlijk bedoelde. Jezus was een meester – en een dienaar. Tegelijk. Voor hem zat daar niets tegenstrijdigs in. Sterker nog: hij was ervan overtuigd dat hij daarmee op één lijn stond met God. ‘Jezus’, zegt Johannes,  ‘die wist dat hij van God was gekomen en weer naar God terug zou gaan’ …. Kun-nen we ons daar iets bij voorstellen? Een “dienende” God? Als dat heel moeilijk is, bewijst dat misschien ook weer dat we ergens een denkfout maken. Een “machtige” God, dat ligt veel meer in de lijn van ons eigen denken, al levert dat ook weer al-lerlei problemen op. Maar voor ons gevoel staat macht juist te-genóver dienen. Het sluit elkaar bijna uit. Hoe zou ons leven er uitzien, als we die twee dingen niet langer tegenóver elkaar zet-ten, maar in elkaars verlengde leren zien? Blijkbaar is het lastig, want het is in die 2000 jaar nog maar zelden iemand gelukt. Misschien helpt het, als we ons proberen voor te stellen hoe de wereld er uit zou zien, als het werkelijk de grondhouding van ons allemaal zou zijn, dat dienen. Dienende politici. Dienende industriëlen. Dominees die écht dienaars van het Woord worden. Daarmee zou al het gekrakeel over het ware geloof meteen over zijn. Want wat het zou brengen, is EENHEID. Het besef dat we allemaal één zijn in God. We zouden onze afzonderlijke superbelangrijke ikjes achter ons laten, en ontdekken, dat wat we voor elkaar doen, we uiteindelijk voor ons zelf doen. Als ons doel is, te DIENEN, dan bevrijden we onszelf en elkaar uit de gevangenis van het egoïsme en de eenzaamheid. Dan reinigen we elkaar, dan krijgen we deel aan elkaar, aan Jezus Christus, en aan God. Hij, Jezus zelf, heeft ons die weg gewezen. Hij is ons voorgegaan, hij geeft ons zijn deel, iedere keer weer, en ook straks, in het avondmaal wat wij vanavond weer gaan vieren. In het navolgen van hem ligt onze reiniging, ons geluk, en ons heil. Amen.

GOEDE VRIJDAG 6 april 2012 Elthetokerk, Alblasserdam
 

PREEK: (uit ‘de dood die leven brengt’ van E. Drewermann)
Hoe de handelende personen in dit scenario van de terechtstelling van Jezus ook heten – ze huizen allen in ons. Daar hebben we de rekenaars, de Judas-mensen. Hoeveel is een mens waard? Hoe sterk zijn menselijke relaties bepaald door te rekenen, te berekenen, te ver-rekenen, af te rekenen! Wat heb ik van een ander? Wat krijg ik van een ander? In hoeverre levert het wat op? En altijd verraden en doden wij.
Dan zijn er mensen van het slag van Petrus, de prag-maticus. Ze houden vol, in elke situatie te weten, wat ze moeten doen. Ze hebben de scepter in de hand, of het zwaard. Ze hebben grote woorden in hun mond, en zijn mans genoeg, knopen door te hakken. Hun wereld is eenvoudig. Je moet dit doen of dat, je moet het een of het ander kiezen, je moet normen stellen, de dingen rechtzetten. Ze kwetsen, deze Petrusmensen, en lossen geen enkel probleem op.
Er zijn mensen van de soort van de hogepriesters, de diplomaten, de logici van de geschiedenis. Ze weten precies, volgens welke wetten je mensen op de weegschaal van het politieke, kerkrechtelijke, algemeen aanvaarde gezond verstand legt. Altijd is het beter, dat een enkeling sterft, om grote schade te vermijden. Altijd zijn ze verantwoordelijk, altijd verstandig, altijd met goede argumenten gewapend. Maar hun hart is van ijs, hun gevoelens zijn koud.
Er zijn mensen als Pilatus. Ze hebben macht, ze zijn de functionarissen van het systeem, zelf machteloos en vaak vol angst. Ze spelen het tenslotte klaar, om schuldeloos op de troon te zitten, wassen hun handen in onschuld. Wonderlijk, hoe je met het recht een loopje kunt nemen, als je niet in de waarheid gelooft. Wat een voordeel, als er in het menselijk leven niets vast-staat, als er niets meer is, waarvoor je je hart of je leven zou kunnen riskeren. Je gelooft nergens in, en dus red je je uit alles. Zo hoeven wij maar verder te lezen, en telkens merken wij: in het lijdensverhaal komen we geen andere wereld tegen dan onze eigen wereld. Maar uiteindelijk gaat het er niet om wat wij zien, maar waarin wij geloven. Zien wij de buitenkant van Golgota, dan zal de wereld zo doorgaan. Maar zien wij dieper, beschouwen wij in geloof, dan wordt ons onthuld: Geen mens en geen omstandigheid zal voortaan zo’n angst kunnen veroorzaken, dat wij daarvoor onszelf en wat wij liefhebben zouden willen verloochenen. Het kruis is geen kruis, maar een begin van leven, een leven dat die naam verdient en nu kan beginnen.

Paasnacht 6 april 2012, Alblasserdam
 

Gebed:
Zoals de vrouwen
onderweg op paasmorgen
zich zorgen maakten
over de zware steen
die de toegang
naar Jezus
afsloot
zo betwijfelen wij
of wij u
over alle barrières heen
nog kunnen zien.
Ook wij
voelen ons vaak te zwak
om de koude harde steen
af te wentelen
die ons gescheiden houdt.
Eeuwige God
zoals u
in de nacht van Pasen
de steen afwentelde
en Jezus deed opstaan
zo vragen wij U
laat Uw licht stromen
in onze duisternis
laat ons opstaan ten leven
open onze harten
voor U, nu en altijd. Amen.

De eerste dag - Inge Lievaart

Het was vroeg in de morgen
de eerste dag
van een nieuwe tijd

en het gebeurde
dat Hij die was gestorven
koud als een steen daar lag
achter een steen geborgen
opstond
in het licht liep
de dood meester
en terugriep
de in verdriet verdwaalden
de herder bleek die waarlijk
tot in de dood afdaalde
voor zijn schapen

het was vroeg in de morgen
de eerste dag van
een nieuwe tijd.

Preek:
Een mooi gedicht van Inge Lievaart, vindt u ook niet. Een nieuwe tijd, ja, zoals we nu, na een lange winter, ook weer een mooi nieuw voorjaar beleven. Ik beleef dat altijd als een soort wonder. Alles lijkt zo kaal, koud, doods – en dan ineens spat het groen de grond uit, het geel van de narcissen, het wit van de madeliefjes… Zo’n zelfde effect heeft de boodschap van Pasen op onze ziel. Jezus heeft de duisternis overwonnen, voort-aan zijn we verbonden, schijnt het Goddelijk licht in ons hart en in onze ziel. Al is er wel een kleine, maar essentiële voorwaar-de: van ons wordt gevraagd onze ziel daarvoor te openen. De zon moet de aarde kunnen bereiken – onder een stapel stenen groeit er niets. Ik las dat ze in Oostenrijk ooit probeerden een gletsjer af te dekken met folie in de zomer, in de hoop dat hij dan niet smelt en de toeristen als het kouder wordt meteen weer kunnen komen skiën. Het klinkt absurd, vindt u ook niet. Maar zo absurd zijn we vaak bezig, ook als het om onze ziel gaat. We leggen allerlei laagjes folie.
De schuldlaag, dat is een hele verraderlijke. Het licht van God kan me niet bereiken, zeggen we dan, maar dat is mijn eigen schuld. Ik doe dit niet goed, of dat niet goed, helaas, niks aan te doen. Alsof er geen vergeving zou bestaan. Sommigen geven anderen de schuld, de kerk staat in de weg, of de dominee, je ouders, je man of vrouw. Maar elke laag folie tussen je ziel en God heb je zelf gelegd. De boodschap van vanavond is: laat de zon maar lekker op de gletsjer schijnen. Beleef de warmte van het licht, het stromen van het water. Het gaat om je ziel, en het gaat om het liefdevolle licht van God. Daar hoeft niets meer tussen te komen.

En zo gaan we, hoop ik, straks ook langs het doopvont, en voelen we het water, het water waarmee we misschien ooit, in het verleden, gedoopt zijn. Dat doopwater, dat is niet bestemd voor heiligen, of voor mensen die nooit iets verkeerd doen, of voor mensen die het allemaal zo goed weten, nee, dat doopwater is bedoeld voor mensen die zich ook wel eens besmeurd voelen, en daar dan moedeloos van dreigen te worden. Wat moet je, als tamelijk welwillend mens, in deze dolgedraaide economie? Je kan onmogelijk zeggen: hier doe ik niet aan mee! Of: hoe vaak schiet je niet tekort, tegenover jezelf, anderen, in je werk? Eén voor één langs het doopwater lopen, het aanraken, betekent dat je je realiseert dat dáármee niet alles gezegd is. Er is méér! Een mens, ieder mens, heeft een ziel, een ruimte waar de Heilige Geest wil wonen, een verlangen naar reinheid, schoonheid, liefde. Met het ritueel van de doop zegt God: kijk, ik staar me niet blind op die besmeurde buitenkant, ik was het er als het ware af, in de hoop dat je er voortaan zelf ook doorheen kan kijken, en leert leven vanuit die lichtende binnenkant, vanuit vertrouwen, hoop en liefde...en ik zal je daarbij helpen.

Daarom is deze paasnacht dus zo belangrijk, en daarom zijn de rituelen juist zo belangrijk. In deze nacht laten we ons door God bij de hand nemen, en via het licht en het water wijst Hij ons de weg, de weg uit het doodse bestaan, naar het ware leven. En die weg mogen we samen lopen. Dankbaar, en vol vertrouwen. Want God loopt met ons mee. Amen.

Paasmorgen, 8 april 2012 Alblasserdam, Elthetokerk

Aankondiging Pasen:
Geloofd zij de God van hemel en aarde, die ons in zijn grote barmhartigheid opnieuw geboren laat worden tot een leven vol hoop en vreugde. Wij mogen vandaag gedenken dat ieder mens, die in het leven en licht van Jezus Christus nieuw leven heeft gevonden, voortaan zelfs de dood niet meer hoeft te vrezen. Ieder van ons is geboren voor het licht en mag zichzelf altijd en eeuwig een kind van God noemen.

Lezing: (uit Nico ter Linden, ‘koning op een ezel’

‘Weet je nog,’ zei Matteüs tegen Lucas, ‘hoe zielsverdrietig wij waren toen Jezus was gestorven?’
‘Ja’, zei Lucas, ‘dat weet ik nog precies. ‘Laten we maar weer naar Emmaüs gaan, zeiden we tegen elkaar, ‘terug naar ons oude leven.’ Maar gelukkig kreeg de wanhoop ons niet helemaal te pakken, gaandeweg groeide ons vertrouwen dat onze God, de God van Mozes en Elia, zich ook over Jezus had ontfermd. En we bedachten dat wij de verhalen van Jezus moesten opschrijven. Zoals Mozes en Elia onder ons voortleven in de verhalen die over hen de ronde doen, zo wilden wij dat Jezus zou voortleven in de verhalen die wij gingen opschrijven.’
‘Ja’,’zei Matteüs, ‘en toen heb jij dat verhaal gemaakt dat eigenlijk over ons tweeën ging: over twee zielsverdrietige mannen uit Emmaüs die teruggingen naar waar ze vandaan kwamen. Maar gaandeweg hervonden ze hun vertrouwen: God is sterker dan de dood. Dat was ons eerste verhaal. Een paasverhaal.’
‘Eigenlijk is het nu jouw beurt om een paasverhaal te maken,’ zei Lucas. ‘Dan kun jij op jouw manier vertellen dat Jezus leeft, al is hij dan dood en begraven.’
‘Misschien doe ik dat wel een keer,’ zei Matteüs, ‘maar ik weet niet of ik dat wel zo mooi kan als Johannes.’
‘Heeft Johannes dan ook een paasverhaal geschreven?’ vroeg Lucas.
‘Ja,’ zei Matteüs. ‘Het zat in een brief die ik net van hem kreeg. Zijn verhaal gaat over Maria Magdalena, je weet wel, de vrouw die van verre zag hoe Jezus werd gekruisigd en die erbij was toen hij werd begraven.’
‘Ik weet nog goed,’ zei Lucas, ‘dat Jezus haar voor het eerst ontmoette, in Magdala. Ze was helemaal in de war. Ziek was ze, ziek in haar hoofd. Zeven boze geesten spookten daar rond, die allemaal door elkaar heen schreeuwden. Daardoor kon zij zichzelf niet meer horen. ‘Maria is niet goed wijs,’ zeiden de mensen uit Magdala. Toen kwam Jezus langs en hij zag haar. En dat het spookte in haar hoofd zag hij ook. ‘Maria,’ riep hij, maar ze hoorde hem niet. Ze zag zijn lippen wel bewegen, maar ze hoorde hem niet, door al dat geschreeuw van binnen.
Hoe Jezus haar genezen heeft, weet ik niet, maar hij heeft die boze geesten verjaagd. Eerst de eerste, toen de tweede, daarna de derde – iedere keer werd Maria weer een beetje meer Maria, en toen de zevende was verdreven, kon ze weer helemaal zichzelf zijn. ‘Maria,’ riep Jezus. Die naam die zij bij haar geboorte had gekregen, toen alles nog goed was. Nu hoorde ze haar naam wèl. Het was alsof ze opnieuw werd geboren. ‘Rabboeni’riep ze. Meester! Meester over de boze geesten. Ze omhelsde hem. En toen Jezus verder trok, reisde ze met hem mee, van stad tot stad, waar hij ook ging. Begrijp ik je goed, Matteüs, dat Johannes over die Maria Magdalena zijn paasverhaal geschreven heeft?’
Matteüs knikte.
‘Lees eens voor,’ zei Lucas.

‘Op de eerste dag van de week – het was nog donker – ging Maria Magdalena naar het graf. Ze wilde maar één ding, ze wilde bij haar rabbi zijn. Wanhopig was ze. ‘Nu hebben de boze geesten het rijk weer alleen. Straks komen ze misschien weer terug in mijn hoofd, alle zeven, en dan breekt de hel van vroeger weer los. En er zal geen Jezus meer zijn om mij terug te geven aan mijzelf.’
Maria liep naar het graf. Ze schrok. Door haar tranen heen zag ze dat de steen was weggewenteld: het graf was leeg! Haar laatste toevlucht was haar ontnomen. Ze boog zich voorover om in het graf te kijken. Daar zag ze twee engelen zitten, in witte gewaden, één aan het hoofdeind, één aan het voeteneind van de plaats waar Jezus gelegen had.
‘Waarom huil je?’ vroegen zij.
‘Omdat ze mijn rabbi hebben weggenomen, en ik weet niet waar ze hem hebben neergelegd.’
Ze draaide zich om. Daar stond iemand. ‘Vrouw, waarom huil je? Wie zoek je? vroeg hij.
Ze dacht dat het de tuinman was, die voor het graf moest zorgen. ‘Als u hem hebt weggedragen, zeg mij dan waar u hem hebt neergelegd, dan zal ik hem meenemen.’
De man zei: ‘Maria!’
Maar die stem kende ze! Het was de stem van de man die haar in Magdala genas. Was Jezus opgestaan uit de dood om haar opnieuw van haar angst te bevrijden?
‘Rabboeni!’ riep Maria uit. Meester! Meester over alle boze geesten, en meester over de dood. ‘Rabboeni!’ Ze sloeg haar armen om Jezus heen, ze wilde hem nooit meer laten gaan.
‘Je kunt mij niet blijven vasthouden,’ zei Jezus, ‘want ik ga naar mijn Vader. Maar dat is ook jouw Vader, Maria. Onthoud het goed en ga het gauw aan de anderen vertellen.’
Dat heeft Maria Magdalena toen gedaan.’

Preek:
We boften dit jaar: de opstanding van Jezus was nog nooit zo dichtbij, al was het dan wat vroeg: donderdag al, in Rotterdam, stond Jezus in de persoon van Danny de Munk na zijn kruisiging hoog in het licht, oftewel midden tussen de laserstralen op het topje van de Euromast. Het was een groot succes – en ik weet niet zo goed wat ik er van denken moet. Misschien is het goed, dat 1, 7 miljoen mensen weer een beetje benul krijgen, van waar het met Pasen over gaat. Maar is dat werkelijk zo, als een lieve verslaggeefster de mensen die het kruis door de stad dragen interviewt en ze dan nog een prettige avond wenst? En als het woord ‘God’ geen enkele keer genoemd wordt?
Maar ja, misschien is het gewoon een kwestie van met je tijd mee gaan. Wij deden het nog op de oude manier, we vierden avondmaal, het koor zong ontroerend mooi, en we lazen de Bijbelse lijdensgeschiedenis. Daar kwamen geen 1,7 miljoen mensen op af. Een miljoen minder, ongeveer. Maar die mensen kregen wel iets mee van de moeite, de diepgang en de uiteindelijke vreugde van dit verhaal, daar ben ik zeker van. Deze paar dagen, deze diensten, vormen het hart van het christelijk geloof. Het lijden, de dood en de opstanding van Jezus. Hier draait het allemaal om. Paulus zegt: ‘Indien Christus niet is opgewekt, dan is onze prediking zonder inhoud, en zonder inhoud is ook uw geloof.’  Ik geef hem gelijk. Niet dat het allemaal zo rechtlijnig en duidelijk is, alles behalve dat. Maar ieder jaar mag ik er bij het voorbereiden van die serie diensten weer mee bezig zijn, over nadenken, over mediteren – dat is één van de grote voordelen van dominee zijn, mag ik wel zeggen. Het geeft me nog altijd het gevoel dat ik ieder jaar weer ietsje dieper doordring in dit mysterie, wat toch altijd een mysterie zal blijven, zolang ik hier op aarde leef.

Maar niet alleen dominees houden zich met dit grootse mysterie bezig. Dagblad Trouw had deze week ook nog een groot artikel over een nieuw boek van een Britse kunsthistoricus, Thomas de Wesselow, voormalig universitair docent in Cambridge, die uitgevonden heeft waar de verhalen rond de opstanding op gebaseerd zijn: op de lijkwade van Turijn, waar, zoals u waarschijnlijk weet, een afbeelding op te vinden is die volgens de verhalen van Jezus zelf is. Volgens de Wesselow is hij met deze theorie in tweeduizend jaar christendom de eerste die een rationele verklaring biedt voor Pasen: de uit de dood opgestane Christus is niets anders dan de afdruk van zijn gezicht op het linnen.
Ik heb al heel wat alternatieve paasverhalen langs zien komen, maar hoe rationeel ben je, als je bewijsstuk, de lijkwade, door drie onafhankelijke wetenschappelijke onderzoeksinstituten onderzocht is en onomstotelijk is bewezen dat ze uit de 13e eeuw stamt? Het ziet er naar uit dat de wereld er weer een onzinverhaal bij heeft, en daar zijn er al zo veel van.
In dezelfde week kreeg ik bijvoorbeeld een mail, waarin weer op een ander boek gewezen werd: daarin wordt het bestaan van Jezus en de hele lijdensgeschiedenis ontkend, en op een hoger kosmisch plan getild: het zou oorspronkelijk gaan om een lichtkruis, waarbij de zon en de planeten in een bepaalde constellatie betrokken zijn. De bewijsvoering bespaar ik u nu maar even. Een oudere, en meer wijd verbreide theorie is die, waarbij Jezus niet echt stierf aan het kruis, maar schijndood was, en ergens in het verborgene zover opknapte, dat hij samen met zijn geliefde Maria Magdalena kon ontsnappen naar Frankrijk, waar ze nog jaren in goede gezondheid hebben doorgebracht. In Frankrijk kunnen ze u dat huis van Maria Magdalena nog aanwijzen.

Wat is dat toch, die behoefte om de Bijbelse verhalen rond lijden, sterven en opstanding van Jezus te ontkennen en de, zoals de krant dat zo mooi zei, ‘historische lacunes dicht te fabuleren’?
Het is gewoon geen mooi verhaal, zoiets zal het wel zijn. We komen er niet goed vanaf, we blijken als mensen een stelletje verstokte zondaars, die het goede, het goddelijke en het liefdevolle verraden en om zeep helpen. Dat is en blijft geen leuke boodschap. Maar wie bereid is om werkelijk te luisteren, en vervolgens kritisch naar zichzelf te kijken, kan niet anders dan toegeven dat het wel klopt. Van al die miljoenen mensen op deze aarde is er maar één Jezus, één Gandhi, één Suu Kyi, één Nelson Mandela. Alle anderen barsten van de goede voornemens, maar in de praktijk komt er meestal weinig van terecht.  Of ben ik de enige, die zich vaak te kort voelt schieten of onzeker is, of het gevoel heb anderen of mezelf in de steek te laten? Ik denk het eigenlijk niet. In grote delen van de kerk heeft die zelfkennis geleid tot een absurde eenzijdige zware nadruk op de zondigheid van de mens, en dat maakte de zaak alleen nog maar erger. Ik zou de christenen niet graag de kost geven, die diep in hun hart een hekel aan zichzelf hebben. Er zijn best een paar Bijbelteksten te vinden, die je daarbij helpen. Die ga ik hier niet herhalen, want ik denk dat de Bijbelse boodschap juist het tegenovergestelde wil beweren, namelijk dat je in al je onvolkomenheid van jezelf mag houden, en dat die liefde mag overstromen zover als maar kan, desnoods de hele wereld over.

Daar ergens zit de ware boodschap van Pasen. In die diepe tegenstelling, tussen de aardse en de goddelijke werkelijkheid. De goddelijke werkelijkheid, die alleen maar liefde is, en de aardse werkelijkheid, die daar steeds maar weer zo ver van af lijkt te staan. Op de één of andere manier heeft Jezus die liefdevolle goddelijke werkelijkheid hier op aarde gebracht, en mensen die daar iets van ervaren gaan dan stamelen over een ‘offer’ of over ‘gestorven voor onze zonden’, over ‘vergeving’ of over ‘in Christus opgestaan’. Mensen die nauwelijks iets van de bijbel afweten, kennen dezelfde ervaring en noemen het weer anders.

De ervaring is er één van liefde, die groter is dan al het andere. Groter dan de, soms zware zorgen van dat moment, groter dan je boosheid, of je verdriet, groter dan je twijfel en je onzekerheid. De geweldige belofte van Pasen is, dat die liefde werkelijk bestaat, en dwars door al het aardse gedoe heen breekt, omdat het van God komt. Het is niet van ons afhankelijk.

En toch ook weer wel, want de dringende vraag is uiteindelijk, of je er in wil geloven. Geloof je, dat de liefde sterker is dan al het andere, en dat je dus steeds maar weer met vallen en opstaan, en weer opnieuw opstaan, de liefde als basis van je leven serieus moet nemen? Dus dat je, om maar wat te noemen, liefde voor jezelf mag voelen, zelfs voor je fouten? En dat je diezelfde liefde ook voor God, en voor anderen mag leren ontwikkelen? Daar draait het allemaal om, zegt Jezus, en hij bracht het in praktijk, dwars door de dood heen, tot op de dag van vandaag. We hoeven het niet alleen te doen. Jezus is voor eens en altijd opgestaan, en wijst ons de weg -  in liefde. Amen.
 
 

 


Viering Elthetokerk  25 maart 2012
(her-)bevestigen
tot ouderling: Inge Nieuwenhuis en
tot diaken: Cokkie de Geus

Kaars aansteken; tekst (doorgestuurd door Heleen Dekker):
‘Iedere morgen mag je, wanneer je wakker wordt, weer tegen jezelf zeggen: weer een dag om méé te wer-ken aan de realisering van het goede in deze wereld. Met jouw gaven, met jouw tijd, met jouw hart, met jouw energie, met jouw bijzondere kwaliteiten, met jouw vermogen om met anderen om te gaan, ben je ook vandaag weer hard nodig.

Gebed (met woorden van Sytze de Vries):
Geef ons, Heer,
dat wij blijven zoeken
naar het geheim
dat U in ons hebt gezaaid;
dat wij de vreugde
van het vinden
met elkaar willen delen;
dat wij elkaar moed inspreken
om te volharden,
ons niet te laten verlammen
door vallend duister,
door een zee van vragen.
Doe ons geloven in de oogst
en kom met uw Geest
in ons midden.
Amen.

Eerste schriftlezing: Jeremia 31: 31-34
De dag zal komen – spreekt de Heer – dat ik met het volk van Israël en het volk van Juda een nieuw verbond sluit, een ander verbond dan ik met hun voorouders sloot toen ik hen bij de hand nam om hen uit Egypte weg te leiden. Zij hebben dat verbond verbroken, hoewel ze mij toebehoorden – spreekt de Heer.
Maar dit is het verbond dat ik in de toekomst met Israël zal sluiten – spreekt de Heer: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en hem in hun hart schrijven. Dan zal ik hun God zijn en zij mijn volk. Men zal elkaar niet meer hoeven te onderwijzen met de woorden: ‘Leer de Heer kennen,’ want iedereen, van groot tot klein, kent mij dan al – spreekt de Heer. Ik zal hun zonden vergeven en nooit meer denken aan wat ze hebben misdaan.

Tweede schriftlezing: Johannes 12: 20 – 36
Jezus spreekt over zijn dood
Nu was er ook een aantal Grieken naar het feest gekomen om God te aanbidden. Zij gingen naar Filippus uit Betsaïda in Galilea, en vroegen hem of ze Jezus konden ontmoeten.  Filippus ging dat tegen Andreas zeggen en samen gingen ze naar Jezus. Jezus zei: ‘De tijd is gekomen dat de Mensenzoon tot majesteit wordt verheven. Waarachtig, ik verzeker u: als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft het één graankorrel, maar wanneer hij sterft draagt hij veel vrucht. Wie zijn leven liefheeft verliest het, maar wie in deze wereld zijn leven haat, behoudt het voor het eeuwige leven. Wie mij dient moet mij volgen: waar ik ben zal ook mijn dienaar zijn, en wie mij dient zal door de Vader geëerd worden.
 Nu ben ik doodsbang. Wat moet ik zeggen? Vader, laat dit ogenblik aan mij voorbijgaan? Maar hiervoor ben ik juist gekomen. Laat nu zien hoe groot uw naam is, Vader.’ Toen klonk er een stem uit de hemel: ‘Ik heb mijn grootheid getoond en ik zal mijn grootheid weer tonen.’ De mensen die daar stonden en dit hoorden, zeiden: ‘Een donderslag!’ Maar er waren er ook die zeiden dat het een engel was die tegen hem gesproken had. Jezus zei: ‘Die stem heeft niet voor mij gesproken, maar voor u.  Nu wordt het oordeel over deze wereld geveld, nu zal de heerser van deze wereld uitgebannen worden. Wanneer ik van de aarde omhooggeheven word, zal ik iedereen naar mij toe halen.’  Daarmee bedoelde hij de wijze waarop hij zou sterven. ‘Maar wij hebben uit de wet begrepen dat de messias eeuwig blijft leven,’ zeiden de mensen, ‘waarom zegt u dan dat de Mensenzoon omhooggeheven moet worden? Wie is die Mensenzoon?’  ‘Nog een korte tijd is het licht bij u,’ antwoordde Jezus. ‘Ga uw weg zolang het licht is en laat de duisternis u niet overvallen; wie in het donker loopt weet niet waar hij heen gaat. Geloof in het licht zolang u het licht bij u hebt, dan bent u kinderen van het licht.’ Na deze woorden ging Jezus weg en hij hield zich voor hen schuil.

Preek:
Het gebeurt niet zo vaak, dat het preekrooster teksten van de evangelist Johannes opgeeft. Het zijn ook, zacht uitgedrukt, niet de gemakkelijkste teksten uit de bijbel. Ik weet niet hoe het u verging, toen we dit lazen, maar ík begon de eerste keer wel te zuchten: lieve help, waar gáát dit allemaal over. Maar gaandeweg openen zich steeds weer nieuwe deuren, en gaan de woorden steeds meer leven. Ik hoop dat ik daar in deze preek iets van over kan brengen.
Er komen wat Grieken, vertelt Johannes, die waarschijnlijk net de intocht in Jeruza-lem hebben meegemaakt van Jezus op een ezel, en nieuwsgierig zijn geworden. Ze pakken het voorzichtig aan, eerst via Filippus, en toen via Andreas, maar Jezus is niet anti, hij vat het op als een teken, een teken dat het moment nu toch echt is aangebroken, want werd dat niet gezegd? Dat de verlossing voor iedereen zou zijn, Israëlieten en heidenen?

We lazen het al in de profetie van Jeremia, hoe er ooit een hele nieuwe fase aan zou breken, waarbij iedereen van binnen uit God zou kennen. Jeremia kan zich er duide-lijk nog geen voorstelling van maken dat dit voor alle volken zal gelden, hij richt zich nog uitsluitend tot het volk Israël. Ook in de tijd van Jezus was dit nog moeilijk voorstelbaar, maar het begint toch te groeien, deze Grieken zijn daar weer een teken van. Johannes wil laten zien dat er iets onvoorstelbaar groots staat te gebeuren, iets wat al in oude tijden voorspeld is, iets wat de wereld zal veranderen. En dan begint Jezus te praten, en proef je meteen de spanning, de doodsangst zelfs. Hij gebruikt een merkwaardig term, vertaald met ‘verheven worden’, waarmee hij het kruis bedoelt, waaraan hij zal sterven. Maar dat sterven is hier tegelijk de ‘verheffing tot majesteit’, hij gaat als het ware in één moeite door van het kruis naar de hemel. Jezus vergelijkt het met een graankorrel, die moet sterven om vrucht te dragen. Zo zal hij ook sterven, en hij heeft er net zoveel moeite mee als ieder ander mens. Die doodsangst is er niet voor niets. Maar tegelijk beseft hij dat er iets belangrijkers op het spel staat, belangrijker dan zijn eigen leven. Dat is, hoe vreemd en onbegrijpelijk soms ook, de wil van God doen. Dat bedoelt hij met dat zinnetje ‘wie zijn leven liefheeft verliest het’ – wie zichzelf en zijn eigen sores het allerbelangrijkste vindt, die houdt niets over, als dat leven ineens of langzaam maar zeker ten einde begint te raken. Als je leven alles is, verlies je alles bij de dood. Maar wie God boven alles liefheeft, of zelfs alleen maar beseft dat er meer is, een levenskracht die uit een dode graankorrel nieuwe halmen laat groeien, die bekijkt zijn leven in een ander perspectief, weet dat er grotere dingen zijn. Iemand vertelde deze week ontroerd over zijn vrouw, die nooit veel zei over haar geloof. Op haar sterfbed zei ze ineens: ‘ik laat me maar als een musje in Gods hand vallen.’ Dat is waar Jezus het hier ook over heeft. Het wordt nog een keer, in wat sterkere bewoordingen gezegd: ‘wie in deze wereld zijn leven haat, behoudt het voor het eeuwige leven’. theologen noemen dat woordje ‘haat' hier een ‘typische semitische hyperbool’, oftewel: sterk overdreven. Hier wordt niet bedoeld dat je je leven maar niks moet vinden, of er zelfs een hekel aan moet hebben – nee, het gaat er om dat je er niet te veel aan moet hangen, of, om het maar eens gek te zeggen, de boodschap is: je aardse bestaan, laat daar je leven niet vanaf hangen!
En dan doet Jezus een oproep aan de mensen om hem heen, om serieus te nemen wat hij zegt, en hem te volgen. Dan zullen ze, net als hij, ontdekken waar het uitein-delijk werkelijk om gaat. Ze zullen, zoals Jeremia al voorspelde, God van binnenuit leren kennen.
Maar dan, na al die weloverwogen woorden, komt de doodsangst weer bovendrijven. Dat kennen we waarschijnlijk allemáál wel, hoe je gevoelens in moeilijke tijden in-eens van het ene uiterste in het andere terecht kunnen komen. Jezus heeft duidelijk hulp nodig, hij roept zijn vader, hij roept God erbij. En prompt komt er een stem uit de hemel – tja. Dát kennen wij dus minder. Maar ook in dit verhaal blijft het wat vaag, want wat was het nou? De stem van God? De stem van een engel? Een geweldige donderslag? Voor Jezus was het in ieder geval een stem, hij beleeft het als een geruststelling, en dát herkennen veel mensen dan weer wel. Ik hoor vaak hoe iemand bijvoorbeeld vlak voor een operatie, aan het bidden is en dan ineens rustig wordt, of soms zelfs ineens de overtuiging voelt: het komt goed.
De stem in het verhaal komt met een cryptische zin, hij zegt: ‘ik heb mijn grootheid getoond en ik zal mijn grootheid weer tonen’. Die uitdrukking ‘grootheid tonen’ is wat vergezocht als vertaling, ik kom het in geen woordenboek tegen. Het komt van een woord dat oorspronkelijk ‘licht’ betekent. Vandaar krijgt het de betekenis van roemen, prijzen, eren. Vrij vertaald is het dus zoiets als ‘ik heb je in het zonnetje gezet, en dat zal ik weer doen’. Johannes gebruikt het woord vaak, om aan te geven hoe Jezus constant leeft in het licht van God. Daarom is het ook zo mooi dat Jezus hier de boodschap niet voor zichzelf houdt, maar op alle andere mensen betrekking laat hebben. Wíj zullen weer, samen met hem, in het zonnetje gezet worden.
Maar toen, op dat moment in het verhaal, was dat nog toekomstmuziek, de realiteit was, dat mensen deze afgevaardigde van het licht zouden gaan kruisigen. De leerlingen van Jezus hebben dat ervaren, alsof God zelf gekruisigd werd. Stel je voor, een wereld zonder God, een wereld zonder licht, geen hoop op betere tijden, geen verandering mogelijk, alles wordt alleen maar beroerder. Zo leek het te zijn – maar het tegenovergestelde bleek uiteindelijk waar. De mensen die Jezus volgden, raakten ervan overtuigd dat de aardse dood van Jezus niet het einde was, maar juist een volkomen nieuw begin bleek te kunnen worden, met een Jezus die nu het licht van God zó dicht genaderd was, dat hij bijna de zon zelf werd. Je hoefde alleen maar met je gezicht naar die zon toe te gaan staan, erin te geloven; dat het licht de duisternis overwon, dat het leven sterker was dan de dood, dat je als mens een kind van het licht bent, een eeuwig licht zelfs.

Nou ja ‘alleen maar’… zo eenvoudig is het natuurlijk allemaal niet. Het klinkt zelfs behoorlijk hoogdravend, als ik mezelf zo hoor praten. Jezus zegt: ‘wie in het donker loopt, weet niet waar hij heen gaat.’ Zo ziet het er vaak uit, hier in dit leven. We weten niets zeker, en die donkerte kennen we maar al te goed. Maar geloof is niet, dat je ineens alles helemaal zeker weet, en alleen nog maar halleluja roept – geloof is, dat je bewust bepaalde keuzes maakt waarbij je je laat leiden door hogere waarden. Je kan ook zeggen dat je je laat leiden door God. Of door Jezus. Het maakt niet uit, als er maar iets gebeurt, als er maar iets in beweging komt, waardoor het licht steeds vrijer kan stromen. Dit soort keuzes kunnen voor iedereen weer anders uitvallen, we zien er hier vandaag weer een voorbeeld van, als we straks Inge en Cokkie opnieuw bevestigen in het ambt van ouderling en diaken. Dat is een bewuste keuze, waarbij ze duidelijk niet alleen aan zichzelf gedacht hebben. Als gemeente kunnen we daar alleen maar heel blij en dankbaar voor zijn. Ik heb een lied gevonden, wat we straks gaan zingen, die ik wel zeer toepasselijk vond, voor Inge en Cokkie, maar ook als voorbeelden van die keuzes voor hogere waarden, waar we het net over hadden, en waar dat op uitloopt: ‘gezegenden zijn zij’, zegt het lied.
 
 
 

Viering Elthetokerk 11 maart 2012

Kaars aansteken - tekst:
'Geloof is een te veelduidig woord geworden. Dat maakt het moeilijk om de oorspronkelijke kracht ervan boven water te krijgen. Vertrouwen is een beter woord, dat vraagt om meer. Martin Luther King zei het als volgt: ‘Als je vertrouwen hebt, hoef je niet de hele trap te zien om de eerste stap te zetten.’ (Uit ‘Catechismus van de compassie – uit de kunst’, (Christiane Berkvens–Stevelinck / Ad Alblas)

Verhaal voor de kinderen: Frans de vrolijke bosmier (uit 'Contact met God' Rini Rikkert)
Frans viel op, in de mierenhoop. Met zijn uiterlijk had dat niets te maken, hij was klein en wat miezerig, zelfs voor een mier. Bijzonder was, dat hij altijd naar boven wilde, terwijl alle andere mieren gewoon naar beneden gingen. Boven viel niets te halen, beneden moest je zijn, daar was eten, daar was het te doen, daar was het goede leven. Mieren houden van werken, werken is hun leven. Frans zag minder heil in al dat gesleep en gedoe. Hij bleef maar roepen: er moet toch méér zijn dan dit. Het leven is toch niet alleen maar bedoeld om te werken tot ik er bij neerval! Laten we feesten! Laten we tochtjes gaan organiseren om de wereld te zien!  Laten we naar de top van onze berg klimmen, onze uiterste grenzen verkennen! De mieren lachten: ‘die gekke Frans toch’ en gingen verder met hun werk. Op een goede dag kondigde hij aan dat hij op ontdekkingsreis zou gaan. Wilde er nog iemand mee? Niemand wilde. De raad van oudsten, twaalf statige stijve bosmieren, kwam in spoedberaad bijeen en zij spraken hun bezorgdheid uit.  ‘Frans, weet je wel hoe boos de buitenwereld is’  vroegen zij. Frans wist er alles van. Hij was al eens bijna geplet, toen hij zich ver van de hoop gewaagd had. Grote zwarte zolen waren hem rakelings gepasseerd, het had geen haartje gescheeld of dit ‘wezen’ had van de vrolijke Frans een dode Frans gemaakt. Maar was dat een reden om voortaan thuis te blijven?  Dat nooit! Angst is iets om te overwinnen, niet om voor te buigen!
Zo vertrok Frans vrolijk fluitend naar de top van zijn berg, een plek waar ooit zijn voorouders begonnen waren, een geheimzinnige plek, alleen bekend van verhalen en sprookjes. Het werd geen gemakkelijke reis. De gangen waren soms nauwelijks begaanbaar, soms was er weer een toegang versperd door een instorting en moest hij mijlen omlopen, soms verdwaalde hij jammerlijk en kwam weer op een zelfde punt uit waar hij een uur geleden ook al langs was gekomen. Maar Frans gaf het niet op. Een enkele keer kwam hij een eenzame mier tegen die hem verder hielp met wat eten of een plattegrondje. Frans bedankte ze en klom verder. Zijn doel was de top.
Toen hij zijn doel eindelijk bereikte duurde het even voor het tot hem doordrong. Het was geleidelijk lichter geworden en de wirwar van takjes en aarde onder zijn voeten zag er nog precies zo uit als eerst. Het verschil zat hem in de lucht boven hem en mieren zijn niet gewend om naar boven te kijken. Frans moest zo ongeveer op zijn rug gaan liggen, maar toen zag hij het meest prachtige blauw dat hij ooit gezien had. Dit was het, dit moest de hemel zijn. Zoiets groots en oneindigs, Frans voelde hoe het blauw hem raakte, hoe hij het blauw van de hemel wérd. Een mierenervaring die met niets viel te vergelijken.
Het duurde even voor de zware geluiden tot hem doordrongen. Met een schok stond Frans weer met al zijn poten op de grond. Dit geluid kende hij! De zwarte zolen! Er kwam een WEZEN aan! Stijf van angst zat Frans daar, boven op zijn mierenhoop. Maar er gebeurde niets. Het werd stil. Frans deed één oog voorzichtig open, en toen nog één. Van verbazing sperde hij ze steeds verder open. Hij zag geen zwarte zolen, hij zag een enorm lichaam, een paar benen, een lijf, armen.. en zat daar nog meer bovenop? Het beeld werd te vaag, de afstand was te groot. Was dit een WEZEN? Die had hij zich heel anders voorgesteld! Dit zag er helemaal niet uit als een giga-mier! Zijn hoofd duizelde. Voorzichtig draaide hij zich om en ging terug, de mierenhoop binnen. Terug naar zijn familie, naar zijn vriendinnetje Clara, die waarschijnlijk de enige zou zijn die hem zou geloven. Hij was in de hemel geweest én hij had het Wezen gezien. Frans was gelukkig.
 

We zitten momenteel midden in de 40-dagentijd, de tijd van bezinning vóór Pasen. Het leek me daarom goed om in deze dienst de bezinning toe te spitsen op iets dat eigenlijk maar zelden als onderwerp aan de orde komt: dat is God zelf. Nu haast ik mij natuurlijk meteen om te zeggen dat ik niet de pretentie heb om u daar de waarheid eens over te gaan onthullen, maar wat ik wel kan doen, is zeggen hoe ik in de loop der jaren geleerd heb daar tegenaan te kijken, en u uit te nodigen daar eens over na te denken en misschien uw eigen oordeel te vormen. Ik begin met twee lezingen die twee benaderingen laten zien: de eerste is uit de bijbel, en vertelt het ervaringsverhaal van Elia. De tweede is een meer wijsgerig-theologische benadering van ene Dionysius, een beroemde theoloog uit de vijfde eeuw, die minstens duizend jaar lang toonaangevend geweest in de Christelijke traditie. Laten we beginnen met Elia.

Schriftlezing: 1 Koningen 14
Elia werd bang en vluchtte om zijn leven te redden. Bij Berseba in Juda aangekomen liet hij zijn knecht achter en zelf trok hij één dagreis ver de woestijn in. Daar ging hij onder een bremstruik zitten, verlangend naar de dood, en zei: ‘Het is genoeg geweest, God. Neem mijn leven, want ik ben niet beter dan mijn voorouders.’ Hij viel onder de bremstruik in slaap, maar er kwam een engel, die hem aanraakte en zei: ‘Word wakker en eet wat.’ Elia keek op en ontdekte naast zijn hoofd een brood, in gloeiende kooltjes gebakken, en een kruik water. Nadat hij had gegeten en gedronken ging hij weer onder de struik liggen. Maar de engel van de Eeuwige kwam terug, raakte hem opnieuw aan en zei: ‘Sta op en eet wat, anders is de reis te zwaar voor je.’ Elia stond op, en toen hij had gegeten en gedronken liep hij, gesterkt door dit voedsel, veertig dagen en veertig nachten door de woestijn, tot hij bij de Horeb kwam, de berg van God. Daar ging hij een grot binnen om er de nacht door te brengen.
Toen richtte de Eeuwige zich tot hem met de woorden: ‘Elia, wat doe je hier?’ Elia antwoordde: ‘Ik heb me met volle overgave ingezet voor de Eeuwige, de God van de hemelse machten, maar de Israëlieten hebben uw verbond met hen naast zich neergelegd, uw altaren verwoest en uw profeten gedood. Ik ben als enige overgebleven, en nu hebben ze het ook op mijn leven voorzien.’ ‘Kom naar buiten,’ zei God, ‘en treed hier op de berg voor mij aan.’ En daar kwam de Eeuwige voorbij. Er ging een grote, krachtige windvlaag voor God uit, die de bergen spleet en de rotsen aan stukken sloeg, maar de Eeuwige bevond zich niet in die windvlaag. Na de windvlaag kwam er een aardbeving, maar de Eeuwige bevond zich niet in die aardbeving. Na de aardbeving was er vuur, maar de Eeuwige bevond zich niet in dat vuur. Na het vuur klonk het gefluister van een zachte bries. Toen Elia dat hoorde, sloeg hij zijn mantel voor zijn gezicht. Hij kwam naar buiten en ging in de opening van de grot staan, en daar klonk een stem die tot hem sprak: ‘Elia, wat doe je hier?’  Elia antwoordde…

Een mooi commentaar vond ik in het boekje ‘catechismus van de compassie – uit de kunst’, door Ad Alblas:

‘Elke cultuurperiode en levensfase heeft bepaalde stereotype godsvoorstellingen. Wie dat niet opmerkt of ontkent, houdt het verdampen van die beelden voor het verdwijnen van God.
De oude vertrouwde ervaringen uit de traditie kunnen hun zeggingskracht verliezen, eigen ondervindingen krachteloos worden. Maar de leegte die zo ontstaat is een welkome ruimte voor nieuwe ervaringen. Dat is precies wat Elia meemaakt. Als hij bij de grot is, volgen natuurverschijnselen, storm, windvlaag, aardbeving en vuur, elkaar in een onmogelijk tempo op, alsof Elia in de tijd terug geslingerd wordt. Elia beleeft zowel de afwezigheid als de aanwezigheid van God. Maar woorden schieten te kort om zijn beleving uit te drukken. Chaotische natuurverschijnselen nemen het over. En dan volgt de fluistering van een zachte stilte. Dát is het moment waarom Elia zich realiseert dat God de chaos te boven gaat, dat God in de stilte woont.’

Tweede lezing:
Van oudtestamentische tijden naar de vroege middeleeuwen: de schrijver die later genoemd werd ‘pseudo-Dionysius’, en leefde in de vijfde eeuw, maar bekend stond als de man die in het Bijbelboek Handelingen al genoemd wordt ‘Dionysius de Areopagiet’. Je beroepen op een oude naam werd in die tijd vaker gedaan: ook in de bijbel gebeurde dat al, denk maar aan de psalmen van David, die duidelijk niet allemaal door David geschreven zijn. Het was Erasmus die pas rond 1500 openlijk begon te twijfelen aan de herkomst van de tot dan toe beroemde en toonaangevende boeken van deze pseudo-Dionysius.
Hij schreef bijvoorbeeld een theologisch boek over de absolute transcendentie van God. Over dit onvoorstelbare 'Het' zegt hij:
‘Het is niet één, noch is Het eenheid,
noch is Het Godheid, of Goedheid,
noch is Het een Geest, zoals wij die term begrijpen,
aangezien Het geen Zoonschap of Vaderschap is,
noch is Het enig ander ding waar wij of iemand anders kennis van kunnen hebben;
noch behoort Het tot een categorie van niet-bestaan of die van bestaan...'
Zo gaat hij door en zegt dan ook, dat 'Het' duisternis is noch licht. Hij eindigt met het paradoxale beeld: God is
‘de verblindende Duisternis
die alle glans overschaduwt
met de intensiteit van haar donkerte.
Alleen wanneer wij al het begrippelijke en zintuiglijke achter ons laten,
kunnen wij tot God naderen en ons daarmee verenigen.’
Zijn meest bekende boek was wel het boek over de hemelse hiërarchieën. Dit gedachtegoed is voor een belangrijk deel ook door de Oosters orthodoxe kerk overgenomen. De hele kosmos is in wonderbare harmonie volgens drie trappen met ieder drie treden gevormd; naar het oerbeeld van de drieënige oerschoonheid van God.
Het Goddelijke, de hiërarchieën , zoals Dionysius dat noemt, zijn
een heilige trapsgewijze ordening, kennis en activiteit met negen treden.
De wezens op deze treden willen zoveel mogelijk tot gelijkheid met God komen.
Iedere hiërarchie schouwt naar de goddelijke schoonheid,
geeft deze zoveel mogelijk weer
en wordt zo tot een goddelijk beeld en tot een heldere spiegel.
De ‘spiegels’ nemen de stralen van de oerbron van het licht op
(en die oerbron is die ‘verblindende duisternis’, het hart van God)
en laten deze weer op de volgende orde van een hiërarchie schijnen.

De centrale gedachte van Dionysius is, dat God licht is.
Aan dit oorspronkelijke ongeschapen licht heeft elk schepsel deel.
Elk schepsel ontvangt de Goddelijke verlichting en geeft deze naar vermogen door.
Het universum vormt dus als het ware een trapsgewijze waterval van licht.
De hele kosmos deelt in dit licht, zowel de gedachtewereld als de stoffelijke wereld.
Binnen iedere hiërarchie vindt een passieve en een actieve reiniging,
verlichting en vervolmaking plaats.
De verschillende rangen binnen een hiërarchie
delen hun reinheid, licht en vervolmaking aan een andere rang mee.
Doen dus alle als middelaar dienst, in opwaartse en afdalende richting.
Naar beneden neemt kracht en schittering af.
De aarde en de mensen staan als het ware helemaal onderaan de trap.
Christus is voor Dionysius de grote inspirator van dit alles.
De latere grote reformatoren vonden die rol van Christus in dit geheel veel te mager, zij wilden dat alle aandacht en alle eer uitsluitend op hem gericht mocht worden. Dat betekende het min of meer wegzakken in de vergetelheid van deze leer.

Preek:
Het is eigenlijk gek, hoe vaak we dat woord ‘God’ gebruiken, zonder goed van elkaar te weten wat we ons daar nu eigenlijk bij voorstellen. We bidden tót God, we lezen in de bijbel óver God, of in ieder geval over de ervaringen van mensen met God, en we benoemen eigenschappen van God, zoals kracht, licht, trouw, waarheid, gerechtigheid, liefde… Maar dan houdt het ook al gauw op. De rest is mysterie. Of, zoals Dionysius dat zo mooi zegt ‘verblindende duisternis’.  Toch geven we onze pogingen om meer over God te weten te komen niet op. Dat zit nou eenmaal in de nieuwsgierige menselijke aard. Ik weet dat ik mijn kinderen of mijn geliefde ook nooit helemaal zal kennen of begrijpen, maar dat weerhoudt me er niet van om het altijd te blijven proberen, en dan geeft het veel voldoening als je merkt dat zo’n relatie daardoor ook groeit.

Maar dan heb ik het al over relaties, en daar past ook alweer een bepaald beeld van God bij, een beeld dat niet iedereen met mij zal delen. Ik las zojuist twee verhalen, een ervaringsverhaal van Elia en een theologisch verhaal van Dionysius. Geloof in God is niet begonnen met de bijbel, maar begonnen met ervaringen van mensen met het hogere, over de hele wereld, door alle eeuwen. Er zijn genoeg mensen die dat anders zouden formuleren, die zeggen: over de hele wereld, door alle eeuwen, zijn er mensen geweest die behoefte hadden aan een hogere macht, of een verpersoonlijking van hun idealen en verlangens, en daarvoor een God (platweg gezegd) verzonnen.
Daar zit natuurlijk een kern van waarheid in. We hebben geweldig veel over God verzonnen, en niemand kent de uiteindelijke waarheid. Daarbij komt, dat ieder mens in zijn of haar leven die ooit een beroep deed op God, vaak in wanhoop, daarin wel eens diep teleurgesteld is, of zich enorm in de steek gelaten heeft gevoeld. Ook dát zijn ervaringen die we serieus moeten nemen. Die vragen rond het lijden van mensen, of de vraag naar het kwaad in de wereld – je kunt er theorieën op loslaten, ze proberen weg te verklaren, maar die vragen zullen altijd recht overeind blijven staan. In deze opzichten begrijp ik niets van God, en ik weet niet eens zeker of ik het wel wíl begrijpen.   Ik kan alleen maar zeggen, dat het voor mij niet betekent, dat er niet tóch zoiets als een Goddelijke ‘werkelijkheid’ bestaat. Omdat ik ook andere ervaringen heb, en met mij talloze anderen. Hoe ik zo zeker weet dat die niet zelfverzonnen zijn? Omdat een ontmoeting met het Goddelijke een ommekeer teweeg brengt, van het ene moment op het andere. Zo ben je nog heel verdrietig, of wanhopig, en het volgende moment ben je diep gelukkig. En dat kan je onmogelijk alleen, daar heb je iemand bij nodig. Niemand kan zichzelf aan zijn eigen haren uit het moeras trekken. Op de baron van Munchhausen na dan, maar dat is wèl een echt sprookje. Misschien vindt u dit een argument van niks, maar ík vind het tamelijk overtuigend!

Genoeg over de ervaring. Laten we eens kijken naar de theologische kant. Wie of wat is God? God is, naar mijn idee, een containerbegrip, een verzamelwoord waar van alles onder valt. Vergelijk het met andere zogenaamde containerbegrippen, zoals ‘de kerk’ of ‘de staat’. Wie praat over ‘de staat’ weet wel dat daarachter allerlei onderdelen schuil gaan, van de belastingen tot de koningin, tot de regering, noem maar op. We horen allemaal bij die ‘staat’. En als we het hebben over ‘vadertje staat’ begrijpt iedereen dat het overdrachtelijk bedoeld is. Maar vreemd genoeg denken veel mensen als het over ‘God de vader’ gaat, ineens dat God niet anders is dan een persoon. Wat tamelijk onwaarschijnlijk is. God is veel meer dan dat. Eigenlijk zou je dus altijd moeten spreken over ‘het Goddelijke’, of, zoals ik zelf vaak zeg, bijvoorbeeld zoiets als ‘Hogerhand’. Het zal niet voor niets zijn, dat het oudste woord voor ‘God’ in de bijbel ‘Elohim’ is, een meervoudsvorm. ‘De Goden’, dus eigenlijk. Nergens in de bijbel vind je iets van die beperking tot één persoon van de hele hogere werkelijkheid terug. Dionysius haalt alle termen voor de hogere wezens die zijn trappen van licht bevolken uit de bijbel: de serafs, cherubs, tronen, heerschappijen, krachten, machten, vorstendommen, aartsengelen en engelen, en ten slotte wij mensen. Alles, de aarde incluis, het heelal, alles is bezield door het licht van God, het hoort er allemaal bij.

Wat er wél gezegd wordt, maar dat is heel iets anders, is: God is één. Uiteindelijk vormt het, in alle verscheidenheid, een eenheid. Dionysius geeft daar een prachtig beeld voor, met zijn drie maal drie trappen van licht, waarbij alles niet alleen naar beneden, maar ook terug naar boven vloeit. Het helpt elkaar, beïnvloedt elkaar, alles is met alles verbonden, en het doel is de ultieme vereniging met die bron, waarbij God alles in allen zal zijn. En dat wordt al zo onbegrijpelijk, dat we er maar beter niet te veel over kunnen zeggen. Wij zitten veel meer in het stadium, dat we niet meer kunnen doen dan ons best, maar wel met hulp van Hogerhand, om onze spiegel steeds helderder te krijgen, zodat ook in ons leven het licht van God steeds meer weerspiegeld wordt. Dat is niet alleen goed voor jezelf, maar ook goed voor de wereld om je heen.

Concreet kan je dat op allerlei manieren vertalen. Ik hoor wel eens mensen zeggen ‘ik stel mezelf bij belangrijke beslissingen altijd de vraag ‘wat zou Jezus doen’… en dat is nog niet zo gek, Jezus is ons hierin natuurlijk tot groot voorbeeld geweest. Ik herinner me ook een lezing van de Amerikaan Neal Donald Walsch, en die had weer een andere vraag, met volgens mij hetzelfde resultaat: hij vroeg zich regelmatig af ‘is this uplifting my life’… een beetje lastig te vertalen, maar hij bedoelde zoiets als ‘word ik hier een beter mens van.’ Het antwoord kan soms heel verhelderend zijn voor je besluitvorming. Zelf probeer ik altijd als criterium de regel van de liefde te hanteren. Wordt die door dit of dat besluit, of deze actie, bevorderd, of juist tegen gewerkt? Ik denk dat wij allemaal wel dat soort criteria hebben voor onszelf, manieren waarop we in onze daden willen leren steeds meer iets van het licht van God te weerspiegelen. Of achteraf, in datzelfde licht, moeten toegeven dat we dat toch beter anders aan hadden kunnen pakken. Maar nu zitten we al weer volop aan de menselijke kant, terwijl het in deze preek zou gaan over God. Als we dat idee van God als containerbegrip weer wat meer in onze gedachtewereld zouden kunnen toelaten (en misschien is dat bij heel veel mensen hier allang het geval) dan wordt het denken over de Goddelijke werkelijkheid veel breder en veel interessanter. Hoe zit dat bijvoorbeeld met die derde hemel, waar Paulus het over heeft, en door hem benoemd wordt als ‘het paradijs’. Gaat dat een beetje in de richting van Dionysius? En wat is de rol van Jezus in dit geheel? De bijbel heeft daar zo’n prachtig beeld bij: Jezus Christus die zit aan de rechterhand van God. Tegelijk wordt hij ook wel eens de de eerstgeborene van God genoemd, en zo lijkt het, alsof met hem alle materie, het hele scheppingsgebeuren, de hele kosmos begonnen is. Is die verblindende duisternis, die mysterieuze bron van kracht en licht en liefde – is dat dan de eeuwige kern, en zou je de Christus als de eerste en hoogste uitvoerende macht kunnen beschouwen, die nog altijd elk moment bij onze wereld betrokken is?
Misschien is dat nog eens stof voor een volgende preek. Er blijven gelukkig altijd genoeg vragen over, en het lastigste is altijd om niet alles in één keer overhoop te willen halen. Daarbij is de kans groot dat u zelf weer met hele andere vragen zit rondom God, die hier niet of nauwelijks aan bod zijn gekomen. Ik hoor ze graag van u! Uiteindelijk is en blijft natuurlijk het allerbelangrijkste hoe wij zelf God vorm en inhoud geven hier op deze aarde, in dit leven. En hoe meer we over God te weten komen, des te beter zal dat gaan. Amen.

(ik houd mijn oog gericht op de Heer, ps 25:15 – zondag oculi; deel uit ‘zo lang wij ademhalen’ gebeden van Sytze de Vries)

U danken wij, God
dat u door het donker heen
de hand hebt vastgehouden
van de mens Jezus
en in hem
onze handen.

Laat het ons niet ontbreken
aan hetzelfde vertrouwen
dat Hij in U stelde.
Laten wij niet ontbreken
waar uw wil gedaan wordt
als u uw beleid volvoert.

Wij bidden
voor mensen
die alleen gelaten worden
in eenzaamheid en angst,
in verdriet en doodsnood.
Dat zij niet aan het donker
worden overgelaten,
maar een hand vinden
die hen redt.
Geef ons durf
die hand te zijn.

Wanneer elk gebed voor mensen zinloos wordt,
omdat zij er niets van verwachten,
omdat zij niet meer
door de knieën willen gaan,
omdat zij geen woorden meer hebben,
bidden wij voor hen.
Laat ons hier
telkens weer
de adem en de woorden vinden
om te bidden
voor elkaar, voor onszelf.
 
 


 
 

Viering Elthetokerk 26 februari 2012

Kaars aansteken - tekst:
(Uit: Henri Nouwen; ‘Open uw hart – de weg naar onszelf, de andere en God’ – blz. 12, inleiding)
‘Spiritueel leven is een speurtocht naar ons diepste zelf, onze medemensen en onze God. In ons onstuimige, dikwijls chaotische leven worden we opgeroepen op zoek te gaan: moedig en eerlijk naar ons eigen zelf, met niet aflatende zorg naar onze medemensen en met steeds intensiever gebed naar onze God. Maar om dat te doen moeten we onze innerlijke rusteloosheid, onze gemengde gevoelens jegens anderen en onze diepgewortelde argwaan over Gods afwezigheid onder ogen zien en eerlijk onderzoeken.’

Verhaal voor de kinderen – thema: ‘eenzaamheid’
‘Jij mag niet meedoen’ zegt Anna tegen Sofie. Ze staan op het schoolplein, met een heleboel meisjes uit hun groep. Anna en Sofie hebben gisteren ruzie gehad, en nu heeft Anna het aan iedereen verteld, en doet ze net of het allemaal de schuld is van Sofie. Met als gevolg dat iedereen haar links laat liggen. Ze mag niet eens meedoen met het spelletje! Heel verdrietig loopt Sofie naar de andere kant van het schoolplein. Daar zit, tegen het hek, Petra, een boek te lezen. Petra zit ook in hun groep, maar eigenlijk spelen ze nooit met haar, waarom, dat weet Sofie niet eens. Ze gaat naast haar zitten, Petra kijkt haar verbaasd aan. ‘Wat is er’ vraagt ze kort. ‘Ik mag niet meedoen’ zegt Sofie verdrietig. Petra lacht. Het is geen vrolijk lachje. Sofie kijkt eens opzij. Zou Petra zich altijd net zo voelen als zij zich nú voelt? In een opwelling zegt ze: ‘heb je soms zin om na school bij mij te komen spelen?’ Petra knikt voorzichtig van ‘ja’. Samen lopen ze naar binnen. Daar staat Anna al bij de deur te wachten. ‘Sorry’ zegt ze, ‘ik had het niet aan iedereen moeten vertellen, zullen we het weer goed maken?’ Sofie kijkt eens van de één naar de ander, en zegt: ‘dat is goed. Petra komt vanmiddag bij me spelen, kom jij dan ook?’ Die middag spelen ze samen, en voortaan doet Petra ook mee. Als ze zin heeft. Want soms wil ze gewoon lekker in haar eentje een boek lezen, en dat vindt niemand meer gek, zo is Petra gewoon.

Eerste schriftlezing: Marcus 1: (9-)12 t/m 15
(In die tijd kwam Jezus vanuit Nazaret, dat in Galilea ligt, naar de Jordaan om zich door Johannes te laten dopen. Op het moment dat hij uit het water omhoogkwam, zag hij de hemel openscheuren en de Geest als een duif op zich neerdalen, en er klonk een stem uit de hemel: ‘Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde.’)

Meteen daarna dreef de Geest hem de woestijn in. Veertig dagen bleef hij in de woestijn, waar hij door Satan op de proef werd gesteld. Hij leefde er te midden van de wilde dieren, en engelen zorgden voor hem.
Nadat Johannes gevangen was genomen, ging Jezus naar Galilea, waar hij Gods goede nieuws verkondigde. Dit was wat hij zei: ‘De tijd is aangebroken, het koninkrijk van God is nabij: kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws.’

Tweede Lezing: over eenzaamheid (Henri Nouwen, ‘Open uw hart’ blz 26)

Van woestijn tot bloeiende tuin
Wat moeten we aan met de existentiële eenzaamheid die zo dikwijls opduikt in ons bewustzijn en daar een wanhopig gevoel van verlatenheid geeft? Wat betekent het wanneer we zeggen dat vriendschap of liefde, huwelijk of een andere samenlevingsvorm die eenzaamheid niet kan opheffen? Soms zijn illusies beter te verteren dan de werkelijkheid, en waarom zouden we dan geen gehoor geven aan ons verlangen onze eenzaamheid uit te schreeuwen en iemand te zoeken die we kunnen omhelzen en in wiens armen zowel ons gespannen lichaam als onze geest even een diepe rust kan vinden en genieten van de kortstondige ervaring begrepen en geaccepteerd te worden? Dat zijn moeilijke vragen omdat ze opwellen uit ons gewonde hart, maar we moeten ernaar luisteren ook al zetten ze ons op een moeilijk begaanbare weg. Die moeilijk begaanbare weg is de weg van de verandering, de weg waarop eenzaamheid overgaat in alleen-zijn. We moeten niet weglopen voor onze eenzaamheid of proberen haar te vergeten of te ontkennen, maar we moeten haar beschermen en omvormen tot een vruchtbaar alleen-zijn. Als we ernst willen maken met de spirituele kant van ons leven moeten we eerst de moed vinden om de woestijn van onze eenzaamheid op te zoeken en deze door onze liefdevolle en niet-aflatende inspanningen te veranderen in een tuin van innerlijk alleen-zijn. Dat vraagt niet alleen om moed maar ook om een sterk geloof. Het is net zo moeilijk te geloven dat de dorre desolate woestijn een zee van bloemen kan voortbrengen, als ons voor te stellen dat onze eenzaamheid een ongekende schoonheid in zich bergt. Toch is de weg van eenzaamheid naar innerlijk alleen-zijn het begin van ieder spiritueel leven, omdat het de weg is van de rusteloze zinnen naar de rustgevende geest, van een honger naar alles wat ons omringt naar een innerlijk gericht zoeken, van een angstig vastklampen naar een luchtige onbezorgdheid.
Die enkele keer dat we zorgvuldig luisteren naar ons rusteloze hart kunnen we gaan aanvoelen dat er in onze droefheid ook vreugde is en vrede in onze angst, dat in onze hebzucht ook de kiem ligt tot medeleven en dat we ergens in onze kwellende eenzaamheid ook de aanzet kunnen vinden tot een rustig alleen-zijn.

Preek:
Pasen valt redelijk vroeg dit jaar, we zitten alweer in, zoals dat heet, ‘de 40-dagentijd’, de voorbereidingstijd op Pasen. Sinds twee jaar zijn er, op verzoek van een aantal gemeenteleden, in de laatste stille week, in de aanloop naar Pasen, hier in de Elthetokerk vieringen op witte donderdag, goede vrijdag en in de paasnacht. We volgen in die dagen de geschiedenis van de laatste dagen van Jezus op de voet: donderdags het laatste avondmaal, vrijdags de lijdensgeschiedenis en zaterdag de opstanding. Waarom is dat belangrijk, vragen mensen zo nu en dan? Vier keer achter elkaar naar de kerk, is dat niet een beetje veel van het goede?! Is een viering op goede vrijdag en met Pasen niet genoeg? We kennen die geschiedenis toch wel, waarom zou je dat ieder jaar zo uitgebreid moeten herhalen?

Het antwoord ligt in de diepere lagen van al deze verhalen, en dus ook van deze vieringen. We hebben het over Jezus, maar tegelijk gaat het over onszelf. Pasen valt ook niet voor niets aan het eind van de winter: na een lange tijd van donkerte en kou gaan we weer richting warmte en licht. In ons eigen leven maken we dat op een dieper niveau ook mee. Iedereen die wel eens wat dieper graaft, voelt in zichzelf soms eenzaamheid de kop opsteken, of verdriet om de grimmigheid van de dood, of gekwetstheid door het gedrag van anderen. Dan kan je twee dingen doen: weigeren je bezig te houden met die diepte, en zo veel mogelijk aan de oppervlakte blijven met je gedachten en je gevoelens. Sommigen lukt dat, door zo lang en zo veel mogelijk druk bezig te blijven met van alles en nog wat. Als dat je manier van leven is, dan zijn die paasvieringen inderdaad misschien niets voor jou, want daar word je er met je neus bovenop gedrukt.

Maar deze manier van leven houdt niet alleen de narigheid op afstand, maar ook alle andere diepere emoties, zoals de echte vreugde, of een levende relatie met God. Alles wordt vlakker en grijzer. Het kan ook anders. Je kan ook die moeilijke, verdrietige kanten van het leven liefdevol aanvaarden, het zelfs samen vieren, in muziek en woorden en symbolen tot uitdrukking brengen, en er zo ruimte voor scheppen. Het mag er zijn. Het hoort bij het leven. De vieringen van witte donderdag en goede vrijdag zijn daarvoor bedoeld. We leven mee met Jezus, het verraad, de pijn, de gang naar het einde - en daarin herkennen we ons eigen leven, onze eigen geloofsvragen. Maar daar blijft het niet bij, en dat is het goede nieuws wat Jezus kwam verkondigen: dan komt er licht in de duisternis, dan wordt het Paasnacht. We staan weer op, we zien het licht, we lopen met elkaar vanuit de duisternis in de richting van die andere kant van het leven, de liefdevolle en vreugdevolle kant. Zo komt alles weer in evenwicht, zo kunnen we dan op zondag Paasfeest vieren, en vanuit de grond van ons hart  ‘halleluja’ roepen. Ik hoop, ik hoop echt dat we dit met elkaar straks in de stille week gaan meemaken, dat u, dat jij ook meedoet.

Maar nu staan we nog helemaal aan het begin. Traditiegetrouw wordt dan het verhaal van Jezus in de woestijn gelezen, als een soort voorafspiegeling van wat komen gaat. Nouwen gebruikt het beeld van de woestijn voor dat wat ieder mens vroeg of laat in zijn of haar leven tegenkomt: een diep gevoel van eenzaamheid. Was Jezus eenzaam in de woestijn? Marcus geeft hem wel gezelschap: satan, de wilde dieren en de engelen. Het lijkt me, dat die de eenzaamheid eerder groter dan kleiner maakten. Hoe je het ook wil opvatten, letterlijk of figuurlijk, wij zouden zeggen dat Jezus tussen zijn doop en zijn optreden in een behoorlijke ‘dip’ heeft gezeten. Depressief, angstig, eenzaam – noem maar op, Marcus weet het in een paar eenvoudige woorden in verhaalvorm neer te zetten. De engelen vormen de overgang naar de volgende scene, waarin Jezus het goede nieuws gaat verkondigen. Er is iets gebeurd, in die eenzaamheid, zoveel is duidelijk. Er is een omkeer gekomen. Ik denk dat Henri Nouwen gelijk heeft, als hij zegt dat het belangrijk is voor ieder mens, om in het reine te komen met die eenzaamheid. Hij noemt het: de eenzaamheid omzetten in alleen-zijn. Je er niet langer tegen verzetten, en er ook niet langer voor weglopen: nee, de eenzaamheid accepteren als onderdeel van het menselijke bestaan. Het hoort er bij. Wij hebben daar een rare uitdrukking voor ‘je wordt alleen geboren en je gaat alleen dood’. En God? Die is er niet om je uit je eenzaamheid te bevrijden, net zo min als je familie of je geliefde of je mede-kerkleden er zijn om je uit je eenzaamheid te bevrijden. Je voelt het hoogstens minder sterk, als zij in de buurt zijn. En soms is dat zó belangrijk voor mensen, dat ze er alles voor over hebben. Maar het besef alleen te zijn vervreemdt ons niet van de ander, het opent juist de weg naar echte medemenselijkheid.
 

Wanneer we alleen zijn, zegt Nouwen, kunnen we aandacht hebben voor ons diepste zelf. Dat heeft niets te maken met egocentriciteit of een ongezond navelstaren. De dichter Rilke schrijft ergens: ‘wat er in uw diepste innerlijk gebeurt is uw volle liefde waard’. In ons alleen-zijn kunnen we bij onszelf komen. Daar kunnen we ook aanwezig zijn voor de ander door hem of haar de hand toe te steken, niet omdat we hunkeren naar aandacht en medeleven, maar omdat we onszelf willen inzetten om samen een gemeenschap van liefde te bouwen.

Thomas Merton, die zijn laatste jaren doorbracht als kluizenaar, heeft daar veel over nagedacht. Hij schrijft: ‘In diep alleen-zijn vind ik de mildheid waarmee ik werkelijk van mijn broeders en zusters kan houden. Hoe meer ik alleen ben, des te dierbaarder zijn ze mij. Het is pure genegenheid die vol eerbied is voor het alleen-zijn van anderen. Ik ben, schrijft hij, ontzaglijk blij méns te zijn, te horen tot de soort waarin God zijn aardse gestalte heeft aangenomen. De zorgen en stommiteiten van ons mensdom kunnen me niet meer overweldigen nu ik besef wat we allemaal zijn! Als iedereen dat nu eens kon beseffen! Maar het is niet uit te leggen. Op geen enkele manier kun je de mensen vertellen dat ze als stralende zonnen op aarde rondlopen. En dan besluit hij: Dit verandert niets aan de zin en waarde van mijn afzondering, want juist door die afzondering gaat een mens dit alles zien met een helderheid die niet is weggelegd voor iemand die volledig opgaat in de andersoortige zorgen en illusies en al die automatismen van een met anderen gedeeld bestaan. Er bestaat een diep innerlijk alleen-zijn, waarin we onze onderliggende eenheid kunnen beseffen en in diepe verbondenheid kunnen leven met onze medemensen en met God.

In het boekje van Henri Nouwen staat een verhaal, waar ik deze preek mee wil besluiten. Hij vertelt:
‘Levendig herinner ik me de dag waarop een man die vroeger college bij me had gelopen, weer terugkwam op het instituut en mijn kamer binnenliep met de ontwapenende opmerking: ‘Dit keer kom ik niet met problemen of vragen. Ik heb je raad en advies niet nodig, ik wil alleen maar even bij je zijn.’ We zaten op de grond tegenover elkaar en praatten over alles wat het leven ons het afgelopen jaar gebracht had, over ons werk, onze gemeenschappelijke vrienden en onze innerlijke rusteloosheid. De minuten verstreken en van lieverlee vielen we stil. Het was geen zwijgen dat ons in verlegenheid bracht maar een stilte die ons dichterbij elkaar kon brengen dan alle kleine en grote gebeurtenissen van het afgelopen jaar. Nu en dan hoorden we een auto langskomen en de geluiden van iemand die ergens een vuilnisemmer leegde. Maar dat stoorde ons niet. De stilte die tussen ons ontstond was warm, mild en trillend van leven. Af en toe keken we elkaar aan met een halve glimlach, die de laatste restjes vrees en achterdocht wegvaagde. Het als alsof we ons in die aldoor dieper wordende stilte steeds meer bewust werden van de aanwezigheid van een ander die ons beiden omvat hield. Toen zei hij: ‘Het is goed om hier te zijn,’ en ik zei: ‘Ja, het is goed om weer bij elkaar te zijn,’ en daarna waren we weer heel lang stil. En terwijl de lege ruimte tussen ons zich met een diepe vrede vulde zei hij aarzelend: ‘Als ik naar je kijk, is het alsof ik samen ben met Christus.’ Ik was niet geschokt of verbaasd en voelde ook geen neiging om te protesteren, ik kon alleen maar zeggen: ‘Dat is de Christus in jou die de Christus in mij herkent.’ ‘Ja,’ zei hij, ‘hij is werkelijk bij ons,’ en toen sprak hij de woorden die doordrongen tot mijn ziel als de meest helende woorden die ik in jaren had gehoord: ‘Van nu af aan is, waarheen jij gaat of waarheen ik maar ga, alle grond tussen ons heilige grond.’ En toen hij weer wegging wist ik dat hij me had laten zien wat gemeenschap werkelijk betekent.

Viering Elthetokerk 12 februari 2012 (avondmaal)

Kaars aansteken:
tekst (Blaise Pascal, franse wiskundige en filosoof):
Men zou heel goed kunnen begrijpen dat er een God is, zonder te weten wat hij is’.

Eerste schriftlezing 2 Koningen 5: 1-15 (gedeelten)

Ezechiël geroepen
Op de vijfde dag van de vierde maand in het dertigste jaar, toen ik te midden van de ballingen bij het Kebarkanaal woonde, opende zich de hemel en kreeg ik een visioen van God. Dit is wat ik zag: een stormwind, komend uit het noorden, een grote gloeiende wolkenmassa, een vuur van bliksemflitsen. Daar middenin zag ik iets dat glansde als wit goud. In het midden van het vuur zag ik iets dat leek op een viertal wezens. Ze leken op iets dat eruitzag als brandende, vurige kolen; ze zagen eruit als fakkels. Er ging vuur heen en weer tussen de wezens, een gloeiend vuur, en er kwam bliksem uit het vuur. En zo flitsten de wezens heen en weer, als bliksemstralen.
En boven de hoofden van de wezens was een soort koepel, glinsterend als ijs, angstwekkend – deze koepel strekte zich hoog boven hun hoofden uit. En boven de koepel zag ik iets dat leek op een troon van saffier, en daarboven, op die troon, zag ik een gedaante als van een mens. Vanaf wat zijn lendenen leken te zijn naar boven toe zag ik iets dat glansde als wit goud en door iets als vuur omgeven was, en naar beneden toe zag ik iets als vuur, omgeven door een stralende gloed. Zoals de boog die bij regen verschijnt in de wolken, zo zag die gloed eruit.
Dit was de aanblik van de stralende verschijning van de HEER, en toen ik dit alles zag, wierp ik me voorover op de grond.

Tweede schriftlezing 1 Corinthiërs 15: 35-49
Nu zou iemand kunnen vragen: ‘Maar hoe worden de doden opgewekt? Hoe zou hun lichaam eruit moeten zien?’ Wat in vergankelijke vorm wordt gezaaid, wordt in onvergankelijke vorm opgewekt, wat onaanzienlijk en zwak is wanneer het wordt gezaaid, wordt met schittering en kracht opgewekt. Er wordt een aards lichaam gezaaid, maar een geestelijk lichaam opgewekt. Wanneer er een aards lichaam is, is er ook een geestelijk lichaam. Zo staat er ook geschreven: ‘De eerste mens, Adam, werd een levend, aards wezen.’ Maar de laatste Adam werd een levendmakende geest. Niet het geestelijke is er als eerste, maar het aardse; pas daarna komt het geestelijke. De eerste mens kwam uit de aarde voort en was stoffelijk, de tweede mens is hemels. Ieder stoffelijk mens is als de eerste mens, ieder hemels mens is als de tweede. Zoals we nu de gestalte van de stoffelijke mens hebben, zo zullen we straks de gestalte van de hemelse mens hebben.
Wat ik bedoel, broeders en zusters, is dit: wat uit vlees en bloed bestaat kan geen deel hebben aan het koninkrijk van God; het vergankelijke krijgt geen deel aan de onvergankelijkheid.
 

Preek:
Ik hoop dat u niet geschrokken bent van het thema van deze zondag, de vraag naar het hiernamaals. Ik vond het zelf wel mooi aansluiten bij dat merkwaardige hemel-visioen van Ezechiël, en daar kwam bij dat in de gespreksgroep afgelopen week hetzelfde thema aan de orde kwam. Ik vind het zelf heel interessant, maar ik ben me er ook van bewust dat het voor veel mensen een taboe-onderwerp is. Aan de andere kant wordt wel gezegd, dat alle godsdienst en hoop op het hiernamaals juist ontstaan is vanuit die vraag, of misschien moet ik zelfs zeggen ‘vanuit die angst’ voor het onherroepelijke einde van dit aardse leven. Als dat zo is, moeten ze niet bij een paar spraakmakende vrijzinnige theologen als Kuitert en Arne Jonges zijn, want die maken daar in de tweede helft van de vorige eeuw korte metten mee.  Jonges zegt: ‘We zijn volledig sterfelijke mensen. We hebben geen ‘geestelijke dubbelganger’. Hoelang de idee van een onsterfelijke ziel ook heeft standgehouden – Kant ruimde er in de Praktische Vernunft nog ruimte voor in en Kuitert heeft er maar moeilijk afscheid van genomen – die kunnen we niet meer koesteren.” (uit ‘Alsof het zo is…doen, geloven, denken – Arne Jonges, blz 135)
Nou, ik koester dat geloof nog steeds, en er zijn vele andere theologen, vrijzinnig of niet, die mij daarin gelijk geven. En het merkwaardige is, dat dit geloof in een leven na de dood de laatste tijd weer groeit. Theologen zijn tegenwoordig niet de enigen, die een visie hebben op het leven na de dood. De moderne visie is vaak gebaseerd op waarnemingen of ervaringen, bijvoorbeeld de bijna-dood-ervaringen, onderzocht door o.a. de cardioloog Pim van Lommel. Zijn boek is wel eerder langsgekomen in een preek, misschien herinnert u het zich nog. Allerlei aspecten in die ervaringsverhalen komen telkens terug, zoals de liefde en het licht, de rust, en de diepe indruk die het maakte.
Toch blijft het overgrote deel van de wetenschap en een klein deel van de theologen bij het standpunt, dat dergelijke verhalen niet te bewijzen zijn, en dat er ‘dus’  echt niet zoiets kan bestaan als een ‘zesde zintuig’, of een ziel die loskomt van het lichaam. Vreemd, want er is zovéél niet te bewijzen. Dat een violist muzikaal is, ik noem maar wat, dat kan je ook niet bewijzen; dat hóór je. Dat is nooit een reden geweest om te zeggen dat er niet zoiets bestaat als ‘talent’. Dus als iemand tegen me zegt ‘er is nog nooit iemand teruggekomen’ dan kan ik het toch niet laten om dat tegen te spreken. Er zijn in deze tijd juist voor het eerst talloze mensen die wel teruggekomen zijn, en waarom zou je niet naar hun verhaal luisteren, en het serieus nemen?

Overal, en in alle tijden, hebben godsdiensten een visie gehad op een leven na de dood, mede gebaseerd op ervaringen van profeten zoals Ezechiël. Vaak heeft dat beeld ook wel een bepaalde ontwikkeling doorgemaakt, zoals in het jodendom, waar pas een eeuw voor Christus belangstelling kwam voor dit onderwerp, mede onder invloed van het Platonisme en een groeiende individualisering. Het begon met de gedachte, dat martelaren die alles voor hun geloof over hadden gehad, toch wel in de hemel opgenomen zouden worden, en hun achtervolgers gestraft. Liefst door de martelaren zelf, die daarvoor even de taak van rechter zouden krijgen. Zo kwam er een hemel voor de rechtvaardigen, en een hel voor de zondaars. Pas twee eeuwen later was die hemelse toekomst uitgebreid tot álle vrome en rechtvaardige joden, al waren er wel verschillende ideeën over. Er zou een lichamelijke verrijzenis zijn, òfwel je ziel zou opstijgen naar de hemel, sommigen dachten direct, anderen dachten dat je eerst naar de sjeool zou gaan, een soort schaduwachtig slaapbestaan, tot de laatste dag. Het christendom volgde deze ontwikkeling, al waren het daar uiteraard de volgelingen van Jezus die naar de hemel zouden gaan. Hoe dat voor de niet-christenen zou zijn, daarover werd verschillend gedacht. De officiële leer was altijd, dat zij onmogelijk in de hemel konden komen, en dat hoor je nog tot op de dag van vandaag mensen zeggen. Maar er waren ook andere geluiden.

Er is bijvoorbeeld een oude theorie van Origenes, (185 - 253/254 – in de vorige preek kwamen we ook al bij hem uit) – een theorie die aan het begin van de vorige eeuw door bekende vrijzinnige Nederlandse theologen is opgepakt en opnieuw uitgewerkt. (Deze theorie kent verschillende namen: Apokatastasis/universalisme/alverzoening). Origenes keek eerst eens naar dat woordje ‘eeuwig’ en ontdekte dat het Griekse woord aeon helemaal niet die betekenis had die wij er aan geven, het betekende veel meer zoiets als een tijdperk, een onbepaalde tijdsduur. De oudheid was een ‘aeon’, de middeleeuwen waren een ‘aeon’. En inderdaad, vaak wordt hetzelfde woord ook met ‘tijd’ of ‘tijden’ vertaald, als het woord ‘eeuwig’ of ‘eeuwigheid’ onzin zou opleveren, zoals in het ‘einde der tijden’. Is het dan niet merkwaardig dat het voor het hiernamaals ineens consequent met ‘eeuwig’ vertaald wordt? Origenes concludeerde daaruit, dat er zeker niet zoiets als een ‘eeuwige hel’ bestaat. Hij sloot niet uit dat er mensen waren, die zó ver van God waren vervreemd, dat ze na hun dood niet meteen konden terugkeren naar het licht, maar uiteindelijk zouden ook zij, na één of meer aeonen of tijdperken, de weg terugvinden, tot uiteindelijk iedereen en alles verenigd zou zijn met God en God, zoals Paulus zegt, ‘alles in allen’ zal zijn geworden. Dát was de belofte, dat íedereen uiteindelijk gered zou worden – zelfs de duivel, zegt Origenes er achteraan. Alleen op die manier doen we recht aan de liefde van God, die niemand uitsluit. Zijn visie sluit naadloos aan bij allerlei moderne ideeën van een hiernamaals als een soort school, waarbij de ziel de kans krijgt om zich steeds verder te ontwikkelen.

Maar waar bevindt zich die God en die hemel dan, waar wij ooit terecht zouden komen? Hebben we het dan over een materiele werkelijkheid? Hebben we dan nog, of weer, een lichaam? We zagen er Paulus al mee worstelen, het gaat volgens hem in ieder geval niet om het materiële aardse lichaam, dat op zal staan, nee, het zal een onvergankelijk, geestelijk lichaam zijn. Dan weet je nog niet veel meer, maar het kan helpen om te denken in verschillende dimensies. Wij leven in een drie-dimensionale wereld: lengte, breedte en hoogte. Meer kunnen we niet zien. Maar misschien bestaat er wel een vierde extra ruimtelijke dimensie, die voor driedimensionale wezens, zoals de mens, niet waarneembaar is. En een vijfde, en een zesde. Dat zou kunnen betekenen dat de Goddelijke meerdimensionale werelden onze eigen bekende driedimensionale wereld insluit. Ik vind dat wel een mooie gedachte. Tot slot van deze preek wil ik graag de oude vrijzinnige theoloog G. J. Heering (1879-1956) aan het woord laten. Hij was hoogleraar aan het Remonstrants seminarie in Leiden. Door het ouderwetse taalgebruik heen zegt hij nog steeds zeer inspirerende dingen:

‘Het eeuwig leven zal in ieder geval niet een minder maar een hoger leven zijn. Bedenk dat het niet het lichaam maar de ziel is die ziet en hoort en denkt. God zal ook de tot eeuwig leven gewekte ziel toerusten met wat nodig is.’
En of er dan een weerzien zal zijn van mensen die elkaar lief hadden op aarde? Heering stelt het ‘innig’ te hopen en ‘het niet onmogelijk’ te achten. ‘Er zal in ieder geval geen scheiding meer zijn, maar onze ziel zal Christus respectievelijk God liefhebben ‘boven alles’. ‘God is de Heer van leven en dood. Het sterven kan moeilijk zijn. Maar de bevrijding wacht. De stem van de dood kan ruw zijn en hard. Maar het is nooit de laatste stem: de dood is slechts een dienaar. Het laatste woord is aan God, aan Hem, die het Leven is en het leven geeft. Wanneer wij Hem ootmoedig naderen, dan zal het laatste woord een woord zijn van genade, een woord van vergiffenis, een woord, dat ons opricht, reinigt en binnenleidt in die wijde, wijde velden, waar de wind der vrijheid waait en waar het eeuwige licht schijnt, het licht van die Zon, die nimmer, nimmer ondergaat’.
Amen.
 
 


 
 

Viering Elthetokerk 29 januari 2012

Kaars aansteken - tekst:
(uit Trouw, dinsdag 24 januari 2011 – citaat Bart Nooteboom, hoogleraar innovatiebeleid aan de Universiteit van Tilburg)
Religie zou ik definiëren als een gerichtheid op iets dat het zelf overstijgt en een bron vormt van ontzag, inspiratie en liefde. Die bron kan een God zijn, maar ook de natuur, of het leven, de samenleving of de andere mens.

Verhaal voor de kinderen:
Vandaag gaat het in de kerkdienst over 'groeien'. Daar wil ik jullie een verhaaltje over vertellen Het gaat over een meisje, Sterre heet ze, die een heel leuke vakantie had gehad. Het was de laatste dag, morgen moest ze weer naar school, en ze werd er helemaal chagrijnig van. Boos zat ze op een grote stoel, en dacht na. Toen opeens stond ze met een ruk op, en ging naar haar moeder. ‘Mam’, zei ze. ‘Ja’, zei haar moeder, die net met het eten bezig was. ‘Mam, ik moet je wat vertellen. Ik heb besloten dat ik voortaan kind wil blijven, ik hoef niet meer groot te worden. Dat gedoe allemaal, van school, en huiswerk, en straks weer naar een ándere school, en nóg meer huiswerk… ik doe het niet meer. Ik hoef helemaal niet groot te worden, ik wil gewoon lekker altijd zo blijven en lekker TV kijken en niks doen’. Haar moeder keek eens opzij. Meende ze dat nou echt? Maar haar dochter zag er heel vastbesloten uit. Tja. Wat nu? Toen kreeg ze een idee. ‘Nou’, zei ze, ‘dan zal ik maar wat minder eten koken, want als je niet meer groeit, hoef je natuurlijk ook niet meer te eten’. Vrolijk ging ze verder roeren in een pan met saus, die heel lekker rook. ‘Mmm’, zei Sterre een beetje geschrokken, niet meer eten? Ik heb juist zo’n honger! ‘Ach’, zei haar moeder, ‘wat jammer nou’, maar ze keek helemaal niet alsof ze het erg vond. Sterre slofte weer terug naar haar stoel, en dacht er nog eens over na. Leuk hoor, zo’n moeder. Weet je wat, ze ging gewoon zélf leren koken, dan kon ze zelf bepalen wanneer en wat ze zou eten! Maar… dan was ze wèl weer aan het leren, dan kon ze eigenlijk misschien toch maar beter gewoon weer naar school gaan en op de gewone manier groot worden. Klein zijn was leuk, maar groeien en groot zijn had toch ook zo zijn goede kanten. Tevreden ging Sterre de tafel dekken, helemaal uit zichzelf. Haar moeder zag het, en moest erom lachen. Kijk, Sterre was weer een beetje gegroeid!

Eerste schriftlezing: Marcus 1: 16-20
Simon, Andreas, Jakobus en Johannes geroepen
Toen Jezus langs het Meer van Galilea liep, zag hij Simon en Andreas, de broer van Simon, die hun netten uitwierpen in het meer; het waren vissers. Jezus zei tegen hen: ‘Kom, volg mij! Ik zal van jullie vissers van mensen maken.’ Meteen lieten ze hun netten achter en volgden hem. 19 Iets verderop zag hij Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes, die in hun boot bezig waren met het herstellen van de netten, en direct riep hij hen. Ze lieten hun vader Zebedeüs met de dagloners achter in de boot en volgden hem.

Tweede schriftlezing: Kolossenzen 1: 1-12
Van Paulus, door Gods wil apostel van Christus Jezus, en van onze broeder Timoteüs. Aan de heiligen in Kolosse, gelovige broeders en zusters die één zijn in Christus. Genade zij u en vrede van God, onze Vader.
In al onze gebeden danken wij God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, voor u, want we hebben gehoord dat u in Christus Jezus gelooft en alle heiligen liefhebt, omdat u hoopt op wat in de hemel voor u gereedligt. Daarover hebt u gehoord toen aan u de waarheid verkondigd werd en het evangelie u bereikte. Overal in de wereld draagt het vrucht en groeit het, ook bij u, vanaf de dag dat u over Gods genade hoorde en de ware betekenis ervan begreep. Onze geliefde medewerker Epafras, die zich als trouw dienaar van Christus voor u inzet, heeft u daarin onderwezen. En hij heeft ons verteld over de liefde die de Geest in u opwekt.
Daarom bidden wij onophoudelijk voor u, vanaf de dag dat we dat gehoord hebben. We vragen dat u Gods wil ten volle mag leren kennen door de wijsheid en het inzicht die zijn Geest u schenkt. Dan zult u leven zoals het past tegenover de Heer, hem volkomen welgevallig. U zult vrucht dragen door al het goede dat u doet, uw kennis van God zal groeien en u zult door zijn luisterrijke macht de kracht ontvangen om alles vol te houden en alles te verdragen.
Breng dus met vreugde dank aan de Vader. Hij stelt u in staat om te delen in de erfenis die alle heiligen wacht in het licht.

Preek:
Vandaag wil ik graag samen met u nadenken over groei en verandering. Ik vond het wel een leuk thema voor deze dienst, waarbij we wat de muziek betreft juist terugkeren naar heel vroeger. Mooi om te zien hoe aandacht voor de traditie niet tegengesteld hoeft te zijn aan groei en verandering: wij genieten niet alleen van dit mooie koorgezang, we leren er misschien ook nog van, al was het maar op hoeveel verschillende manieren God in de loop der eeuwen is toegezongen! Het Gregoriaans vormt al sinds de 9e eeuw een vast onderdeel van de kerkelijke liturgie in West-Europa. De term verwijst naar paus Gregorius de eerste (rond 600). Hij was zeer geïnteresseerd in liturgie, en heeft waarschijnlijk voor het eerst richtlijnen opgesteld, waaraan de kerkelijke muziek moest voldoen. Die verzon hij niet zelf, dikke kans dat hij zich baseerde op al eeuwenlang bestaande liederen, alles in het Latijn, de kerktaal. Pas aan het eind van de middeleeuwen veranderde dat, en dat had ook met de reformatie te maken, toen mensen niet alleen zelf de bijbel gingen lezen, maar ook zelf gingen zingen in plaats van alleen maar luisteren naar het koor. Dat werden om te beginnen de berijmde psalmen op eenvoudige melodieën van bestaande volksliedjes. De katholieke mis veranderde ook, we weten allemaal wel hoe beroemdheden als Bach (die overigens protestants was) en Mozart en Vivaldi (die was ook priester) prachtige kerkmuziek hebben gecomponeerd. Het Gregoriaans raakte wat op de achtergrond, maar beleefde vanaf de 20e eeuw toch weer een revival. Ik was een paar weken geleden in de Notre Dame, in Parijs, en daar wordt iedere zondag een mis gevierd met Gregoriaanse zang. Al luisterend (en het was prachtig) begreep ik daar weer eens hoe muziek en woorden één geheel kunnen vormen, elkaar ondersteunen maar ook als het ware in dat samenspel boven zichzelf uit kunnen stijgen, en zo naar de hemel verwijzen. Daarom is een kerkdienst zonder muziek eigenlijk ondenkbaar. Wij hebben vanochtend natuurlijk  een bijzondere mix van stijlen, van heel oud naar… nee, ‘nieuw’ kan ik niet zeggen, de liederen uit Tussentijds zijn vaak ook al minstens zo’n 30 jaar oud. Die bundel werd in 2005 uitgegeven, in afwachting van de nieuwe liedbundel, die dit jaar verwacht wordt en in de plaats van het liedboek voor de kerken uit 1970 zal komen. Hoog tijd, ik zie er naar uit, want veel liederen zijn echt verouderd. Dat is een verschil met die Gregoriaanse koorzang in het Latijn: die heeft een soort eeuwigheidswaarde, die de liederen bedoeld voor gewone kerkmensen niet hebben. Tijden veranderen, en ze veranderen snel. Ons taalgebruik verandert, en, vooral als het om vrijzinnigen gaat: onze ideeën veranderen ook.

Is dat groei? Of alleen maar verandering? Wie groeit verandert, maar andersom is elke verandering nog geen groei, het kan ook krimp zijn, er kan iets verdwijnen, dood gaan. Groei heeft altijd met leven te maken. Ik hoef ter illustratie maar naar mijn kleinkinderen te kijken: vanaf het moment dat ze geboren zijn veranderen ze in een rap tempo. ‘Wat ben je weer gegroeid’ roep ik dan, als ik ze weer zie, als een echte oma die het allemaal niet meer zo goed kan bijhouden… Toch blijven ze vanaf het eerste moment datzelfde kleinkind, en hou ik alleen maar steeds meer van ze.
Dan hebben we het over lichamelijke groei, intellectuele groei ook, maar er bestaat ook zoiets als spirituele groei. Je kan ook groeien in je geloof. Dat betekent, dat de basis prima is, zoals die pasgeboren baby, maar dat er nog van alles te ontwikkelen valt. Een geweldig idee toch. Paulus gebruikt de symboliek van de boom, die groeit en steeds weer vrucht draagt. Die vrucht, dat is wat je doet in dit leven. Want alleen maar innerlijk groeien, dat is maar de helft van het plaatje, als een lied met alleen maar tekst, je moet er ook bij gaan zingen, het moet zichtbaar, hoorbaar worden.

Maar groeien gaat niet vanzelf. Een baby heeft er eten voor nodig, en liefde en aandacht. Spirituele groei vraagt ook liefde en aandacht, en bepaalde vormen van voedsel. Voor de één zijn dat de kerkdiensten, voor een ander het zingen in een koor, het kan meditatie zijn, of Bijbellezen, en ga zo maar door. Met wat zoeken kan iedereen zijn of haar eigen manier vinden, om te groeien in het geloof.
‘Moet dat dan? Is dat nodig?’ vraagt u misschien. Je kan toch ook helemaal tevreden zijn met de situatie zoals die nu is? Gek, als ik in mijn kinderverhaaltje Sofie laat besluiten dat ze het wel best vindt zo, begrijpt iedereen dat dat niet kan. Je kan nou eenmaal niet eeuwig kind blijven, al is het als volwassene wel weer belangrijk om dat kind in jezelf serieus te blijven nemen, maar dat is weer een ander verhaal. Toch vinden sommige mensen het volstrekt vanzelfsprekend dat ze nog precies hetzelfde geloven als in hun jeugd, er is nooit iets veranderd. Dan is het niet zo gek, dat je geloof steeds verder af komt te staan van het gewone dagelijkse leven, want daarin ben je wel gegroeid en veranderd. Het zou dus minstens zo moeten zijn, dat jouw manier van geloven mee-ontwikkelt met de rest, maar dat betekent ook dat je daar tijd en energie in moet steken. Veranderen is altijd een beetje eng, zeker ook in het geloof, want je weet wel wat je hebt, maar niet wat je krijgt. Misschien raak je je hele geloof wel kwijt, als je er goed over gaat nadenken! Maar veranderen door te groeien betekent niet dat je het oude ontkent, het bouwt erop voort. Dezelfde redenering gaat op voor geestelijke groei, spirituele groei, hoe je het maar noemen wil. Paulus noemt het: ‘groei van de kennis van God’. Daarmee trekt hij het in de relatiesfeer: relaties kosten nu eenmaal tijd en aandacht, je groeit aan elkaar en met elkaar, en blijft dat achterwege, dan bloedt de relatie langzaam dood. Wil je een relatie met God, dan zal je daar tijd en aandacht aan moeten besteden. Is het, in het verlengde daarvan,  je verlangen om te groeien als mens, meer in contact te leven met je ziel, met je diepste zelf, dan zal je daar tijd en aandacht aan moeten besteden, het gaat niet vanzelf.
Eigenlijk is dit een ouderwetse oproep tot bekering. Maar dan wel een bekering die geen mens afkeurt, niet zegt dat je niet deugt en dat daar verandering in moet komen. We hebben het hier over een ander soort verandering, de groei-soort. Dat begint met het serieus nemen van jezelf, jezelf als het ware door de liefdevolle ogen van God bekijken, en zien dat je zeer de moeite waard bent, en dat er geweldige groeikansen zijn, je hoeft die kansen alleen maar te ontdekken en aan te grijpen. Dat heeft niets te maken met een bepaalde leeftijd, je bent er ook nooit te oud voor. Integendeel zelfs, misschien is het wel gemakkelijker als je ouder bent, ze zeggen niet voor niets ‘de wijsheid komt met de jaren’. En juist bij het ouder worden word je vaak bijna gedwongen tot geestelijke groei, door alle tegenslag waar je mee te maken krijgt en waar je je antwoorden op zal moeten vinden. Ook daar hebben we een spreekwoord voor.. ‘door schade en schande wijs worden’.

Nu gooi ik in de gauwigheid wel spirituele groei, geloofsgroei en groei in wijsheid op één hoop: ik denk wel dat dat kan. Al ben ik ook de eerste om toe te geven dat er hele wijze mensen zijn, die niets hebben met God of geloof. Maar andersom kan je volgens mij niet echt groeien in geloof zonder daar ook wijzer van te worden, en dat heeft alles te maken met het hoofdbestanddeel van geloof, namelijk de liefde. Groeien in geloof is ook altijd groeien in de liefde, zo niet, dan ben je hoogstens aan het groeien in kennis van de bijbel, of kennis van de theologie - het sleutelwoord is dan ‘kennis’. Mensen kunnen een geweldige kennis opbouwen, maar dat betekent nog niet dat ze wijs zijn. Om wijs te zijn heb je, naast kennis, liefde nodig, betrokkenheid, openheid vooral ook. Die liefdevolle openheid zorgt er o.a. voor, dat je kan groeien. Mensen die alles al denken te weten, ontzeggen zichzelf die mogelijkheid.

Groei, dat zult u wel met me eens zijn, zorgt dus altijd voor verandering, groei is het leven zelf. Dat kan heel geleidelijk gaan, en soms ook met een schok. Het verhaal uit Marcus, waar Jezus een paar leerlingen oproept hem te volgen, is een duidelijk voorbeeld van zo’n groeischok. Zo zullen ze het in ieder geval wel ervaren hebben – hun hele leven veranderde op het moment dat ze besloten Jezus te volgen, alhoewel ze dat pas gaandeweg leerden begrijpen. Zo’n zelfde besluit kunnen wij niet nemen, Jezus staat hier niet vanmiddag bij de halte van de fast ferry te roepen. Wij zullen dus zelf uit moeten maken wat het betekent om Jezus te volgen, of we dat willen, en hoe we dat dan vorm gaan geven. Maar als je besluit spiritueel te groeien, is het wel nuttig om het ook concreet te maken, en het niet bij vage wensen te laten, zo van ‘ik zal eens wat vaker naar de kerk gaan’. Je kunt het beter wat kleiner en concreet houden. Zoals ‘ik plan het in ieder geval 1x per maand in’… om maar een voorbeeld te noemen (al vind ik het wel een erg góed voorbeeld ?). Maar ik zei het al, iedereen moet daar zijn eigen manier voor vinden. Vind je eigen weg, groei in kennis van God, en naarmate die kennis groeit ontdek je steeds meer onvermoede mogelijkheden, je ontdekt steeds meer God.  Paulus noemt dat de wijsheid en het inzicht die Gods Geest ons schenkt, de liefde die de Geest in ons opwekt. Hij wil maar zeggen: dit soort van groeien doe je nooit alleen, je hebt een leraar die tegelijk vader en moeder is, één die niets liever wil dan jouw geluk. Amen.

Gebed:
God van alle eeuwen, wij danken u dat we mogen hopen en mogen vertrouwen op u, dat u als helper altijd groter bent dan onze nood. Wij bidden u, help ons te groeien in kennis, in wijsheid en in liefde. Wees deze wereld nabij, help de angst te overwinnen, die veranderingen ten goede zo vaak in de weg staat. Daarom bidden wij…

God van alle eeuwen, wij danken u dat we mogen hopen en mogen vertrouwen op u, dat u als helper altijd groter bent dan onze nood. Wij bidden u, wees de zieken nabij, de mensen die lijden onder allerlei spanningen, die bang zijn voor de toekomst. Wij bidden u vandaag in het bijzonder voor de mensen die afgelopen week in het ziekenhuis lagen, zoals …
Daarom bidden wij…

God van alle eeuwen, wij danken u dat we mogen hopen en mogen vertrouwen op u, dat u als helper altijd groter bent dan onze nood. Wij bidden u: Geef ons de kracht om te aanvaarden wat niet te veranderen valt, de moed om te veranderen wat we kunnen, en de wijsheid om die twee te onderscheiden. Daarom bidden wij…
 

Viering Elthetokerk 15 januari 2012
 

tekst: Dorothee Sölle 1971:
Vergelijk hem rustig met andere groten:
Socrates, Rosa Luxemburg, Gandhi
Hij kan er tegen
maar beter is het
dat je hem vergelijkt
met jou…

Verhaal voor de kinderen: ‘samen sterk’ (uit ‘verhalen om nooit te vergeten’, red. Baukje Offringa)
Er was eens een vrouw die drie zonen had. Ze woonden in een klein huisje aan de rand van het bos. De drie jongens maakten altijd ruzie, ’s morgens, ’s middags en ’s avonds, altijd maar vechten, en nog eens vechten!
Op een dag zei hun moeder: ‘Breng me zoveel takken als je kunt dragen!’ De jongens renden het bos in om takken te verzamelen en ieder van hen kwam terug met een bos takken.
‘Neem nu ieder één tak’, zei hun moeder, ‘en probeer die te breken.’ ‘makkelijk,’ zeiden de jongens, en ze braken hun stok in tweeën. ‘Bind nu alle stokken met een touw samen’, zei de moeder, ‘en probeer nu de hele bos takken te breken.’
Ze probeerden het om de beurt, maar de takken die afzonderlijk zo gemakkelijk gebroken konden worden, waren samengebonden zo sterk als staal.
‘Zie je’, zei hun moeder, ‘wat jullie met deze stokken doen, kan ook met jullie gebeuren. Jullie maken altijd ruzie, nooit doe je iets samen. Maar samen zijn jullie zo sterk als deze bos takken, je kan elkaar helpen, voor elkaar opkomen, je houdt elkaar overeind. Dat geldt voor stokken, voor kinderen, voor volwassenen en voor volken.’

Eerste Schriftlezing: Jesaja 11
Vrede en gerechtigheid door de telg van Isaï
Maar uit de stronk van Isaï schiet een telg op,
een scheut van zijn wortels komt tot bloei.
De geest van de HEER zal op hem rusten:
een geest van wijsheid en inzicht,
een geest van kracht en verstandig beleid,
een geest van kennis en eerbied voor de HEER.
Hij ademt eerbied voor de HEER;
zijn oordeel stoelt niet op uiterlijke schijn,
noch grondt hij zijn vonnis op geruchten.
Over de zwakken velt hij een rechtvaardig oordeel,
de armen in het land geeft hij een eerlijk vonnis.
Hij tuchtigt de aarde met de gesel van zijn mond,
met de adem van zijn lippen doodt hij de schuldigen.
Hij draagt gerechtigheid als een gordel om zijn lendenen
en trouw als een gordel om zijn heupen.
Dan zal een wolf zich neerleggen naast een lam,
een panter vlijt zich bij een bokje neer;
kalf en leeuw zullen samen weiden
en een kleine jongen zal ze hoeden.
Een koe en een beer grazen samen,
hun jongen liggen bijeen;
een leeuw en een rund eten beide stro.
Bij het hol van een adder speelt een zuigeling,
een kind graait met zijn hand naar het nest van een slang.
Niemand doet kwaad, niemand sticht onheil
op heel mijn heilige berg.
Want kennis van de HEER vervult de aarde,
zoals het water de bodem van de zee bedekt.
Op die dag zal de telg van Isaï
als een vaandel voor alle volken staan.
Dan zullen de volken hem zoeken
en zijn woonplaats zal schitterend zijn.

Tweede schriftlezing: 2 Petrus 3 : 1-13
De dag van de Heer
Geliefde broeders en zusters, dit is al de tweede brief die ik u schrijf. Met beide wil ik u tot een helder inzicht brengen, en wel door u te herinneren aan de woorden die de heilige profeten destijds hebben gesproken en aan het gebod van onze Heer en redder dat uw apostelen u hebben doorgegeven. Vergeet vooral niet dat er aan het einde van de tijd spotters zullen komen, die hun eigen begeerte volgen en smalend vragen: ‘Waar blijft hij nu? Hij had toch beloofd te komen? De generatie voor ons is al gestorven, maar alles is nog steeds zoals het sinds het begin van de schepping geweest is.’ Ze gaan er dan willens en wetens aan voorbij dat er in het begin al eens een hemel is geweest en een aarde die door Gods woord gevormd was uit water en door middel van water, en dat de toenmalige wereld vergaan is toen ze door het water werd overspoeld. Maar de tegenwoordige hemel en aarde worden door datzelfde woord bewaard om op de dag van het oordeel, waarop de goddelozen ten onder zullen gaan, te worden prijsgegeven aan het vuur.
Eén ding mag u niet over het hoofd zien, geliefde broeders en zusters: voor de Heer is één dag als duizend jaar en duizend jaar als één dag. De Heer is niet traag met het nakomen van zijn belofte, zoals sommigen menen; hij heeft alleen maar geduld met u, omdat hij wil dat iedereen tot inkeer komt en niemand verloren gaat.
De dag van de Heer zal komen als een dief. De hemelsferen zullen die dag met luid gedreun vergaan, de elementen gaan in vlammen op, de aarde wordt blootgelegd en alles wat daarop gedaan is komt aan het licht. Als dit allemaal op die manier te gronde gaat, hoe heilig en vroom moet u dan niet leven, u die uitziet naar de dag van God en het aanbreken daarvan bespoedigt! Die dag gaan de hemelsferen in vlammen op, en de elementen vatten vlam en smelten weg. Maar wij vertrouwen op Gods belofte en zien uit naar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont.

Preek:
We zijn een nieuw jaar begonnen, een jaar waarin u het, naar ik hoop, goed zal hebben. In allerlei moderne spirituele kringen is het getal 2012 tamelijk beladen. Het gold als het jaar, waarin de oeroude mayakalender zou aflopen, en dat was niet voor niets, het betekende zoiets als het einde der tijden. Ik ken persoonlijk mensen die vanwege die voorspellingen naar Frankrijk verhuisd zijn, ervan overtuigd dat Nederland in dit jaar zo ongeveer onder water zou verdwijnen. Vorig jaar las ik een artikel in de krant, waarin betoogd werd, dat er in de moderne berekeningen van de oude mayakalender een fout gemaakt is, en dat het einde nog even uitblijft. Een hele opluchting. Al zullen mensen die heilig in die einddatum geloven, zich niet laten overtuigen, want zo gaat dat meestal met geloof. Ik heb wel een trend kunnen ontwaren, waarbij in de meest recente verhalen de rampen wat meer naar de achtergrond zijn geschoven, en er meer en meer gesproken wordt van een bijzondere sprong in onze menselijke spirituele ontwikkeling, nog steeds allemaal in dit magische jaar 2012. Dat geldt natuurlijk niet voor iedereen, maar speciaal voor een aantal mensen die zich daar geestelijk op hebben voorbereid. Het gaat hier niet om mensen die zich christenen noemen, maar ze spreken soms wel weer over een ontwikkeling van hun ‘Christusbewustzijn’. Met ‘Christus’ wordt dan een goddelijke kracht bedoeld, die tegelijk ook menselijk is. Ik hoop dat ze gelijk krijgen: we kunnen op deze wereld wel wat geestelijke en spirituele groei gebruiken. Maar helemaal overtuigd ben ik niet. En dat heeft te maken met de geschiedenis. Van de mayakalender weet ik niets, maar ik weet wel iets van de geschiedenis van het christendom. En daarin is al duizenden jaren sprake van dergelijke scenario’s, waarin de wereld zoals die nu is met veel geweld tot een einde zal komen, en er, zoals de bijbel zegt, een ‘nieuwe hemel en een nieuwe aarde zal komen, waarop gerechtigheid woont’.

Ik heb zelf het vermoeden, dat dit soort verhalen vooral een psychologische achtergrond hebben. Ze zijn gebaseerd op de teleurstellingen van het leven, op de verzuchting ‘is dit nou alles’, op onze verlangens, verlangen naar liefde en schoonheid en gerechtigheid. Of, misschien kan je ook zeggen: ons verlangen naar God, die hier op deze aarde zo moeilijk te vinden is. Het besef, dat het ons mensen niet lukt om er iets goeds van te maken, zal er in ieder geval mede de oorzaak van zijn, dat in alle grote godsdiensten uitgekeken wordt naar een redder. Het jodendom is in afwachting van de Messias, het christendom wacht op de wederkomst van Christus, de islam wacht op de twaalfde Imam, het boeddhisme wacht op de vijfde Boeddha en het hindoeïsme wacht op de wederkomst van Krishna. We wachten wat af, met z’n allen… al worden overal wel weer andere accenten gelegd.

Laten we ons in dit geval eerst maar eens richten op de verwachting van de wederkomst in het christendom. Dat idee van een tweede komst van Christus is eigenlijk een uitloper van het geloof in de opstanding. Daar begon de hoop opnieuw te leven, een hoop die met de kruisiging van Jezus voorgoed de bodem leek in geslagen. Zijn boodschap van liefde, recht en geweldloosheid sloeg om in verraad en kruis en uiteindelijk de dood. De zachte krachten hadden duidelijk verloren… totdat. Totdat er opnieuw een ommezwaai komt, iets waar niemand op gerekend had, ook de volgelingen van Jezus niet. Er komt een moment, en zij noemen dat ‘opstanding’, waarop Jezus op een nieuwe hoopvolle manier een rol gaat spelen in hun leven. Ze geloven, dat Jezus, door de goddelijke waarden tot in zijn dood trouw te blijven, iets wezenlijks heeft veranderd op deze aarde. Dankzij hem kan er een andere geest gaan waaien, een heilige geest, die mensen verbindt met God. Jezus zelf heeft tijdens zijn leven die nieuwe staat, ook wel het ‘koninkrijk van God’ genoemd, verkondigd in woord en daad. Zijn leerlingen zijn er van overtuigd, dat het niet de bedoeling kan zijn dat dat beperkt blijft tot een uithoek in de wereld, maar dat dit koningschap van God over alle leven ooit door alle mensen zal worden erkend en gezien, en dat zij daar zelf aan kunnen meewerken. In de brief aan de Filippenzen wordt het door Paulus heel mooi onder woorden gebracht: ‘Laat onder u de gezindheid heersen die Christus Jezus had. Hij die de gestalte van God had, hield zijn gelijkheid aan God niet vast, maar deed er afstand van. Hij nam de gestalte aan van een slaaf en werd gelijk aan een mens. En als mens verschenen, heeft hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood – de dood aan het kruis. Daarom heeft God hem hoog verheven en hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat, opdat in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen, in de hemel, op de aarde en onder de aarde, en elke tong zal belijden: ‘Jezus Christus is Heer,’ tot eer van God, de Vader.’

Om iets van die eindtijdverwachting te begrijpen waarin Jezus terug zal keren op aarde, moeten we dus twee dingen met elkaar verbinden: die koninkrijksgedachte en de opstanding. Jezus heeft in woord en daad zijn leerlingen ervan overtuigd, dat God niet berust in de vervreemding van de mens, in de geschondenheid van het leven. Vandaar de genezingen, vandaar zijn vriendschap met de outcasts, vandaar zijn oproep te leven in de nabijheid van de liefde van God. Die macht over het leven, dat uitreiken van God naar het geschondene, dat herstel van relaties, dat is de droom, het visioen, maar vooral de werkelijkheid waarvan in de christelijke traditie op grond van het concrete verhaal van de opstanding gehoopt wordt dat ze eens zichtbaar en tastbaar zal worden.

Hoe dat dan precies zal gebeuren, daar bestaat in het nieuwe testament zelf al verschil van mening over. Aan de ene kant heb je de orthodoxe visie, die de wederkomst heel letterlijk neemt: zoals Jezus boven de wolken in het verborgene van de hemel verdween, zo zal hij ook weer terugkeren. Niemand kan precies weten wanneer, al zijn er ook altijd weer mensen die toch aan het rekenen slaan en met een jaartal of een datum komen, maar de brede orthodoxe stroming ging daar nooit in mee, al waren er door de eeuwen heen altijd geruchten van de eindtijd die nu dan toch eindelijk was aangebroken. Dat verandert eigenlijk pas zo rond 1800. Ook in de officiële theologie kan men zich dan een concreet eindtijdelijk ingrijpen van God nauwelijks meer voorstellen. Dat wordt toch algemeen gezien als te massief, al te letterlijk, onvoorstelbaar. Maar er blijft wel iets hangen van ‘we zijn er nog niet, er moet nog wel iets gebeuren, iets veranderen’. Dus blijft er in de kerk gevraagd worden om de komst van Christus, als symbool van die roep om verandering.

Maar er is vanaf het begin van onze jaartelling ook een stroming, die de wederkomst veel minder letterlijk opvat. Zij worden telkens opnieuw als ketters weggezet, maar de ideeën zijn hardnekkig en komen telkens weer in nieuwe gedaanten terug. Dat groeiende ‘Christusbewustzijn’ waar ik het in het begin over had, is daar een modern voorbeeld van, en zo kan ik nog vele andere voorbeelden noemen. Het verlangen blijft hetzelfde: een wereld van vrede en recht, een gelukkig leven – maar nu is het geen kwestie van wachten tot het zo ver is, maar een zoektocht naar kennis, een persoonlijke, innerlijke verandering, waarbij je jezelf steeds meer verbindt met de Goddelijke kracht, liefde en wijsheid. Op die manier wordt de Christus telkens opnieuw in een mens geboren, er verandert iets, je stijgt als het ware boven jezelf uit, je geeft je over aan een hogere goede wil. Ik denk dat deze richting ook meer aansluit bij het vrijzinnige denken, al was het maar omdat er een veel grotere rol voor de mens zelf is weggelegd. Toch is het voor een beroemde kerkvader als Origenes, die leefde in de derde eeuw, heel logisch en vanzelfsprekend om dat innerlijke proces te verbinden met de Bijbelse God, vader, zoon en Heilige Geest. In een commentaar op het Johannesevangelie doet hij zijn best om duidelijk te maken hoe dat werkt. Daar zegt hij:
De vader is het Goede. Het Goede is dus in het wezen van God gegrondvest.
Door de zoon wordt het Goede geopenbaard. Het Goede komt tevoorschijn.
Door de Heilige Geest wordt het Goede in elk mens afzonderlijk werkzaam.

Misschien zegt u nu meteen ‘o ja, bedoelt hij dát’… bij mij werkte dat niet zo, helaas. Voor mij zijn het zinnen om een poosje op te kauwen, of misschien wel een hele nieuwe preek omheen te bouwen. Dat gaan we nu niet doen. Wat ik u wel wil vragen, is om nog eens verder na te denken over die wederkomst. Er zijn, voor zover ik het kan bekijken, drie opties.
1. Als je het goede wil, probeer je dat dan in je eentje, of desnoods met een groep gelijkgezinden, te bereiken? Of
2. ga je bidden en wachten tot het voor je gedaan wordt? Of
3. ga je eraan werken, in de hoop, en misschien zelfs in het besef dat je daarin geholpen wordt door Hogerhand?
Het antwoord op die vraag is belangrijk. Wie het gevoel heeft het helemaal alleen te moeten doen, zal waarschijnlijk zijn geloof in het ‘goede’ vroeg of laat verliezen. Wie bidt en wacht overkomt hetzelfde, want zo te zien verandert er nooit iets. Blijft alleen die laatste optie over: werken aan het ‘goede’, in het besef dat je geholpen wordt, dat er een ‘hoogste goed’ is, machtiger dan al het andere, een God die zijn persoonlijke kant toekeert naar ieder mens die daarom vraagt en waaruit je kracht mag putten. Het zou heel goed zo kunnen zijn, dat op het moment dat je die keuze maakt en zo probeert te leven, Christus’ wederkomst op aarde een feit is. Iedere keer opnieuw. Amen.

 
 

 

Naar vorige blz: preken 2010                                                                               .    Naar volgende blz: laatste preek